Er was nu werk genoeg aan de winkel! Het hele schip lag overhoop; overal zwierven stukken touw en lappen gescheurd zeil; het zout had zich ingevreten in koper- en ijzerwerk.
De maats werkten als leeuwen om alles weer op orde te brengen. Ze poetsten, olieden en schrobden dat het een aard had, en trachtten hun stukgeslagen kisten weer fatsoen te geven. Het was een gehamer en geklop van belang. Maar alles ging vol goede moed, en de omes zongen er een liedje bij.
Nu pas leerden de jongens wat werken was! De viool en de boeken schoten er bij in. Zelfs Padde toog aan het spoelen en wassen...
Men maakte van het gunstige weer gebruik om de grote mast nog meer te versterken. De schipper zelf leidde het werk. ‘De mast heeft 't koud!’ zeiden de maats. ‘Hij heeft er zijn duffelse bij aangetrokken!’ En ze wezen op de driedubbele touwlaag die om de mastbreuk was gewoeld. Het want werd getalied, tot het weer zat ‘als een muur’. De schipper liet het grote marszeil uit de mast halen en het in de plaats van het grootzeil stellen. Waar vroeger de grote steng gezeten had, zette men nu de bramsteng op en voerde er het bramzeil aan. Dank zij die maatregelen en een voorspoedige zuidoostenwind, kon de Nieuw-Hoorn weer vrij snel varen. De koers werd gesteld op de Canarische eilanden - zuidwest ten zuiden.
Hajo had met Hilke voor deze morgen een afspraak gemaakt over de levering van een anker op zijn bovenarm.
‘Zo,’ zei Hilke, toen ze het zich in het vooronder gemakkelijk hadden gemaakt, ‘stroop nou maar 'ns netjes je mouw op. Dan zullen we in één, twee tellen een fijn ankertje in je arm prikken! 't Is zonde en jammer dat je 't op je bovenarm wil hebben. Afijn, daar ben je een friese dwarskop voor.’ En terwijl hij aan het prikken sloeg, vroeg hij; ‘Weet je wel wat het betekent?’
‘Een anker? Nou, je legt er een schip mee vast.’
‘Dat bedoel ik niet. Ik zal het je maar zeggen: een anker betekent: hoop.’
‘Hoop?? Hoop op wat?’
‘Nou op wat maar. Dat je goed in Oostinje mag komen, en dat 't schip niet vergaat.’
‘En komt het uit?’
‘Wat bedoel je?’
‘En als je nou zo'n anker op je... au! - nee, 't was niks, hoor! - op je arm laat prikken, en je denkt erbij: ik hoop dit, of ik hoop dat... komt 't dan uit?’
‘De een zegt van wel en de ander zegt van niet. Maar kwaad kan 't nooit. En 't staat goed, hè? De meisjes zijn er gek op. Vind je het zelf ook niet mooi, zo'n anker?’

‘Ja! Zo'n anker is... au!... is prachtig.’
‘Ik zal je nog eens wat veel mooiers laten kijken,’ zei Hilke. Hij trok zijn hemd open en liet een meisjeskop zien, die op zijn borst prijkte. Hilkes borst was stevig behaard, maar het schilderij behoorlijk schoon geschoren. ‘Zie je? Da's met twee kleuren! 't Gezicht rood en de ogen blauw. 't Was moeilijk hoor! En ik moet doorlopend met 't mes er overheen, om 't schoon te houden. Vind je dat het op Sijtje lijkt? De neus is 't sprekend; zeg nou zelf!’
‘Ja, de neus wel!’
‘En dan te denken dat m'n vorige meisje er helemaal niet op leek! En 't moest juist háár portret zijn. Hou je arm goed stil, dan zijn we in een wip klaar.’
Een uur later prijkte het hoopvolle symbool in twee kleuren op Hajo's bovenarm. Het anker was blauw en er kronkelde zich in helder rood een eindje touw omheen.
Glimmend van trots bekeek Hajo het kunstwerk.
‘Ziezo!’ zei Hilke, zelf ook tevreden over zijn werk. ‘Zeg nou eens eerlijk: heeft het pijn gedaan?’
‘'k Heb niets gevoeld hoor! En ik dank je wel!’
‘Leuter niet,’ weerde Hilke af. ‘En tegen de tijd dat je... afijn, als je toch nog eens een paar harten op je arm wil hebben... altijd graag van dienst, hoor!’
