terug  begin  verder

[p. 58]



illustratie

In 't vooronder

Er mochten onder de bemanning van de Nieuw-Hoorn lamme kerels rondlopen, in doorsnee waren het ronde, gezellige lui, die als het nodig was werkten als paarden, voor de duvel niet bang waren en lachen konden dat de wanden van het vooronder daverden.

Die eerste middag bij het eten maakten de drie ‘groentjes’ al een stuk of wat vrienden. Daar had je, behalve de brave deftige Vader Langjas, die de maaltijd met een gebed opende en sloot, Zwarte Gijs en Diede Doedes en Floorke en Gerretje en Steven Duffel en de Neus en... en Harmen! De koksmaat Harmen van Kniphuyzen, een paar jaar ouder dan Hajo en Rolf, was eigenlijk een dichter.

Als je tegen Harmen zei: ‘Goeiemorgen!’ antwoordde hij: ‘'k Zal d'r voor zorgen.’ Als je hem vroeg: ‘Maak je 't goed?’ kon je er staat op maken dat hij zijn gezicht tot een grijns vertrok en zei: ‘Kijk maar naar m'n snoet!’ Hij klom als een aap, zwom als een rat, had de spieren van een vol-matroos en sneed op als...!

Dat kwam die avond aan het licht toen het volk in het vooronder ging zitten

[p. 59]

gezelsen. Mannetje naast mannetje zaten ze aan de lange tafels, op elkaar gedrukt als haringen in een ton. Roken, dat ze deden! Je kon je overbuur nauwelijks meer in de nevel onderscheiden. En de tabak was niet altijd van de beste, lang niet! Er moest wel eens eentje de pijp uit de mond worden getrokken, omdat de ‘geur’ voor de anderen onverdraaglijk werd. De janmaat voelde zich beledigd, smeet grote woorden in het rond, sloeg met de vuist op tafel dat de potten bier er van rinkelden, en ... en lachte dan weer met de anderen mee.

‘Speel eens wat?’ riep er een uit zijn kooi. ‘Kniphuyzen, speel 'ns wat!’

‘Ja! Spelen!’

En de koksmaat Harmen Kniphuyzen haalde z'n fiedel, sprong op tafel en streek er op los. Het was er wel eens flink naast; de viool was ook niet best, maar dat deed aan de gezelligheid geen afbreuk. De ‘omes’ - zo noemden de scheepsjongens de boven hen gestelde matrozen - stampten met de voeten en zongen:

 
‘Oranje boven en blauw onder!
 
Wie 't anders meent
 
Die haalt de donder!’

Gerrit dribbelde onrustig op zijn stokje heen en weer, knipte zijn ogen dicht tegen de rook.

‘Ik zal jullie wat vertellen, waarvan je, sapperloot, zult opkijken!’ schreeuwde de Neus - een dik manneke met een fraai gekrulde snor en een neus als een bevroren aardappel.

‘Als je liegt, hap ik je neus af!’ dreigde Zwarte Gijs, de smid.

‘Die zou, sapperloot, smaken!’

‘Vooruit, vertellen! Vertellen!’

‘Luister!’ zei de Neus. ‘Op m'n vorige reis hadden we een ziekentrooster aan boord: Vader Jonas! Hij was vroom, sapperloot! en als we ergens in de Oost voor anker lagen, had hij geen rust voor hij de wilden had bekeerd.

Zo lagen we dan weer eens met averij voor een eilandje. De zwartjes kwamen al gauw opdagen, en Vader Jonas aan 't bekeren! Als 't 'm bij een gelukt was, hing hij de vent een nummer om de hals. De anderen werden zeker jaloers op dat nummer, want in een ommezientje gaven ze zich allemaal voor de bekering op.

Eentje was Vader Jonas' lieveling, een botmagere wilde, die was niet van hem af te slaan. Vader Jonas had 'm Paulus gedoopt. Goed. De barbier gaat kruiden zoeken en vraagt Vader Jonas om hem een betrouwbare wilde mee te geven.

