Op een morgen bleef Hajo verrast staan, toen hij, nog slaapdronken, het vooronder uit kwam stappen en zich buiten in een puts wilde wassen. Om masten, touwen en zeilen hing een fijn waas. Het achterschip was nog slechts als een vage omtrek te zien. ‘Mist...!’ mompelde Hajo, terwijl hij de vochtige lucht opsnoof.
Nou, óf het mistte! Als je over de verschansing hing, keek je in een grijze massa zonder begin of einde: water en lucht waren één geworden. ‘Oei...! Oeiiiii...!’ Dat waren de misthorens van de Enkhuizen en de Nieuw-Zeeland. Bootsman Berentsz. was met twee janmaats bezig een grote lantaarn in de fok te hijsen. Toen hij boven hing, leek het een bleke citroen.
De omes pruttelden. Beweerden dat je om het uur je longen wel uit mocht baliën; dat ze liever kieuwen hadden als de vissen, en... dat was het ergste: dat er van een landing op de Kaapverdische eilanden wel niets zou komen om de eenvoudige reden dat je met dit weer evengoed kon zoeken naar Berentsz.’ roodbaaien onderbroek, die op een vorige reis van het drooglijntje overboord was gewaaid, als naar een eiland.
De jongens moesten beurtelings op de misthoren toeteren. De omes zeiden: daar kreeg je een mooie stem en zoenlippen van.
Harmen bleek een meester! Die toeterde hele liedjes, draaide intussen rond en als het liedje uit was, stond hij weer net zo als toen hij begonnen was.
‘Ik zie jou nog eens in een paardenspel optreden,’ zei Rolf.
‘Heb je al eens 'n misthoren op je kop gehad?’ informeerde Harmen.
Rolf schudde het hoofd. ‘Nog nooit. Doe het eens...?’
Harmen trok smalend zijn neus op. ‘'k Zal wel oppassen! 't Nefie van de schipper, hè?’
‘De schipper zal ik er niet bij halen,’ zei Rolf, opeens driftig.
‘Hoei-hoe-hoei! M'n Amsterdamse moei heit 'n varken en 'n koei!’ toeterde Harmen. Toen hij de daarbij behorende ommedraai had volbracht, zag hij Rolf nog juist in de barbiershut verdwijnen. ‘Daar lóópt ie, de boekenwurm! Als het 'n ander was, had ie al lang op z'n ziel gehad.’
Daar kwam Padde aandrentelen, aangetrokken door Harmens mistzangen.
‘Goeiemorgen, Padde!’ riep Harmen verblijd uit.
Maar Padde kon zo ineens niet weer vriendelijk zijn. ‘Mm!’ zei hij. ‘Is dat 'n misthoren?’
‘Ja, een misthoren... of mistkijker, zoals je wilt.’
‘Mistkijker? Kun je er dan mee door de mist kijken?’
‘Als door een druppel water,’ verzekerde Harmen. ‘Nietwaar, Lijsken?’
‘Waar zou het woord mistkijker anders vandaan komen?’ vroeg Lijsken.
Maar Padde vloog er niet in. ‘Houden jullie 'n ander voor de gek!’ schimpte hij.
‘Voor de gek houden??’ vroeg Lijsken in hoogste verbazing.
Harmen tuurde aandachtig door de horen. ‘Daar gaat de Nieuw-Zeeland!’ riep hij. ‘Voor de kombuis zit de kok met drie omes te kaarten!’
‘Mag ik ook eens kijken?’ vroeg Lijsken.
‘Alsjeblieft, Lijsken.’ En Harmen stond bereidwillig de horen af.
Lijsken keek in de richting die Harmen hem aanwees. ‘Verdikke, wat heeft die kok 'n klavers in z'n knuisten!’ riep hij geestdriftig uit. ‘Klaverkoning, klaveraas, klaverboer en zes kleintjes!’
‘Geef hier,’ zei Padde.
‘Zeg er eens, kun je 't niet wat vriendelijker vragen?’
‘Geef hem de kijker nou maar, Lijsken,’ vergoelijkte Harmen.
Paddes wens werd ingewilligd. ‘Ik zie niks!’ verklaarde de botteliersmaat.
‘Snap ik niks van,’ zei Harmen. ‘Heb je je andere oog wel dicht gedaan?’
‘Moet dat?’
‘Dat snapt toch een kind!’
‘Had dat dan eerder gezegd!’ gromde Padde. En hij bedekte met de ene hand het oog dat niet door de toeter gluurde.
Toen werd tussen Harmen en Lijsken een snelle blik gewisseld. Ze zetten tegelijkertijd hun voet achter Paddes hielen en... Padde lag achterover op het dek te spartelen.
‘Wat een windstoot was dat!’ riep Lijsken.
‘'k Sloeg er bijna van om!’ zei Harmen.
En toen ze Padde aankeken, begonnen ze beiden te grinniken.
Maar in de ogen van de bedrogene sluimerden wraakplannen. Hij zwaaide woedend zijn toeter en wilde overeind krabbelen...’
