terug  begin  verder

[p. 66]



illustratie

Oudejaarsavond

Of de jongens aan het werk werden gezet? Nee maar! Smeren, boenen, zwabberen was het wachtwoord. En wanneer de bootsman hun een enkele maal eens een ogenblikje had gelaten om uit te blazen, wisten de omes wel ‘een mooi werkje voor een scheepsjongen’. Padde viel er natuurlijk buiten: die had een leventje als een volwassen bottelier. Hij sliep een gat in de dag, at met toewijding, spoelde wel eens een kruik om en babbelde urenlang met de brave bottelier. Het was van het begin af aan gewoonte geweest dat de schele bottelier het werk deed en Padde zijn korte beentjes liet schommelen, zittend op een leeg tonnetje als een koning op zijn troon.

‘Wil ik soms even helpen, Schele?’ vroeg Padde wel eens, wanneer de dikke bottelier amechtig blies van 't lange bukken.

‘Blijf jij maar zitten, m'n jongen,’ was het antwoord. ‘'k Ben zó klaar.’

Maar Hajo moest voor alles opdraaien. Waar hij ook zijn vriendelijk gezicht vertoonde, overal had men een werkje voor hem. Als hij de barbier tegen het lijf liep, vroeg die: ‘Zeg er eens, vriendje, ben jij niet drogistenjongen geweest?’

‘In “De Gouden Gaper”, Vader Langjas.’

‘Och, help me dan even met het stampen van kruiden, wil je?’

En Hajo stampte. Maar buiten hoorde hij Zwarte Gijs al razen: ‘Waar zit me die blikslagerse smidsjongen! Hij moet krammetjes voor me slaan!’

Of Steven Duffel, de bakker, liet hem deeg kneden. Of Hajo moest planken zagen voor Diede Doedes, de timmerman.

Zijn loon bestond meestal uit de woorden: ‘Je mag me nóg 'ns helpen!’ of uit een draai om z'n oren wanneer hij iets verkeerd had gedaan.

Om de haverklap werd hij bij z'n kraag gegrepen en door een janmaat het

[p. 67]

want ingestuurd om iets te ‘klaren’. En als hij dan bij het zware werk op de bovenste fokke-ra stond te balanceren met negen kansen op de tien om te vallen, riep de ‘ome’ van beneden: ‘Ja, breek je nek maar: 't is morgen toch zondag!’

Maar wat veel goed maakte? Als Hajo, een paar emmers ijskoud water in de verkleumde vingers en een zwabber onder de arm, met een echt zeemansloopje over het dek sjouwde, of boende en schrobde dat alles wit van 't schuim zag, kon het zo ineens gebeuren dat de schipper achter hem stond en vroeg: ‘Valt het nogal mee, Peter?’

Dan kreeg Hajo het ondanks de decemberkoude warm onder z'n doorweekt baadje; hij rukte z'n muts af en zei: ‘Vást wel, schipper.’

En de grote man knikte goedkeurend.

De bescheiden grijns die zich dan op Hajo's gelaat vertoonde was onbetaalbaar. Z'n ogen tintelden; hij wreef verlegen de polsen tegen z'n broek.

Werken wilde Hajo, maar daarom lustte het hem nog niet, voor alle omes Hansje-m'n-knecht te spelen. Hij rook het op tien pas afstand of ze hem bij de kladden wilden nemen; hoe onschuldiger een ome zich voordeed, hoe minder Hajo hem vertrouwde; de ome stak z'n vingers uit en meende Hajo bij z'n broek te hebben, maar Hajo had dit kledingstuk juist bijtijds in veiligheid gebracht!

Rolf... die lieten ze wat meer met rust. Hij was altijd zo kalm, dat hij ook de ouderen achting afdwong. Ze zeiden hem weleens: ‘Doe dit of dat!’ maar hem, zoals Hajo, ongezouten in zijn nekvel pakken - daar kwamen ze toch niet toe.

Bolle, de kok, gaf Hajo in het schaftuur Maleise les. Rolf zat er ook bij en schreef alles op. Want Rolf kon schrijven - een kunst die onder de janmaats weinig beoefend werd.

