
De eerste januari 1619 passeerde de Nieuw-Hoorn de zuidoosthoek van Engeland; de wind was oost; de koers werd zuidwest ten zuiden gesteld.
‘'t Lijkt wel of de wind draait,’ zei Hajo tot Rolf, terwijl ze samen op het eindje van een ra zaten.
‘Hij loopt naar 't zuiden,’ stelde Rolf vast. ‘Geef dat strengetje eens?’
‘Daar. Help je mij even trekken? - Zeg, 't is ook net of de wind sterker wordt.’
‘Dat lijkt zo, omdat we hoog zitten,’ meende Rolf.
Maar Hajo vergiste zich niet. De wind nam toe en flink ook. Eerst wist hij zelf niet goed wat hij wilde, blies dán voor, dán achter, je kon er geen zeil naar stellen. Maar tegen de middag nam hij een besluit: hij nestelde zich in het zuiden en bleef daar zitten. De Nieuw-Hoorn ging galopperen als een paard, dompelde snuivend de kop in de golven. Padde werd akelig bleek.
‘Ben je niet lekker?’ vroeg Harmen hem meewarig. ‘Ja, de eerste keer ruw weer...! Vraag de bootsman maar 'ns waar het zeeziekvrije plekkie is.’
‘Het zeeziekvrije plekje??’
‘Weet je dat niet? Elk schip heeft 'n zeeziekvrij plekkie! Als de bootsman niet weet waar 't is, loop dan even bij de schipper binnen. Die moet 't weten, hè?’
Padde was er niet helemaal zeker van of ze hem niet opnieuw voor het lapje hielden. Voor hij de bootsman lastig viel, klampte hij eerst op goed geluk de Neus aan.
‘'t Zeeziekvrije plekkie?’ zei de Neus. ‘Dan heb je niks anders te doen als hier en daar 'ns op je rug te gaan liggen. En dan kijk je naar je voeten. Gaan die op en neer, dan ben je verkeerd. Liggen ze stil, dan heb je 't goeie plekkie te pakken.’
Padde was dankbaar voor de nieuw verworven raad, en toen hij zonder gevaar van uitgelachen te worden een proefneming dacht te kunnen doen, strekte hij zich neer.
‘Wat is dat? Ben je dood?’ riep een stem.
Padde krabbelde zo snel zijn loodzware benen het veroorloofden overeind, en keek in de vriendelijke ogen van Floorke, een ome met zonnesproeten en wortelrood haar.
‘Ik zoek wat,’ zei Padde onhandig.
‘En ga je dan op je rug liggen??’
‘Och,’ was Paddes alleronverschilligst antwoord, ‘ik zoek zo voor de aar-digh-h-eid eens naar het zeeziekvrije plekje.’
Er tintelde iets in Floorkes ogen. ‘Als je 't ooit nodig hebt, loop dan maar even bij me an; dan zal ik je vertellen waar het zeeziekvrije plekkie is.’
‘Zeg op!’
‘Waarom? Je bent nou toch niet zeeziek?’
Padde lachte hartelijk. ‘St-t-tel je voor! Maar ik wil 't toch wel w-w-weten.’
‘Nou, als je d'r op stáát! Klim dan maar 'ns in de grote mast. De bovenste ra moet je in.’
‘Dat lieg je toch?’
‘Liegen??? Ga zelf nou 'ns na: waar komt de beweging vandaan? Van 't water en de golven, nietwaar? Nou, waar heb je er dan de minste last van? Zo ver mogelijk van 't water af. En waar is dat? In 't topje van de grote mast!’
Daar viel niet veel tegen in te brengen. Padde ging naar de grote mast en zette één voet in het want. Maar toen hij voelde hoe het schudde en trilde, en toen hij zag hoe het wimpeltje daar heel in de hoogte heen en weer zwiepte, verklaarde hij dat Floorke de gemeenste leugenaar was die hij ooit had ontmoet.
Verdrietig gestemd, dat hij de wereld zo vol leugen en bedrog vond, liep hij Hajo tegen het lijf.
’'t Zal wel op storm uitdraaien!’ verklaarde die gewichtig.
‘Zeg, Hajo...’ Padde sloot even de ogen. ‘als ik 'ns wat uit het flesje...... uit 't flesje van Grietje dronk! Schaadt 't niet, 't baat ook niet.’
‘Heb je daar trek in?’ vroeg Hajo weifelend.
‘T-trek! 't Is g-geen snoepgoed!’
‘Vooruit dan maar, 't zit onder in m'n kist.’
‘Mispoes!’ zei Padde.
En met een zwakke poging om zegevierend te kijken, haalde hij het flesje uit zijn zak. ‘Ik dacht: je kunt nooit weten! Brrr... wat gaat dat schip...!’ En Padde hield zich vast aan een onderzeil; zijn knieën knikten. ‘Maak je 't even open, Hajo?’
Ook Hajo voelde iets van onpasselijkheid in zich opkomen toen hij de olie-
achtige inhoud van het flesje zag. Met afgewend gezicht ontkurkte hij het.