Al vroeg in de volgende morgen - de omes lagen nog achterover in hun
kooien hun sokken aan te trekken - stormde Harmen het vooronder binnen.
‘Een zeil in 't zicht!’
Dat sloeg in. De mannen sprongen overeind, renden op blote voeten en in onderbroeken naar het dek. In twee tellen was het vooronder uitgestorven.
Slechts één neus stak nog ergens boven de dekens uit. Het was die van Padde. Met versufte ogen lag de arme jongen in zijn kooi. ‘Een zeil in 't zicht...! Zou hij nu naar huis kunnen gaan?!’ Padde huiverde van opwinding. ‘Naar huis...! Zou zijn moeder naar hem verlangen? Of zou ze blij zijn, dat ze hem... hm! dat ze hem kwijt was?! - Dát geloofde Padde niet! Hij durfde gerust teruggaan. Maar... Hajo verlaten! Hajo aan vraatzuchtige kannibalen overleveren? - Het ging niet.
Zou Indië nog ver zijn? 't Kon haast niet: ze waren nu al zo lang op weg. Als hij eens meeging - tot Oostinje - en dan dadelijk omkeerde? Als hij de hele reis meemaakte, zou hij een aardige duit naar huis brengen! Dan zou zijn moeder vást blij zijn, hem terug te zien. En z'n oom zou zo'n flinke kerel graag in de brouwerij nemen! Hij zou Padde smeken om bij hem te komen: Padde, een jongen als jij, de brouwerij kermt er om!
Hajo kwam binnensnellen. ‘Padde! Kom toch kijken! Een schip!’
‘Ja, dat zul jij wel lollig vinden!’ zei Padde bitter.
‘Ja! Da's leuk!’
‘Dus je wilt me kwijt zijn?’
‘Kwijt? Jou kwijt...?’ Hajo barstte in lachen uit - wat Paddes onderlip nog een duim deed zakken. - ‘Oh, Padde! Het schip ligt achter ons. 't Vaart dezelfde koers!’
Padde loosde tegen wil en dank een zucht. Maar meteen gromde hij: ‘Jammer! Ik had graag teruggewild.’ Hij schoot zijn broek aan, eerst verkeerd, en ging met Hajo mee.
Schipper Bontekoe liet de Nieuw-Hoorn op de lij werpen, zodat de zeilen slap neervielen en het andere schip gelegenheid had, de Oostinjevaarder in te halen.
Het verre zeil werd groter; bleek eveneens een driemaster te zijn. Daar dribbelde een vlag langs de grote mast omhoog. In spanning keken de maats uit tot de wind het bonte doek zou openslaan.
De Compagniesvlag!
Allen brulden het uit. ‘De Compagniesvlag!!!’
Men antwoordde. Vrolijk pratend hingen de maats over de balie. Hoe lang was het geleden dat ze voor het laatst iets anders dan lucht en water hadden gezien?
Een kwartier later kon je de mensen onderscheiden. Een daverend: hoera! steeg uit beide schepen op en er werd met mutsen gezwaaid. Op het vreemde schip liet men de trap neer; een jol werd te water gelaten; enige mannen stapten er in en de jol koerste in de richting van de Nieuw-Hoorn.
Het was een kalme zee, maar toch, drommels, wat ging me dat ding op en neer! Hoepla, weg was ie achter een vette golf, ingeslikt door een walvis. ‘Bah!’ zei de walvis, ‘ik lus je niet.’ Kijk, daar lag ie op 'n handbreed water, krek een
meeuw. Weg gleed ie weer in een wieg van twee golven. Je werd al katterig als je er alleen maar naar keek.
Bontekoe liet de scheepstrap zakken; er werd een loper gelegd van de trap naar de grote kajuit; de schipper en de koopman kwamen naar buiten en wachtten aan de verschansing.
De jol was nu vlakbij. Zes roeiers en op het achterbankje zaten twee heren. De een was groot, bleek en mager, had een dor gezicht en sluik, blond haar; de ander was klein, gezet, verweerd als een oud stuk zeil, en onder zijn schipperssteek sprongen weerbarstige bruine krulletjes te voorschijn.
Nauwelijks had de jol de scheepstrap bereikt, of de vreemde schipper was al vlug als een kat naar boven gewipt. Statig volgde de ander.