- Dan moet je Paulus nemen, zegt Vader Jonas.

Goed, Paulus en de barbier gaan aan wal. Effen later komt Paulus aanrennen en zeit met veel grimassen dat de barbier door een krokodil is opgebikt. Grote herrie! Vader Jonas zweert bij hoog en laag, dat Paulus onschuldig als een lammetje is. Nou, bij de lijkdienst bad Paulus voor twee!’

‘Wat een schurk!’

[p. 60]

‘Goed! De volgende dag is er een vrind van me verdwenen. We zoeken elk muizeholletje af. Niks te vinden.

- Sapperloot, wat wordt me die Paulus dik! zeg ik zo tegen Vader Jonas.

- Neus, zegt Vader Jonas, - Paulus is 'n christenmens! Over Paulus kon ie niks horen!

Een uurtje later gaan ze samen weg. - Waar ga je naar toe, Vader Jonas? vraag ik.

- Paulus heeft me gevraagd zijn ouwe vader te willen bekeren. De arme man kan niet meer lopen.

- Wil ik even met je meegaan? 't Is hier zo'n raar land!

- Paulus is bij me, Neus!

- Juist daarom, zeg ik.

Vader Jonas werd nijdig en liep met Paulus door. Ik zie 'm nog tussen de bomen verdwijnen. Wil je wel geloven dat ik die middag niks op m'n gemak was?

En jawel hoor! Daar komt me Paulus aanzeilen, zwaait met armen en benen en maakte dezelfde grimassen als de vorige keer!

- Smeerlap! schreeuw ik en ik grijp 'm bij z'n nummer, - jij hebt Vader Jonas opgebikt! En ik schud 'm door mekaar, dat ie overgeeft. En wat spuwt ie 't eerst uit! Hè? De trouwring van Vader Jonas! Die had ie in de haast mee ingeslikt!’

‘Ja... gevaarlijk goed, die menseneters!’ verzekerde Harmen van Kniphuyzen. ‘M'n broer en ik zijn op een vorige reis ook eens zowat opgepeuzeld.’

‘Vertel op!’

‘M'n broer is 'n kemiekeling, zie je, die kan nou van alles. Hij kan een knoop in z'n oor leggen, z'n ogen als knikkers laten ronddraaien en twee kanten tegelijk uitspuwen. En van een kermisvent heeft ie buikspreken geleerd.

Nou, we waren aan land gegaan, ergens in zo n wilde streek. - Kom er eens mee, Harmen, zegt m'n broer - dan gaan we een maatje honing halen. Die koers uit moet ergens een nest zitten, want ik zie er al maar bijen heen vliegen.

Hij was verzot op honing, m'n broer. En ik dacht: laat ik 'm z'n zin maar geven. Maar ik was niks op m'n gemak, zo met z'n beidjes alleen in de wildernis. En wel ja, in een ommezientje waren we door de menseneters omsingeld.

Schreeuwen dat ze deden! Ze trokken ons de kleren uk en m'n broer zei nog tegen me: - Harmen, jij had eerst je enkels weleens mogen wassen!

- Klaas, zei ik - hoe kun je nou nog lolletjes verkopen!

Nou, we werden in een bootje gezet, en toen de rivier op. Klaas en ik moesten ook roeien! Met zo'n stok met platte schijven aan 't eind.

‘Pagaaien!’ werd er geroepen.

‘Zal ik niet weten! 'k Was nijdig als een spin, want een van die houtskoolkoppen had m'n rooie das, die m'n vorige meisje voor me gebreid had, om z'n luizebos gebonden! - Klaas! zei ik, - als we de roeistokken er eens opnamen en ze er de kiezen mee uitsloegen?

- Ben je stapel? vroeg Klaas. - Dan zouden we er ieder acht op ons boekje moeten nemen!

[p. 61]

Tegen donker kwamen we aan een mensenetersdorp. Nou, je snapt het, we werden met gejuich ontvangen! En weet je wat Klaas deed? Die lachte maar. - 'k Zal je vinden, schavuitenbende! riep hij. Dat verstonden ze natuurlijk niet, maar ze keken d'r wel raar van op dat Klaas zo in z'n nopjes was.