‘Kijk,’ zei Bolle terwijl hij met toegeknepen ogen de dampende aardappelen omschudde: ‘Kijk, besie is ijzer, en toekang is... is zoiets als man. Nou, wat is nou: smid?’

‘Besie toekang!’ meende Hajo.’ ‘IJzer-man!’

‘Nou ben je d'r krek naast!’ zei Bolle. ‘Smid is: toekang besie!’ En Bolle had schik dat Hajo er in was gevlogen. ‘Verder maar weer! Orang is mens, en orang-orang is mensen. Je hebt niks anders te doen dan het woord tweemaal te zeggen. Stom-eenvoudig. Poehoen is boom! Wat is nou een bos?’

Oetan,’ zei Rolf.

‘Mmm? Drommels ja, dat is waar ook. Ja dat komt: jij schrijft alles op en... M'n bonen!’ riep hij en snelde, in zijn haast een koksjongen omver lopend, naar de grote ketel, die wat verder op het vuur stond. ‘Morgen wéér 'n uurtje!’ riep hij zijn leerlingen toe. ‘Zie maar eerst dat je dát allemaal onthoudt!’

Bolle had reden om niet al te gul te zijn met zijn wijsheid. Want, als alle wijsheid, had ook de zijne haar grenzen.

Hajo besloot al de eerste avond aan boord, zich op het vioolspel te werpen. Hij klampte Harmen aan, het muzikale wonder van de Nieuw-Hoorn.

Harmen was door het verzoek gevleid. ‘Ik zal je het leren,’ zei hij, ‘maar

[p. 68]

je moet niet denken dat 't in knoopslag gaat; je mag blij zijn als je 't in een maand behoorlijk kent.’

‘Ik zal m'n best doen!’ beloofde Hajo.

‘Dat schéélt natuurlijk 'n paar zeilen!’ gaf Harmen toe.

‘Zeg Harmen,’ vroeg Hajo, ‘moet hier geen snaar zitten?’

‘Nou ja,’ zei Harmen, ‘d'r hebben d'r drie aan gezeten. Maar die ene piepte zo; toen heb ik 'm er maar afgetrokken.’

‘En wat doe je met die zwarte houtjes aan 't boveneind?’

‘Die zijn om de zaak wat aan te taliën. Maar ik wurm er liever niet te veel aan, anders knappen ze me nog, de snaren. Ach, geen mens weet natuurlijk op een prik hoe stijf je ze moet aantrekken. Dat doet ieder op zijn manier en al naar 't uitvalt, hè?’ Met zwierig gebaar legde Harmen de viool tegen zijn borst en kraste er op los.

‘Mag ik nu eens?’ vroeg Hajo met van spanning onzekere stem.

‘Als je d'r maar voorzichtig mee bent.’

Nou, dat was Hajo wel! Hij durfde het wonderlijke doosje nauwelijks aan te pakken. Angstig waagde hij een streek.

‘Je leert het vást,’ zei Harmen.

‘Zou je denken?’

‘Natuurlijk! Als je zo nu en dan eens een toontje niet weet, sla je dat eenvoudig over, hè? Dat doe ik ook; dat doet iedereen, en geen mens die er wat van merkt. Geef hier; ik zal je 'n begrafenis voorspelen.’

‘Prachtig...’ zuchtte Hajo, toen het uit was.

Dat deed Harmens kunstenaarshart goed. ‘Nou, je gaat je gooi maar,’ zei hij gul. ‘Maar laten de anderen 't niet horen zolang je 't niet kent, want ze zouden m'n viool op je kop in stukken slaan, en dan heb ik nog geen nieuwe.’

Hajo koos voor zijn studies een verlaten plekje. Padde was zijn bewonderend toehoorder, en samen zaten ze de hele avond bij een afftuit, Padde slaperig voor zich uit turend.

‘Merakel...!’ zei Padde, wanneer Hajo een onzekere melodie met een gevoelvolle triller had besloten. ‘Zeg... Hajo?’

‘Mm?’

‘M'n moeder moest ons hier eens zien zitten.’