‘Welkom!’ zei Bontekoe hartelijk, terwijl hij zijn gebruinde hand uitstak. ‘Welkom op de Nieuw-Hoorn, heren! Mijn naam is Bontekoe en dit is de heer Rol.’
‘Pieter Thijsz. van Amsterdam, schipper op de Nieuw-Zeeland,’ stelde de kleinste zich voor, op een toon alsof hij met zwaar weer door een misthoren toeterde. ‘Ik ben verheugd, met u kennis te maken! Sinds we eind december uit Vlissingen voeren heb ik geen zeil meer gezien! Drommels, wat een hondeweer! Hebt u averij gehad? Wij zijn er met Gods hulp goed doorgezeild!’
Ook de ander, de koopman van de Nieuw-Zeeland, stelde zich voor.
‘Laten we binnengaan, heren,’ opperde Bontekoe. ‘Ik heb nog 'n glas goede wijn.’
‘Dat zal de stemming niet bederven!’ bulderde de kleine lachend.
Bontekoe en de vreemde schipper namen mekaar onder de arm en gingen opgewekt pratend de kajuit binnen. Met afgemeten passen volgden de beide kooplieden, in hoffelijk, bedaard gesprek.
Toen de kajuitdeur dicht was, zetten de omes een boom op met de mannen in de jol.
‘Averij gehad?’
‘Mast gekraakt.’
‘Lieg je toch?’
‘M'n kop zal over de balie in 't water rollen, als ik lieg. Kom maar eens kijken!’
‘Ik durf de jol niet uit. Als de ouwe ineens terugkomt...!’
‘Hebben jullie 'n goeie ouwe?’
‘Gangetje! We noemen 'm de Bruinvis, hè? En als ie in de kajuit fluistert, moet je in 't vooronder je oren nog dichtstoppen als je niet doof wil worden. Maar hij is gul met 'n oorlam.’
‘Ja. En ook met juffer driestreng!’
‘Wat doe jij ook met 'n stuk in je kraag op wacht te komen!’
‘Maak geen deining,’ riepen de omes van boven. ’'t Is nog zo vroeg op de dag!’
‘Waar bemoei jullie je mee?’
‘Wil ik je eens op je kop spuwen?’
‘Kun je niks beters?’
‘Jawel!’ schreeuwde Harmen. ‘Ik zal jullie eens 'n raadsel opgeven! Kunnen jullie goed raaien, of zijn jullie zo stom als je d'r uitziet?’
‘Hou jij je maar stil!’ klonk het van beneden. ‘We kunnen door je neusgaten in je hersens koekeloeren! 't Is daar een lege boel, hoor!’
‘Voldoende om jullie met z'n allen te bedotten!’ zei Harmen. ‘Ik kan de wind laten draaien!’
‘Hoe doe je dat?’
‘Je gaat zo staan dat je de wind in je nek voelt, dan kijk je tussen je benen door en je hebt 'm pal in je gezicht!’
‘Kinderachtig!’ verklaarden de mannen in de jol.
‘Stil!’ zei Harmen. ‘Ik heb nog een raadsel: als d'r zes man in een jol zitten, wie is dan de lolligste?’
‘Weten we niet. Zeg op!’
‘Wel,’ zei Harmen, ‘ik zou het waarachtig ook niet weten! Jullie zien er alle zes even flauw uit.’
‘Kom er 'ns beneje!’
‘Mag niet van m'n moeder!’
De omes boven hielden zich de buik vast.
Op dat ogenblik kwamen de heren de kajuit weer uit. ‘Tot vanmiddag dus!’ bulderde de kleine schipper van de Nieuw-Zeeland. ‘Ik heb nog een oude Tocayer staan. U zult merken dat u bij een fijnproever te gast is!’ Hij keek een ogenblik naar de grote mast. ‘Zo zal hij wel weer tegen een stootje kunnen!’
‘Zodra we voor anker liggen, nemen we hem nog eens wat beter onder handen,’ zei Bontekoe.
‘Waar dacht je te landen? Op de Kaapverdische?’
‘Ja, tegen die tijd zullen we wel vers water moeten innemen.’
‘Goed, dan landen wij er ook.’
De schippers sloegen de handen ineen. En met vlugge pas daalde de Bruinvis de trap af, gevolgd door de lange, dorre koopman. De roeiers in de jol sprongen overeind alsof er spelden in de banken zaten.
Bontekoe merkte het op.