We werden voor de radja gebracht! Hij had een stuk been door z'n neus, en op z'n kop een zuidwester, die had ie opgetuigd met kraaltjes en in het midden een spiegeltje. Achter 'm zaten zijn vrouwen, wel een stuk of twintig!

Moet je horen wat Klaas deed! Hij maakte eerst een fijne buiging voor de radja; toen legde hij zijn oren in de knoop en liet z'n ogen rollen. Meteen zie ik dat ie de radja het spiegeltje van z'n zuidwester grist. De radja zelf merkte niks. Die schreeuwde wat in het Polopoeloes of zo, en toen kwam er een kerel met zó'n mes aanzetten, zeker een tovenaar! En toen sjorden ze mij aan een paal!

Maar meteen viel Klaas op z'n knieën, kuste de voeten van die menseneterskoning, en toen klonk het als uit de grond: - Peper en notemuskaat!

Klaas was aan 't buikspreken!

Nou, dát had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan of ze van lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z'n buik en spuwde de radjah pardoes z'n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht - dat was de bliksem - en drukte zijn vinger op de mopsneus van die radja. - Ziezo, zei Klaas, - nou zul je 't wel gesnopen hebben!

Nou, óf ze 't gesnapt hadden! De tovenaar sneed gauw de touwen los waarmee ik vastgesjord stond, en de radja wilde er van tussen gaan. Maar Klaas greep 'm bij z'n zuidwester, pakte met de andere hand de tovenaar bij z'n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje, hoe heet zo'n ding nog maar weer?’

‘Kano!’

‘Natuurlijk: de kano! Het hele dorp stond ons aan te gapen. De tovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in 't Polopoeloes en toen stoven ze allemaal achteruit. De radja stapte in de kano, de tovenaar ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten. - Ziezo, heren, zei Klaas - leg maar eens in! Nou, de koning en de tovenaar pagaaiden dat we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak Klaas die radja zijn voeten toe en liet ze hem kussen. - O, zo! zei die. - En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer!

En temet draait ie zich om en zegt: - Harmen, zegt ie, - weet je wat we nou nog vergeten hebben?’

‘De honing!’ riep Padde uit.

‘Krek,’ zei Harmen. ‘We zijn omgekeerd en met de hele muts vol honing teruggekomen.’

‘En de wilden hadden jullie de kleren afgenomen?’ merkte Rolf op.

‘Zo nauw moet je niet kijken!’ zei Harmen beledigd. ‘Anders zou je nooit er eens wat kunnen vertellen.’

‘Ja, en jij hebt je gezicht te houwen als Kniphuyzen vertelt!’

[p. 62]

‘Mannen, ik heb nog wat beters!’ riep een heel lange janmaat met vlasblond haar, helderblauwe ogen, grote uitstaande oren en met handen... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot tatoeëring en dat had de eigenaar ook ingezien: het ene anker prijkte naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed en hogerop zeilden driemasters over wildbewogen baren. Hajo had er een drommels ontzag voor. Dat was nog er eens 'n zeeman! Stil! Hij wou goed luisteren naar de wijsheid die dit beankerde wonder ging verkondigen!

‘Twee reizen geleden, ik was op de Gouden Leeuw,’ begon de verteller, ‘waren we geland bij een rivier die zo vol krokodillen zat dat je de een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de enige Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te mieren. - Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zo aan de oren getrokken? vroegen ze dan wel, of: - Wat hebben jullie Friezen een kleine handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter. - Vooruit dan! zei ik zo, toen 't me weer eens de keel uithing. - Als jullie Hollanders dan zulke kerels bent, steek dan er 's zonder boot die rivier over!’

- Doe jij het eerst! zeiden de maats.

- Ik durf wel, zei ik. - Ik steek er op z'n Fries over! - Nou, ik nam een flinke aanloop en...’

‘En??’