‘Ja!’ zuchtte Hajo, terwijl hij de viool liet zinken.

Ook Rolf besteedde zijn avonden nuttig. Hij was met Vader Langjas bevriend geraakt en kreeg van hem vergunning om te bladeren in een paar dikke boeken, die de barbier in z'n kooi had staan. Het was rustig in Vader Langjas' hut; Rolf las met opeengeklemde lippen en gefronst voorhoofd. Binnen vierentwintig uur stond hij dan ook bekend als ‘de boekenwurm’. Maar intussen... ook hierdoor won Rolf aan achting.

Gerrit had een goed leventje. De maats stopten hem van alles toe, zelfs tabak, en bemoeiden zich veel meer met hem dan hij verdiende. Want Gerrit beloonde allen met hooghartige onverschilligheid en liet zich alleen door Hajo strelen.

Gerrit was niet het enige levende beest aan boord. Lijsken Cocs, een bleke,

[p. 69]

tengere koksjongen met ogen waarin tien pond onschuld lag uitgewogen, had een guinees biggetje, een wit diertje met bruine vlekken. Het kon ‘een reis om de wereld’ maken, die hierin bestond dat het bij z'n meester in de hals kroop en er bij de broekspijp weer uit tuimelde. Om het die reis wat te vergemakkelijken, trok Lijsken zijn toch al niet erg omvangrijke buik zo ver mogelijk in. Het diertje heette Job en had zich de gewoonte eigen gemaakt om, vóór het z'n bakje eten kreeg, te ‘bidden’, de voorpootjes tegen elkaar gedrukt, de ronde oogjes gesloten, mummelend met zijn konijnensnuitje.

Job en Gerrit moesten met elkaar kennismaken, dat sprak vanzelf, en het geschiedde in de kombuis. ‘Ka!’ schreeuwde Gerrit toen hij Job ontwaarde.

Het marmotje zei niets, ging op z'n achterpootjes zitten, snuffelde en gluurde en dribbelde haastig rond - zonder eigenlijk veel uit te voeren.

Gerrit hield z'n kop schuin, loerde met zijn schrandere ogen, wette zijn snavel op de planken vloer, plukte zich fors in de veren en schreeuwde, overtuigd van eigen voortreffelijkheid: ‘Ka!’

‘Kan ie anders niks?’ vroeg Lijsken. ‘Joppie, kom er eens bij de baas?’

Job kwam ijlings aangedribbeld, klauterde langs Lijskens toegestoken arm omhoog, verdween pardoes in zijn kraag. Lijsken zei: ‘Killekillekie!’, trok zijn buik in, en Job tuimelde op de grond.

Gerrit wipte haastig opzij, uitte zijn verwondering in een vragend: ‘Ka?!’

Ook Job scheen wat beduusd en scharrelde in een nauw kringetje om Gerrit heen. Die draaide zichzelf bijna de hals om - verloor de zonderlinge toerist geen seconde uit het oog. ‘Wij krijgen storm!’ voorspelde Lijsken. ‘Als Joppie krek als een tol in 't rond draait, gaat 't stormen. Als ie op z'n rug gaat liggen, komt d'r windstilte.’

‘Nou, ik hoop maar dat er storm komt!’ zei Hajo.

Lijsken keek hem met grote ogen aan. ‘Jij hebt zeker nog nooit een storm meegemaakt!’

‘Jij wel?’

‘Nou! Ik ben met m'n vader bij de walvisvaart geweest!’

‘En waar is je vader nou?’

‘Dood. Aan de scheurbuik.’ Lijskens gezicht nam een ouwemannetjesuitdrukking aan. ‘Ze zijn thuis nog met z'n vijven. En m'n moeder is niet sterk! 'k Heb 'n broer, maar die is nog te klein. En alles is zo duur tegenwoordig!’ Lijsken begon voor zich heen te fluiten. ‘Wat zul je d'r aan doen? Hier, hij’ - dat was Job - ‘hij heeft m'n vader nog gekend. Nietwaar, Joppie?’

‘Mijn vader is verdronken,’ zei Hajo.

Lijsken schudde peinzend het hoofd. ‘Met z'n hoevelen zijn jullie?’