‘Je hebt er de wind onder, vadertje!’ mompelde hij. ‘Al zal 't endje touw er weleens bij te pas komen!’
Toen wendde hij zich tot zijn mannen. ‘Van nu af varen we in compagnie met de Nieuw-Zeeland! Het schip heeft geen averij gehad en zeilt dus gemakkelijker dan wij. - Zei jij wat, Floorke?’
Floorke vertrok zijn mond tot een grijns. ‘We geven ze geen duimbreed voor, schipper!’
Bontekoe glimlachte. ‘Zo denk ik er ook over! - Heb je nog wat op je lever?’ vroeg hij, toen hij zag dat Floorke aan zijn buikriem frommelde.
Floorke knipoogde tegen zijn makkers.
‘Nou?’
‘Ze zeggen dat de Bruinvis gul is met 'n oorlam, schipper.’
Bontekoe verstond de wenk. ‘Vooruit dan maar!’ zei hij, met heimelijke
pret om de bijnaam van zijn collega. ‘Haal dan maar een oorlam. Maar dan ook de handen uit de mouwen! Begrepen?’
Of ze het begrepen! Als hazen renden ze naar de bottelier.
Floorke werd op de schouders genomen.
Glimlachend keek Bontekoe hen na. ‘'t Zijn kinderen,’ zei hij tot de koopman, die naast hem stond, ‘en als kinderen moet je ze behandelen.’
Rol haalde de schouders op. ‘Men kan de teugel ook weleens ál te vrij laten, mijn waarde!’
Bontekoes blik verduisterde. ‘Ik moet vrinden om mij heen hebben,’ zei hij toen kortaf. ‘Met slaven begin ik niets.’
Er kwamen genoeglijke dagen. De wind bleef uit dezelfde hoek waaien; het weer was onveranderlijk mooi; elke dag werd het warmer. Met kunst en vliegwerk slaagde de bemanning van de Nieuw-Hoorn erin, het andere schip bij te blijven.
De drieëntwintigste januari werd er aan stuurboordzijde nóg een zeil gezien! Bij nadering bleek het de Enkhuizen te zijn, die bijna tegelijk met de Nieuw-Hoorn was uitgezeild, met als bestemming de kust van Coromandel. De schipper was een kalm en waardig man: Jan Jansz. van Enkhuizen.
De drie schepen voeren nu gezamenlijk verder. Beurt om beurt brandden ze 's nachts het seinlicht waarnaar de andere twee hun koers konden richten. Er zat iets allergezelligst in: zo met z'n drieën in compagnieschap varen. De reis scheen een pleziertocht te zullen worden. De schippers bezochten elkaar geregeld.
Men passeerde de Canarische eilanden zonder er een in zicht te krijgen.
Een school dolfijnen kwam de Nieuw-Hoorn tegemoet, begeleidde het schip dagenlang, lustig spelend om de boeg. De zon wierp een paarse glans op de donkergemarmerde ruggen die bij vieren, vijven tegelijk uit een groene golf opdoken en smeuïg weer weggleden, met de kantige rugvin een pluimpje water opscherend.
Het werd zo warm, dat de mannen in het blote bovenlijf gingen lopen. Het zweet gutste van hun ruggen en Padde klaagde steen en been.
‘Wat scheelt eraan?’ vroeg Harmen van Kniphuyzen, toen hij de arme dikzak mistroostig op zijn kooi zag zitten.
‘'k Zal 'n regenwurm zijn als ik er iets van snap,’ zei Padde. ‘'t Is nog midden in de winter en ik smelt van de hitte.’
‘Wat zul je dan straks wel zeggen als we bij de menseneters zijn!’ beklaagde Harmen hem. ‘Daar vallen de vruchten gestoofd van de bomen.’
Padde haalde zijn neus op. ‘'n Mooi land! Waar je moet buikspreken en de drommel zal weten wat nog meer als je niet levend verslonden wilt worden!’
Op het woord ‘buikspreken’ lichtte er iets op in Harmens ogen. Hij dacht even na. ‘Ja, het is wel zaak dat je kunt buikspreken. 't Heeft wel 'n maand geduurd vóór ik het behoorlijk kon.’
Padde keek op. ‘Kun jij buikspreken?’
‘Dat heb ik je toch verteld.’
‘Nee, dat was je broer.’
‘Nou ja, daar heb ik 't natuurlijk van geleerd. Weet je wat moeilijk is? Maleis buikspreken.’