Padde scheen inderdaad weinig ‘trek’ te hebben. Hij moest al zijn moed bijeentrommelen en neus en ogen dichtknijpen vóór hij een klokje in zijn mond goot.
‘Voel je je nou beter?’ vroeg Hajo.
‘Veel b-b-beter,’ verzekerde Padde.
‘Neem nog wat,’ raadde Hajo aan.
Padde begon te kokhalzen.
Toen nam Hajo een kordaat besluit: hij slingerde het flesje overboord.
‘D-doodzonde,’ vond Padde.
De vierde januari liep de wind naar het zuidwesten om en werd zo krachtig, dat de marszeilen moesten worden ingenomen. In de nacht bleek het noodzakelijk, ook de fok in te nemen. Het schip liep westwaarts over, met één zeil.
Padde viel op het dek niet meer te bespeuren: de Schele had hem bij zich genomen en vertroetelde hem als een zuigeling. Hajo was ook niet vrij meer van zeeziekte. Rolf scheen er weinig last van te hebben. Hij steunde Hajo vaak wanneer ze samen het want werden ingestuurd, en liep daardoor zelf honderd maal gevaar uit het hevig slingerende touwwerk te vallen.
Tegen de avond van de volgende dag barstte de storm los. Job had wel goed gezien!
De golven ramden met donderend geweld de krakende scheepswanden; wolken kokend schuim stoven tot over de hoogste raas. Het woelde en bruiste in de donkere watermassa; duivelse machten spookten op de bodem van de zee en schopten de Nieuw-Hoorn heen en weer.
Met wijd open ogen lagen de jongens die nacht in hun kooi en luisterden... luisterden...!
De lantaren in de slaapplaats van het volk slingerde angstwekkend heen en weer en wierp grillige, levende schaduwen door het vertrek. Enkele mannen maar konden in slaap komen; de meesten lagen wakker.
De Nieuw-Hoorn werd hoog in de lucht geheven, sidderde in al haar voegen en tuimelde de diepte weer in.
‘Bé-ja! Ga daar maar liggen!’ trachtte een maat boven het oorverdovend gekrak uit te schreeuwen.
Hajo sloot de ogen, drukte de armen stijf tegen de wanden van zijn nauwe kooi. Wat zwaaide die lamp! Door zijn dichte oogleden heen zag hij het licht als razend heen en weer vliegen. Als de Nieuw-Hoorn eens verging! Als de golven... hoor ze mokeren! als de golven het schip eens uiteenrukten... hoor! hoor toch eens aan...! Als ze eens met z'n tweehonderd, met Gerrit en de schipper en de kist van baas Wouters werden opgenomen in de kille, zilte armen van de zee en rondtolden in de zwarte diepten...! Het water drong hem in de neus en mond en... Moeder! Moedertje! Hajo veegde zich het zweet van de slapen.
Rolf sprong overeind. ‘Ik ga eens buiten kijken!’ Hij werd van de ene kooi naar de andere gesmeten, moest zich vastklemmen om niet te vallen.
‘Zeg de zee gedag van me!’ riep Harmen hem na. Ergens schoot er een in een lach.
Rolf kwam weer terug, tot op het hemd doorweekt. Doodmoe plofte hij op zijn kooi neer.
‘Wat is 't voor weertje?’ vroeg Harmen, schreeuwend om zijn geestigheid te doen verstaan.
Een dreinende, schorre stem begon te brullen:
Ineens...! met een kreet sprongen de mannen overeind... een donderslag...! de deur van het vooronder werd versplinterd; door het weggeslagen paneel stroomde het water en spoot knallend tegen de voorwand van het volkslogies. Vlak erop, vóór je wist wat er aan de hand was, werd de deur geheel opengerukt; de bootsman stormde met een slingerende lantaren naar binnen, tot aan zijn knieën wadend in het water. ‘Alle hens aan dek!’
‘Hulp! Hulp!’ klonk een vage roep van buiten.
Toen kon je merken dat de mannen van de Nieuw-Hoorn er wezen mochten: ze sprongen overeind, stonden meteen schrap op hun benen. Ze trokken met een ruk hun broek op, haalden de riem aan, een-twee! en renden achter de zwaaiende lantaren van de bootsman aan naar buiten.

Daar was het een wirwar van lichamen in de zwarte nacht. Proesten en snuiven, een wild klappend zeil, zwiepende stengen, gekraak, geknars, schreeuwende stemmen door het loeien van de storm heen: ‘We zinken! De boegpoorten staan open!!!’
Van het achterdek naderen zwarte gestalten met een licht, dat plotseling uitdooft. Een paar worden er over het dek geveegd en tegen de verschansing gekwakt.
Ineens: schipper Bontekoe.
‘Schipper!! Het ruim loopt vol! De boegpoorten zijn ingeslagen!!’
‘Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht! Berentsz!’
‘Schipper!’
‘Met twintig hens naar het ruim!’
Weg was Berentsz., een paar dozijn mannen op de hielen.