‘Jullie weet: ik spring als de beste. Ik ben eenvoudig van de ene krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er aan 't handje was, stond ik aan de overkant!’

‘Verduiveld sterk!’ verklaarden de maats.

‘'t Is gelogen,’ stelde Padde ronduit vast.

‘Spuit nommer elf geeft ook water,’ zei Harmen. ‘Luister, mannen, ik heb nog heel wat anders beleefd en als ik je dát vertel, mag je je muts wel vastsjorren, want je haren zullen te berge rijzen! We waren eens met z'n vijven in het oerwoud en terwijl we zo onder een boom lagen uit te blazen, zei een van m'n vrinden: - Harmen, zei-die, - speel er eens 'n deuntje!

Goed, ik haal m'n viool voor de dag en speel.

- Nog 'n moppie! zei m'n vriend.

Best, ik streek er alweer op los. Maar wat zag ik me daar? Een stuk of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig reuzenslangen die me in een kringetje zaten aan te gapen. De muziek had ze aangetrokken! M'n vrinden lagen half te maffen en merkten niks.

- Doorspelen, dacht ik. - Doorspelen, da's het enige! - En ik speelde en speelde...

- Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m'n vrinden.

- Hebben jullie er last van? vroeg ik.

- Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om.

Na een uur of vier, vijf spelen begon ik moe te worden en... ja... als een mens moe is! Toen kwam er ook wel eens 'n vals toontje, hè? Maar ik kon

[p. 63]

merken dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want ze trokken een gezicht of ze een zere kies hadden. Toen schoot er een lichtstraal in m'n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed? Ik begon me daar eventjes vals te spelen, váls...!!

En ja hoor! Met de staart tussen de poten gingen de monsters er van door!

Ik was nat van 't zweet en m'n armen leken wel lood. Maar... we waren gered!’

‘En je vrinden, zeiden die niets toen je zo vals speelde?’ vroeg Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepe zucht had geloosd.

‘Och... ze hadden er niet zo op gelet,’ zei Harmen.

‘Nou heb ik nog een verhaal!’ riep Rolf. ‘Er was eens een schip vol matrozen! Toen kwam er een grote walvis, die sperde zijn bek open en slikte...’

‘Een walvis kan geen schip inslikken!’

‘Nou, hij spuwde het ook weer gauw uit.’

‘Omdat 't 'm te hard was?’

‘Nee. Omdat hij misselijk werd van de leugens die z'n keel binnenspoelden.’

‘Sapperloot...!’ stamelde de Neus.

En de anderen sloegen met de vuist op tafel. ‘Daar zul je voor boeten, mannetje!’

Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs vrijmoedigheid: van blode jongetjes moesten ze niets hebben.

Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De omes stonden op, kropen in hun kooien. De olie in de lamp scheen zowat opgebrand; de vlam werd schraal; de walm sloeg dik tegen de zoldering.

Hajo zocht de lange Fries op. ‘Heet jij soms Jopkins? Hilke Jopkins?’

‘Dat ben ik, ja.’

‘Dan moet ik je wat geven van...’

‘Van...?’ Hilke sperde zijn ogen open en greep Hajo bij de arm.

‘Ja!’ fluisterde Hajo. ‘Van Sijtje.’

‘Laat kijken!’ zei Hilke, diep ademhalend.

‘Ga je even mee naar buiten?’ vroeg Hajo. ‘Dan zien de anderen het niet!’

Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als ‘ome’ duizend mijlen boven de nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen die Hajo hem daar gaf. ‘Verdorie,’ mompelde hij. ‘Verdorie...!’

‘Ze zei dat je haar eens schrijven moest en dat je voorzichtig moest zijn.’

‘Verdorie...!’ Hilke schudde het hoofd. ‘Die handschoenen zitten me gegoten, zie je wel?’

Ik heb 'n das van haar gekregen,’ zei Hajo.

‘Laat kijken?’

Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk.

‘Verdorie...!’

‘Alleen voor zondagen!!!’ zei Hajo.