‘Kun je dat óók?’ vroeg Padde jaloers.
‘Nou, ja, kunnen en kunnen... Met sommige woorden heb ik nog weleens last. Bijvoorbeeld poerlapoetoespoerwerpedjopakapoet. 't Zit 'm vast op al die p's, hè?’
‘Spreek 'ns buik?’
‘Ik heb pas gegeten! Maar kom bij me in de kombuis als de vaten gespoeld zijn. Dan hebben we het er rustig; ik zal het jou ook leren, als je wilt.’
Padde kleurde van vreugde. ‘Zou ik het kunnen?’
‘Voor iemand met jouw buik is 't een kleinigheid,’ verzekerde Harmen.
‘Harmen,’ zei Padde, ‘ik vind 't verduiveld aardig van je...’
Harmen maakte een afwerend gebaar. ‘Als je zo samen op een schip zit, leer je wat voor mekaar overhebben. Tot straks dus!’
Een half uur later maakte Padde zich op om naar de kombuis te gaan. Hij vond er Harmen in druk gesprek met Lijsken Cocs. ‘Da's vroeg!’ riep Harmen hem toe. Hij wees stiekem met de duim naar Lijsken en gaf Padde een veelbetekenend knipoogje.
Padde begreep. Harmen wou er Lijsken Cocs niet bij hebben. Hij slenterde wat rond. Toen hij weer in de kombuis kwam, stond Harmen al op hem te wachten. ‘Ziezo, dat papjongetje heb ik even afgepoeierd. Hij heeft met onze buiksprekerij niets te maken. We zullen hier maar gaan zitten!’ En Harmen wipte behendig op een grote ijzeren ketel. ‘Wat wil je dat ik zeg?’
‘Nou, zeg maar wat.’
Harmen kneep zijn mond potdicht, draaide angstwekkend met de ogen, trapte van inspanning met zijn benen tegen de grote ketel waarop hij zat. En toen klonk het dof en gedempt, alsof het geluid uit de grond opsteeg: ‘Ik ben koksmaat.’ Harmen slaakte een zucht van verlichting.
‘Merakel,’ stamelde Padde. ‘Zeg nóg eens wat?’
‘Al moest ik al de boeken van het ouwe en nieuwe achter mekaar opnoemen!’ Harmen rolde weer met zijn ogen, trapte van louter inspanning tegen de ketel, en somber klonk het uit de diepte: ‘Ik heb blond haar.’
‘Merakel,’ zei Padde. ‘Maar... eh, je hebt toch geen blond haar?’
‘Weet m'n buik dat?’ vroeg Harmen verwijtend.
‘Ik dacht dat je je buik kon laten zeggen wat je maar wou.’
‘Is ook zo,’ zei Harmen. ‘Ik zal 'm nou 's laten zeggen: Ik heb bruine ogen!
‘Ja, laat 'm dat eens zeggen!’
Harmen sloot de mond, trapte tegen de ketel. ‘Ik heb blauwe ogen,’ klonk het.
‘Wil je wel geloven dat ik m'n buik wel een opstopper zou willen geven?’ vroeg Harmen op luide toon. ‘Hij moet het zeggen! Ik heb bruine ogen! En Harmen trapte verwoed tegen de ketel. In spanning wachtten de jongens op wat er komen zou. Het duurde lang. Eindelijk klonk het: ‘Ik zal zeggen waar ik lol in heb.’
Harmen wipte van de ketel af, schreeuwde: ‘Ik zal m'n buik straks eens inwrijven. Stevig inwrijven! - Nou, probeer jij het eens, Padde!’
‘Zeg dan eerst hoe ik het moet doen, Harmen!’
‘Stom-eenvoudig, Padde. Je haalt diep adem, wacht tot je het benauwd krijgt en dan denk je: ik wil wat zeggen zonder m'n mond open te doen! Dan komt het vanzelf.’
Padde beproefde het. Toen hij blauw van benauwdheid was, legde Harmen zijn oor tegen Paddes buik. ‘Hou vol, Padde! Ik hoor al wat!’
‘Pff!’ zuchtte Padde.
‘Je zult te veel gegeten hebben,’ meende Harmen. ‘Die bruine bonen zitten je natuurlijk lelijk in de weg! Je doet 't beste om eens een dag of wat helemaal niets te eten.’
Padde beloofde het, aarzelend.