‘Schipper! Het vooronder staat vol water!’
‘Haal de putsen dan op!’
Van alle kanten werden de emmers aangesleept. Maar vóór de mannen aan het baliën sloegen, vermorzelden ze met koevoeten de scheepskisten, die in het vooronder heen en weer dansten en hun de schenen stuksloegen. Toen werd een dubbel rij gevormd; de putsen gingen van hand tot hand. Een enkele keer sloegen de maats door het stampen en zwaaien met puts en al tegen de vloer; als katten krabbelden ze weer overeind en een half uur later was het vooronder droog. Toen kwamen de mannen die in het ruim waren gestuurd ook weer boven: de boegpoorten waren verzekerd; ze hadden er dubbele deuren voor gespijkerd.
Alle zeilen waren ingenomen, maar nu tolde het schip als dol in het rond. Twintig omes zetten, de tanden opeengeklemd, weer één zeil bij.
De storm joeg een ijskoude regen voor zich uit, die kletterend tegen het dek sloeg, de grens tussen zee en lucht uitwiste.
Het schip koerste westwaarts.
In het oosten schemerde een trieste morgen door het regengordijn.
Flauw van afmatting vielen de mannen weer op hun vochtige kooien neer.
De storm woedde. Dag na dag. Met roodgezwollen neus en ogen liepen de maats rond. Al hun kleren waren doorweekt; de regen wisselde af met scherpe hagel, die vinnig de huid striemde.
Drie dagen na de nachtelijke paniek streken grote vluchten meeuwen over het schip, worstelend tegen de storm. Bij troepen kwakten ze tegen het want, tuimelden met lamgeslagen vleugels op het dek. Men vermoedde de nabijheid van land, maar kon door golven, regen en wolkenschuim geen twintig ellen voor zich uit zien.
Het zeil werd omgegooid; men helde oostwaarts over. De storm bleef in dezelfde hoek zitten, rukte woedend aan masten en zeilen. En als een bende hongerige wolven vielen de golven over het schip heen. Ze hijgden en sidderden van vernielzucht; de vlokken schuim vlogen hun van het natte lichaam; ze rolden over elkaar heen en betwistten elkaar de buit...
Vier dagen later, in de namiddag van de twaalfde januari, behaalde de storm een overwinning. Het was een seconde lang stil geweest; toen volgde een windstoot die als een kanonschot tegen de boeg knalde; het volk in het vooronder sprong overeind en...! Een doordringend gekraak.
De maats snelden naar buiten.
‘De grote mast ligt om!!!’
De breuk bevond zich op vijf vadem boven het dek. De schipper stond erbij, een schaar janmaats om hem heen, gereed elk bevel op te volgen.
‘Laat de steng zakken!’ riep Bontekoe.
Als eekhoorns vlogen de kerels het nu slaphangende want in, klemden zich vast met voeten en tanden, de ogen dichtgeknepen tegen de regen. Met hun verstijfde vingers werkten ze de steng los, lieten hem door het marsgat zakken. ‘Hou vast, mannen!’
De zware steng gleed omlaag. Zou de mast nog blijven staan?
Ademloos keken de mannen beneden naar het werk dat hun makkers daarboven verrichtten in de zwiepende, draaiende, krakende mast. Een diepe zucht: de steng zakte. ‘Houdt! Houdt de steng!!’
Men liet het ondereind door het dek schieten; met touwen werd de steng tegen de mastbreuk gewoeld. Voorlopig was het gevaar geweken.
Pah!' zei de storm en rukte nijdig. Maar de mast hield stand.

Hajo was door zijn zeeziekte heen. Zijn angst was ook verdwenen: het ging nu al zo lang goed... Als een echte pikbroek liep hij op het slingerende schip rond; zijn benen gingen al aardig rond staan; hij voelde zich trots en manlijk, omgeven door het gevaar; hij spuwde het zout uit zijn rauwe keel.
Rolf liet zich door het weer niet meer beletten zijn studies voort te zetten.
Op een goeie dag gaf de storm het op. Een paar stuiptrekkingen, een diepe, diepe zucht, en onmachtig viel hij neer. Het water kalmeerde niet zo gauw.
Maar allengs verloren de golven toch hun vernielende kracht, en de twintigste januari was het mooi stil weer. Het werd ook minder koud: je voelde het zuiden al.
Een heerlijke rust daalde op de Nieuw-Hoorn neer. Zingend hingen de omes hun natte plunje te drogen. De handen in de zakken keken ze eens naar de blauwe lucht en stelden vast dat het er wel naar uitzag of het weertje nog 'n daggie zo blijven zou. Ze rookten, lachten en spuwden weer; hun levenskracht was niet geschokt.
In een stevig dichtgesjord houten kistje werd een lijkje aan de schoot der golven toevertrouwd. Met ongeoefende hand stond erop geschilderd:
Joppie
†
19 fan Loumaant 1619
Hij het sin eige Doot voorspelt
En is gestorfe as een Helt
Lijsken Cocs stond erbij te grienen.