Toen gebeurde er iets onverwachts! Een grauw, monsterachtig groot gevaarte schoof rakelings langs het galjoen; boven een stemmengeroezemoes uit schetterde een schorre misthoren. ‘Het roer! Gooi het roer om!’ schreeuwde iemand. Tegelijkertijd flitste een lichtschijnsel uit de mist op. Een zeil-omtrek, een scherp gekraak van hout - weg was het spook weer.
Padde was van schrik weer achterovergetuimeld. Harmen en Lijsken stonden te trillen op hun benen.
De donderstem van Folkert Berentsz. wekte hen uit hun verbijstering.
‘Wat hier en daar! 't Scheelde twee el, of we waren in de Enkhuizen gelopen! Zet ik jullie dáárvoor te toeteren! Donder en bliksem!’ En ze kregen ieder een schop onder het zitvlak. Padde zat en bleef er daarom vrij van. Harmen griste hem de misthoren uit de handen. ‘Hoe-hoe-hoei!’ schetterde hij. Ditmaal zonder liedje.
De bootsman verdween weer in de mist.
‘Als ie 't de schipper vertelt, worden we gekielhaald!’ zei Lijsken, z'n broek wrijvend.
Maar Folkert Berentsz. was geen klikspaan. Hij hield er zonder de schipper de wind wel onder.
De bottelier hoorde hoofdschuddend het verhaal aan dat Padde hem over het geval opdiste. ‘'t Is merakel! Hier, drink wat, m'n jongen. Dat spoelt de schrik weg.’
‘Ik heb nog nooit wijn gedronken...’ aarzelde Padde.
‘Merakel. Proef dan maar gauw eens.’
Padde nam voorzichtig een slokje.
‘Nou?’
‘Je wordt er lekker warm van!’
‘En de schrik? Die is nou zeker weg?’
Als antwoord nam Padde nog een teug.
‘Je zult nog een fijnproever worden, jij!’ grinnikte de Schele. ‘Nou, dan ben je bij mij goed onderdak!’
‘Ja-ha!’ En Padde dronk dapper het hele kannetje leeg. ‘Geef me nog maar wat, Schele!’
De bottelier schonk hoofdschuddend het kannetje weer vol. ‘Pas jij maar op! Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan!’
‘Geen nood!’ blufte Padde.
‘La-la-la-la!’ zei de Schele met vaderlijke trots. ‘Hoor dat eens aan!’
Maar terwijl Padde onversaagd doordronk, betrok het gezicht van de brave bottelier. ‘Ik heb je nooit van Gertje gesproken, hè?’ vroeg hij. ‘Dat was m'n enigst kind. In maart zou ie nou veertien zijn geworden.’ De bottelier staarde voor zich uit. ‘Op een avond kwam ie hoestend thuis. Dat was november van 't jaar '17. - Hoest je, m'n jongen? vroeg ik. - Ja, vader, zei-d-ie. Ik hoor z'n stem nog. - Heb je 't benauwd als je hoest? vroeg ik. - Ja, vader, zei-d-ie. 's Nachts bleef ik natuurlijk bij hem waken, hè? M'n vrouw was toen al vier jaar dood, ik was kastelein in ‘De lustige Landman’, bij Alkmaar. Ik gaf Gertje elk uur een hete omslag. En warme kruiken en wijn: dat helpt tegen de hoest. De volgende morgen moest en zou-d-ie gaan schaatsen. Ik hield m'n hart vast. - Zou je 't wel doen, m'n jongen? vroeg ik. - Vader, zei-d-ie, ik weet zelf 't beste wat goed voor me is! - Hij wist wat ie wilde, zie je; dat heb ik nooit van mezelf kunnen zeggen. Ik deed altijd wat anders dan ik van plan was. Als ik Gertje afhaalde bij meester Knol... ik liet 'm leren, zie je?... dan kocht ik onderweg snoepballetjes voor hem om hem te verrassen, maar voor ik bij meester Knol was, had ik ze zelf allemaal al opgekauwd. Weet jij eigenlijk wat je wilt?’
‘Jawel,’ zei Padde geeuwend. ‘Ik kom in de bierbrouwerij van m'n oom, dan weet je wat je hebt.’
‘Zie je,’ zei de bottelier, ‘zo was Gertje nou ook. Die wist op een prik wat hij wilde, en iets anders deed hij niet. Nou... die avond was hij er erg aan toe! En toen ik drie nachten aan z'n bed gezeten had... toen...’ De bottelier kon niet best meer uit z'n woorden komen. Hij sloeg de hand op de knie en kuchte.
Padde zat met lodderige ogen voor zich uit te turen.
‘Heb je geluisterd, Padde?’
‘Jawel! Ik heb woord voor woord... hik!’
‘En wat zeg je d'r van?’
Padde geeuwde. ‘M-merakel, Schele...!’
De bottelier stond zuchtend op en zocht de frisse lucht.
Toen hij een poosje later terugkwam, vond hij Padde snurkend tegen een vaatje liggen. Hij tilde hem op en legde hem in zijn eigen kooi. Toen keek hij de jongen lang in het gezicht. ‘Dezelfde neus, dezelfde kin en ogen! Gertje sliep ook altijd met open mond...’
De bottelier legde z'n dikke hand op Paddes voorhoofd en kuste het.