‘Je bent een verstandige jongen,’ prees Harmen. ‘Ga nou maar 'ns op die ketel zitten. Misschien dat je er dan meer van terechtbrengt.’
Padde liet zich op de grond neerploffen. ‘Ik zit al.’
Harmen was even verbouwereerd. ‘Op de ketel, heb ik gezegd.’
‘Ik zit hier ook goed,’ stelde Padde hem gerust.
‘Wie weet het nou beter: jij of ik?’ vroeg Harmen. ‘Ik laat je niet voor niks op die ketel zitten! Dat is voor... voor het geluid! Net als bij 'n viool, daar zit ook 'n kastje onder - dan klinkt 't beter.’
Padde hees zich moeizaam op de ketel. ‘Wat moet ik zeggen, Harmen?’
‘Nou, zeg maar: ik heet Lijsken Cocs.’
‘Maar zo heet ik toch niet?’
‘Daarom kun je 't toch wel zeggen?!’
Padde kneep mond en ogen dicht, trapte naar Harmens voorbeeld met de hielen tegen de ketel. ‘Hatsjie!’ klonk het uit de diepte.
‘Dat is het begin!’ riep Harmen verblijd uit.
Padde keek stomverbaasd. ‘Kwam dat uit m'n buik??’
‘Waar anders uit?’ vroeg Harmen. ‘Uit je zondagse pet?’
Padde spande zich opnieuw in. Toen hij paars in het gezicht was geworden, klonk het: ‘Ik schei er mee uit! Ik krijg het benauwd!’
‘Je bent een geboren buikspreker!’ verklaarde Harmen opgewonden. Maar tegelijk trachtte hij hem, na hem van de ketel geduwd te hebben, met zachte drang de kombuis uit te werken.
Padde stribbelde tegen. ‘Ik vind het verduiveld aardig van je,’ zei hij, ‘dat je me wilt leren buikspr...’ Toen stokte Padde en verbleekte.
Een onzichtbare, geheimzinnige kracht duwde het deksel van de ijzeren ketel omhoog en, als een duivel uit een doosje, wipte Lijsken Cocs er uit te voorschijn.
‘Zo, mannetje, heb jij ons afgeluisterd!’ speelde Harmen op. ‘Morgen gaan we ergens anders zitten, Padde!’
Padde knikte aarzelend.
Maar met twijfel in het gemoed kwam hij even later bij Hajo, die op het voordek bezig was met het verzolen van een paar kolossale schoenen.
‘Doe je daar?’ vroeg Padde.
‘Lappen.’
‘Voor wie?’
‘Voor Jopkins.’
‘Is 't waar, wat je zegt?’
Hajo keek verwonderd op. ‘Waarom zou 't niet waar zijn?’
Padde haalde de schouders op, beet zich op de lippen.
‘Wat heb je?’ vroeg Hajo.
‘Niks.’
‘Waarom huil je dan?’
‘Ik huil niet.’
‘Wel waar.’
‘Nietes...’
Even pauze.
Toen vroeg Padde met onzekere stem: ‘Hajo, jij bent toch m'n vrind, hè?’
‘Ja, natuurlijk!’
‘Jij liegt me toch niet voor, hè?’
‘Dat weet je wel beter, Padde.’
Padde ging naast Hajo zitten. ‘Nou, dan kan me de rest ook niks bommen. Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!’ Met vochtige ogen blikte Padde voor zich uit.
‘Zeg, Padde!’ zei Hajo, ‘Als we over een jaar of twee in Hoorn terugkomen met een zak vol guldens - wat zullen onze moeders opkijken!’
‘Hajo!’
Padde!’
De vrinden keken elkaar in de glinsterende ogen.
Padde haalde de handen uit zijn broekzakken. ‘Kan ik je helpen, Peter?’
‘Met die schoenen? Dat kan ik wel alleen af.’
‘Nou, ik mag dat spijkertje toch wel even voor je vasthouden?’
‘Goed. Hou dan maar vast.’ En Hajo hief de hamer op, mikte met de zekerheid van een ervaren schoenlapper. Met een kreet trok Padde zijn vingers terug.
‘Doet 't pijn?’ vroeg Hajo verschrikt.
Padde likte zich een bloeddruppel van de vinger. ‘'t Doet 'n verduivelde pijn! Maar 't kan me niets schelen, hoor! Als ik maar weet dat wij vrienden zijn!’