‘M'n moeder, m'n zusjes Antje en Maartje en dan m'n broertje Doris.’

‘Hoe oud?’

‘Antje is twaalf, Maartje...’

‘Je broer, bedoel ik.’

‘Doris is vijf.’

Lijsken floot veelbetekenend. ‘Te jong, hè?’

‘Te jong??’

[p. 70]

‘Om te verdienen. 't Is beroerd, hoor, voor je moeder.’

Toen veranderde plotseling de uitdrukking op zijn gezicht. ‘Weet je wat óók beroerd is? Als je 'n puist op je zitvlak hebt, en je moet paard rije!’ En grinnikend pakte Lijsken zijn viervoetig lotgenootje op. ‘Kom jij maar bij de baas, Joppie.’

 

Op oudejaarsmorgen zeilde de Nieuw-Hoorn Pleimuiden voorbij. Padde zag het, met weemoedige gedachten vervuld, weer achter de gezichtseinder wegzinken. Hij was zo in zijn overpeinzingen verdiept, dat hij er niets van merkte dat een paar janmaats naderden, op hem wezen en tot elkaar zeiden: ‘Zullen we hém nemen? Lijsken is te mager.’

En pats! daar hadden ze Padde bij z'n kraag.

‘Laat me los!’ schreeuwde de arme jongen. ‘Ik ben botteliersmaat!’

‘Daar zullen we je niet om vermoorden,’ zeiden de maats. ‘Kom maar eens netjes mee.’

Padde werd naar het vooronder gesleept, waar de omes hem in een met papieren bloemen beplakte japon hesen en hem een pruik opzetten van geel vlas.

‘Wat moet dat!’ jammerde Padde.

‘Je bent het nieuwejaar,’ zeiden de omes. ‘En de bootsman zal het ouwe jaar zijn. Wees maar blij toe: we krijgen spekpannekoeken en warme bollen.’

Warme bollen... Padde begon er iets van te begrijpen.

‘Loop eens 'n paar passen,’ bevalen de omes. ‘En kleine stappen, want je bent een meisje. We zullen je vanavond wel zeggen als je voor de dag moet komen. En dan maar knikken en lachen - drommels, we moeten je nog met meel insmeren. En dan strooi je maar blommetjes rond; in die mand bennen d'r zat; die moet je over je arm nemen. Zie zo, en dan zeg je maar... moet ie wat zeggen? - Wacht daar loopt Harmen juist... - Harmen! Een versie voor 't nieuwejaar!’

‘Wacht maar even,’ zei Harmen. En na enig nadenken begon hij, terwijl de omes vol bewondering het hoofd schudden:

 
Het nieuwe jaar is daar
 
En wenst u altegaar
 
Een voorspoedig jaar!
 
Het schip van Willem IJsbrantsz. Bontekoe
 
Gaat... gaat...’

‘Gaat naar Oostinje toe!’ viel een der maats in. ‘Dat rijmt! Gaat naar Oostinje toe!’

‘'t Rijmt wel,’ zei Harmen, ‘maar 't is geen nieuwtje! We weten allemaal wel dat de Nieuw-Hoorn naar Oostinje gaat. Je moet in een versje wat zeggen wat iedereen weet en waar ze tóch verbaasd van staan te kijken. Wacht, ik heb al wat!’ En Harmen dichtte:

[p. 71]
 
‘Het schip van Willem Bontekoe
 
Gaat zonder wat naar Oostinje toe!
 
Met rijkdom, peper en geluk belaan
 
Komen we weer in Texel aan!’

‘'t Is mooi!’ verklaarden de omes. ‘Vooruit, zeg het na, aap van 'n jongen!’

‘Ik... ik ken er geen woord meer van,’ bekende Padde.

‘Luister dan, rekel! Zeg 't hem nog eens voor, Harmen?’

‘Als ik 't zelf nog maar zo op 'n prik ken...’ weifelde de nieuwjaarsdichter.

‘Nou, dan maak je maar weer 'n ander vers,’ zeiden de omes. ‘Laat de boekenwurm het opschrijven, dan staat 't op papier. Wee je gebeente als je 't vanavond niet kent! En lachen, begrepen?’ Dat was tegen Padde.