‘Dat begrijp ik! - Zeg, Hajo...? Wat moet je hebben voor die das?’

Hajo hoorde een trilling in Hilkes stem. ‘Die das is niet te koop,’ zei Hajo.

[p. 64]

‘Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch wel?’

‘Daar,’ zei Hajo, ‘daar heb je 'm voor niks.’

‘Verdorie...!’ was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das tussen de vingers en greep Hajo's hand. ‘Kerel, als je me nog eens nodig hebt...’

‘Zeg, Hilke?’ vroeg Hajo. ‘Zou je... zou je misschien...?’

‘Waarachtig! zeg op: wat is er?’

Hajo wees op Hilkes handen. ‘Zou je mij niet ook een anker of een schip of wat maar het gemakkelijkst is...?’

Hilke stroopte zijn mouw op. ‘Zoek maar uit. Een driemaster? Of zo een, met die kanonnen? Ik kan alles en je voelt er niets van. Heb je een meisje?’

‘Nee,’ zei Hajo verlegen. ‘Moet dat?’

‘Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zoals op m'n hand.’

‘Dat is ook wel mooi,’ weifelde Hajo.

‘Ja, maar dan moet je een meisje hebben! - D'r zijn lui die meteen haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zo. Maar... eh, 't gaat er nooit meer uit, zie je? Zoals ik 't heb, zonder naam, is het altijd goed, hè?’

Hajo begreep het maar half. ‘Zeg, Hilke,’ vroeg hij, ‘wanneer kun je het doen?’

‘Over een dag of wat,’ beloofde Hilke. ‘Als de eerste drukte voorbij is.’

‘Fijn!’ zei Hajo. ‘Zeg, weet je dat ik ook nog fries bloed in me heb?’

Hilke sloeg de handen ineen. ‘Een Fries! Jij?’

‘Moeder is van Friesland.’

‘Als ik het niet dacht! Een kerel als jij...! 'k Zal je de knopen ook leren! Een boeren- en een turkse knoop, een visser-, trompet-, muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop... Nooit van gehoord?’

Hajo sloeg van eerbied bijna tegen de grond, - schudde ontkennend het hoofd.

‘Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord?? Wacht dan!’ - En Hilke haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden...

‘Dat is zonde!’ meende Hajo. ‘Dan leer je 't me morgen maar.’

‘Je hebt gelijk,’ bekende Hilke. ‘Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè, en dan...!’ Zorgvuldig streek hij de das weer glad. ‘Brave meid!’ mompelde hij met schorre stem. Toen zei hij haastig: ‘Nou, ajuus, hoor! 't Is al laat.’

En terwijl de scheepsjongen van de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over de naaste toekomst, ging de lange Fries er met zijn schat vandoor. Hajo zag hoe hij zich diep bukken moest om het hoofd niet te stoten tegen de lage deur van het vooronder.

 

Daar kwam Rolf aan. ‘Zullen we gaan slapen, Hajo?’

‘Die... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m'n arm prikken!’ fluisterde Hajo opgewonden.

‘Zo?’ vroeg Rolf. ‘Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je bovenarm, of zo.’

‘Maar dan zie je er niets van!’

‘Juist daarom.’

[p. 65]

Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. ‘Vind je een anker niet mooi? Wil ik liever 'n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z'n handen.’

Rolf glimlachte. ‘Ik heb ze gezien. Maar weet je dat die rommel er nooit uitgaat?’

‘En is dat dan erg?’

‘Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van tevoren niet wat er nog uit je groeit!’

‘Uit mij?’

‘Ja, uit jou.’

Hajo pruttelde nog wat. Maar hij moest er toch om lachen. Wat kon Rolf bedoelen? Dat hij nog eens iets méér dan bootsman zou kunnen worden? ‘Nou, vooruit dan maar...’

‘Heel verstandig,’ prees Rolf. ‘Ga je mee?’

Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe:

‘Padde! Sta op! We gaan naar kooi!’

Hè, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed!

Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij, zittend, in slaap gevallen.

terug  begin  verder