‘Jawel.’

‘Jawel: wàt?!’

‘Jawel, meneer...’

De omes begonnen te grinniken.

‘Je bent zo groen als gras,’ stelde Harmen vast. ‘Kom, trek die soepjurk maar uit, dan gaan we de boekenwurm opzoeken.’

En grimmig liet de arme Padde zich meevoeren.

 

Het hele schip was in rep en roer. Lampions en slingers prijkten in de kajuit en het vooronder; een vleespot werd met zorg van binnen en van buiten verguld: hij moest als koets dienen, wanneer het nieuwejaar straks door vier janmaats zou worden aangesleept.

Er was verschil van mening over de vraag of er vijf dan wel tien warme bollen per man zouden worden verstrekt; de kok zweeg erover als het graf, en de koksmaats likten zich het pannekoekbeslag van de vingers.

Padde zwoer bij hoog en bij laag dat hij een grote taart had gezien, zwart van de krenten! En Harmen fluisterde dat er na het eten krieken op brandewijn en trommelkoek zouden worden rondgediend. Alsjeblieft, dat was maar eventjes alles! De bootsman vergat die dag, het om de oren der scheepsjongens te laten donderen en bliksemen, zó nam de drukte hem in beslag. Kwaje tongen beweerden dat hij wat van streek was, omdat hij 's avonds een toespraak moest houden, en Hajo was stomverbaasd, de gevreesde bootsman ‘verekskuus!’ te horen mompelen, toen hij hem in de haast pal tegen de buik rende.

Het eten overtrof alle verwachtingen. Eerst bonen met spek en een kan schuimend bier, toen rijstebrij met een schep basterdsuiker erover, en ten slotte werd onder groot gejuich de taart van Padde binnengedragen, met brandewijn begoten en door de bootsman aangestoken; de vlammen sloegen haast tegen de zoldering. Hajo en Padde hadden zoiets nog nooit gezien; Padde stond doodsangsten uit dat de taart helemaal zou opbranden, en een paar omes morden dat 't zonde en jammer was, de brandewijn op die manier de wereld uit te helpen. Maar de taart smaakte best en toen de schipper met koopman Rol eens even in het vooronder kwam kijken, nam het hoera-gebrul geen einde.

[p. 72]

De avond bracht nieuwe verrassingen. Harmen van Kniphuyzen, zwart als een Moriaan, kwam binnen, gevolgd door zwartjes met grote zakken waaruit ze oliebollen rondstrooiden. Er waren erbij met zout gevuld; dat gaf aanleiding tot spuwen en mopperen. En de Morianen ruimden niet zonder blauwe plekken het veld.

Toen werd voor de deur van het vooronder een kanon opgesteld, geladen en... met een plof ging het schot af. Allen waren achter banken en kooien weggekropen, maar haastten zich nu om naar de suikerbonen te grabbelen waarmee de kanonsloop tot de monding gevuld was geweest.

Padde kreeg die avond geen slaap. Telkens wanneer in de fok de glazen werden afgeteld, kromp hij even ineen, en toen het elf uur was, begaf hij zich naar de plaats waar hij zich verkleden moest.

Berentsz. stond in oudejaarskledij en studeerde met Harmen zijn toespraak in.

‘Eindelijk!’ schold de bootsman, wie het zweet van de slapen gutste. ‘Haal als de drommel de kerels die m'n sleep moeten dragen! - Dus: de hollandse vlag zal... zal wapperen van de...’

‘De transen van het nieuw verworven rijk,’ zei Harmen voor.

‘Wat zijn dat, transen?’

‘Weet ik ook niet,’ bekende Harmen. ‘Maar in elk behoorlijk vers komt het voor.’

‘Zul je me helpen, Harmen, als ik niet verder kan? smeekte Donder en Bliksem, deemoedig als een getemde leeuw.

‘'k Sta ommers geen twee pas van je af, bootsman!’

Ja-ja, 't gaf me een opwinding, die oudejaarsavond!

Om kwart voor twaalven werden de maats op het dek gecommandeerd en aan weerszijden opgesteld, zodat er een vrije gang in het midden bleef. Die gang voerde naar een tegen het achterhuis gebouwde verhevenheid, waarop vier versierde stoelen stonden. Het was lekker koud; de maats sloegen de kraag van hun ‘duffelse’ op, staken de polsen in de zakken weg en bliezen en trappelden om warm te blijven.

Er hingen nu brandende lampions in de raas, en het bontgekleurde licht danste over de gebruinde koppen en verlichtte de zeilen van onder-op, die rood, blauw en oranje getint tegen de donkere hemel afstaken. 't Was deksels mooi.

Daar kwamen de schipper, de koopman en de stuurman Jan Piet van Hoorn de kajuit uit.

‘Stilte!’ gebood Vader Langjas.

Ineens hoorde je niets dan het klotsen der golven en het zuchten van de wind. Rechtop stonden de kerels; tweehonderd gespierde knuisten rukten een muts omlaag.

Dat beviel Bontekoe. Terwijl de beide andere heren met strakke ernst plaats namen, verscheen op het gezicht van de schipper een brede, jongensachtige glimlach; hij knikte even, alsof hij zeggen wilde: ‘Goed zo!’

Zie je, dat ging de omes recht in 't hart. Dat was het waarom ze hun schipper zo deksels graag mochten lijden! Bij die goedkeurende glimlach strekten

[p. 73]

de halzen zich nog meer en de mondhoeken vertrokken zich nog forser. Schipper Bontekoe? Een puik schipper!

Er werd onder de maats gemompeld, gelachen en ‘sssst! Daar komt-ie!’ geroepen. En zie: daar verscheen achter de kombuis een eerbiedwaardige grijsaard. Een lange witte mantel met gouden sterren hing van zijn schouders en werd door vier sleepdragers opgehouden. De grijsaard schreed met z'n gevolg tussen de vrolijke maats door, maakte een diepe buiging voor de heren, die van hun zetels opstonden en terugbogen, leunde moeizaam op zijn staf en begon met enigszins onvaste stem: ‘Schipper...hm!’

‘Sssst! Stilte!’

‘Schipper, ik ben... hm! het oude jaar, en ik ben... ik ben hier gekomen om... hm! om afscheid van je te nemen, van jou en van de koopman en van de opperstuur en van al de brave jonggezellen en huisvaders, die... hm! die het vaderland, d'rlui vrouwen en d'rlui kinderen hebben vaarwel gezegd om... hm! om de vlag van de Oostindische Compagnie te laten... te laten wapperen van de ...van de...

‘Van de transen...’ vulde de voorste sleepdrager zachtjes aan.

‘Van de transen van...! Waarmee ik maar zeggen wil dat... dat ik mag lijje schipper, dat jij en wij allemaal een puike reis zullen hebben; dat de Nieuw-Hoorn met... met rijke buit belaje weer in het vaderland mag terugkeren, schipper, bij vrouw en kinders. En dat het nieuwe jaar jou, schipper, en ons allemaal en ook de koopman en ook de opperstuur, die... die aan je zijde zitten, voorspoed mag brengen, en dat, om 't nou maar eens voor de vuist weg te zeggen, schipper, dat we in 't nieuwe jaar geen ouwe koeien meer uit de sloot moeten halen en niet mieren over wat er dit jaar verkeerd is gebeurd; dat we wat voor mekaar over moeten hebben; dat we alle herrie vergeten en vergeven moeten: dat we kerels van stavast moeten zijn, van één zin en van één hart! Zie je, schipper, dát wens ik!’

‘Zo hoor ik je graag spreken, vadertje,’ zei Bontekoe. Hij kwam op de grijsaard toe en drukte hem de hand. ‘Mag ik je uit naam van de hele bemanning bedanken?’

‘Dat mag je, schipper!’ zei het ouwejaar. ‘Waarachtig, dat mag je!’ En hij begon te snuiven.

De schipper leidde hem op de verhevenheid en bood hem de plaats aan zijn rechterzijde aan. De vier sleepdragers verdwenen met de looppas.

‘Vooruit, de kuip in!’ beval Harmen Padde, die achter in de kombuis in vol ornaat te wachten stond. ‘Wat?! Sta je te grienen?!’

‘Harmen!’ snikte Padde. ‘Ik heb alles gehoord wat... wat de bootsman zei!’

En hij begon met zijn bebloemde mouw z'n gezicht te bewerken.

‘Je ziet er uit als een beest!’ riep Harmen ontzet uit. ‘Lieve help, ben je zó'n spons? Hier met je gezicht!’ En Harmen smeerde er een vingerdik meel op.

‘Als we stilhouden, stap je uit en zegt m'n vers op! Vergeet het strooien niet en denk erom: lachen!’

En Padde werd vrij onzacht in de kuip geduwd.

[p. 74]

‘Kunnen we trekken?’ vroegen de anderen.

‘Wachten tot ze gaan schieten!’ beval Harmen.

Padde werd bleek om z'n neus. ‘Gaan ze schieten?!’

‘Alle kanonnen! Zodra 't twaalf uur slaat. Ter ere van 't nieuwe jaar.’

‘Ter ere van mij?!!’

Daar sloeg het al in de fok. Een-twee-drie-vier-vijf-zes... Padde stopte de oren dicht.

Boem! Het schip trilde. Boem! Boem! Boem!

‘Méé!’ schreeuwde Harmen.

En tegen Padde: ‘Vooruit! Strooien en lachen!’

En met z'n vieren sleepten ze de vergulde vleeskuip met Padde erin tussen de maats door, die het nieuwe jaar met hoera-gebrul begroetten.

En Padde strooide. Het lachen lukte maar half. Voor de troon waarop de schipper, het ouwejaar en ‘de heren’ zaten, hield zijn zegewagen stil. Padde krabbelde uit de diepe kuip.

‘Sssst!’ werd er geroepen. ‘Hij moet een versie zeggen!’

Padde keek schuchter om; Harmen gaf hem een duwtje. ‘Schipper...!’ begon Padde, en zijn mond begon te trillen, ‘schipper...!’

‘Ik ben het nieuwe jaar!’ fluisterde Harmen grimmig.

‘Ik ben... ik heb... ik heb daareven alles gehoord wat de bootsman zei, schipper, en...!’

Toen redde Harmen de hopeloze toestand. Hij sprong naast Padde, greep zijn hand en begon:

 
‘Wij zijn het nieuwe jaar!
 
We brengen niets als voorspoed maar!
 
We zullen je naar Oostinje leiden,
 
De Compagnie met winst verblijden!
 
De mannen, nimmer lui of moe,
 
Roepen...’

Hij wendde zich tot de maats, zwaaide met de blote onderarm, die nog pikzwart was van zijn moriaanschap, en uit aller mond daverde het: ‘Leve schipper Bontekoe!’

Het oorlam werd binnengebracht. Voor de heren en voor het ouwejaar was er wijn. De jongens mochten zeewater drinken, zoveel ze maar wilden.

‘Mannen!’ zei Bontekoe. ‘ik ledig dit glas op jullie aller welzijn! Ik weet dat jullie door hetzelfde voornemen bezield bent als ik: de Nieuw-Hoorn behouden naar Oostinje en weer naar huis te brengen!’

‘Ja! Leve de schipper! Leve Bontekoe! Leve de Nieuw-Hoorn!’

‘Zingen!’ riep het ouwejaar.

‘Ja! Zingen! zegt de bootsman!’

En zwaar en diep, alsof het opsteeg van de bodem der zee, klonk het mooie oude Wilhelmus.

‘Den Vaderlandt gethrouwe, blijf ick tot in den doet...’

[p. 75]

En toen verdween Bontekoe met het ouwejaar onder luid gejuich in de kajuit, en de omes holden naar het warme vooronder.

Daar duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z'n fiedel op de proppen; de omes zongen en zwetsten en sloegen met de vuist op tafel.

‘'t Zal een voorspoedige reis worden!’ verzekerden ze elkaar.

Het zal een voorspoedige reis worden...

Zo dachten ze allemaal.



illustratie

terug  begin  verder