terug  begin  verder

[p. 96]



illustratie

Rolf

De bedoeling was om Sint-Anthoni aan te doen en daar water in te nemen. Maar door de steeds dichter wordende mist, gepaard met een fijne regen, kon men het eiland niet in 't zicht krijgen. Daarom werd de koers gesteld op Ilje del May en Ilje del Foege. De wind zwaaide luimig; men moest laveren en verloor het verband met de twee andere schepen; de misthorens van de Nieuw-Zeeland en de Enkhuyzen waren te horen, heel ver weg.

Lang en eentonig gingen de dagen voorbij. Uren achtereen lagen de omes in hun kooi te kaarten. Hajo was met Rolfs hulp bezig een brief aan zijn moeder te schrijven. Zodra ze een schip tegenkwamen, wilden ze hem afgeven.

‘Kun jij niet schrijven??’ had Rolf gevraagd toen Hajo zijn hulp inriep.

‘Ik kan wel wat lezen,’ haastte Hajo zich te verklaren, terwijl hem het bloed naar de wangen steeg. ‘Padde kan helemáál niet lezen of schrijven.’

‘Wou jij je dan met Padde vergelijken?’

‘Als ik maar iemand wist, die...’

‘Ik zal het je leren,’ zei Rolf. En met zijn gewone energie pakte hij de zaak aan.

Padde zat erbij terwijl Hajo zijn bruine vuist over het papier liet wandelen; Rolf stuurde kalm en zeker Hajo's ganzeveer in de goede richting en Hajo zuchtte van inspanning.

‘Wat schrijf je nou allemaal?’ vroeg Padde. Geduldig wachtte hij tot Hajo hem twee minuten later ten antwoord gaf: ‘Breng me niet in de war, Padde!’

[p. 97]

Padde zweeg. Maar per slot van rekening is een mens geen doofpot. Toen Hajo weer met zwier een punt achter een zin had gezet, waagde Padde de schuchtere vraag: ‘Kun je alles schrijven wat je maar wilt?’

‘Alles!’ zei Hajo.

Dat moest Padde even verwerken. ‘Kun jij nou ook schrijven dat 't mist... enne... dat je op de viool leert spelen?’

‘Wat dacht jij dan?’

‘Nou, ik dacht... alleen maar de groeten en zo, en ik kom gauw terug.’

‘Kijk,’ zei Hajo, ‘dat komt nou van je geklets! Nou maak ik weer 'n vlak!’

‘Ook erg...’ meende Padde, ‘da's al wel wtintig maal gebeurd. Wat is dat oogje met dat streepje eraan?’

‘Een p,’ zei Hajo gewichtig.

‘Wat is dat: een pee?’

‘Nou, da's een p, hè? Ik zal maar zeggen P van Padde.’

‘Lieg je toch?’ Padde begon te grinniken. ‘Zeg, dit is dan zeker óók een pee, hè?’

‘Dat is een b,’ zei Hajo.

‘Een d,’ verbeterde Rolf.

‘O, ja een d,’ zei Hajo gauw.

Padde schudde het hoofd. ‘Pee, bee, dee...! Die dee is toch ook 'n oogje met 'n streepje eraan?’

‘Ja, maar daar zit het aan de andere kant!’

‘Da's nou maar krek hoe je de brief houdt!’ Padde greep Hajo's inktslagveld, tot ontzetting van de beide veldheren, stevig beet en zei, terwijl hij het omdraaide: ‘Alsjeblieft, nou is het dan toch wèl 'n pee!’

Hajo verloste zijn in gevaar gebrachte brief en vroeg nijdig: ‘Wou jij een brief op de kop lezen?’

‘Op m'n kop???’

‘De kop van de brief, bedoel ik.’

‘Heeft een brief dan een kop?’

‘Meer dan jij,’ zei Rolf.

‘Knap maar!’ gromde Padde. En hij trok af, danig uit z'n humeur.

 

Toen de briefschrijvers een uur later de barbiershut verlieten, vonden ze Padde tegen de mast, met wazige ogen voor zich uitblikkend in de grauwe mist.

‘Padde! Wat zit je daar?! Je zult kou vatten!’

‘Hoplala-tralala!’ lalde Padde met de vingers op het dek trommelend. ‘Ik heb ged-danst voor de omes! Boven op de... hik! b-boven op de tafel!’

‘Hij ijlt!’ zei Hajo verschrikt.

Rolf legde zijn hand op Paddes voorhoofd. ‘We zullen hem optillen en in zijn bed brengen.’

Maar daar wilde Padde niets van weten. ‘Blijf van me af, b-boekenwurm!’

Hajo aarzelde. Maar een blik uit Rolfs ogen was hem voldoende om Padde stevig onder de armen te nemen. Rolf pakte hem bij de benen op.

Padde worstelde uit alle macht om vrij te komen. Toen het niet lukte, klaag-

[p. 98]

de hij op huilerige toon: ‘Hajo, help me, die lelijke... hik! die lelijke pennelikker op z'n gezicht te timmeren!’

‘Je bent ziek, Padde! We zullen je onder de wol stoppen!’

‘Neen, ik wil d-dansen voor de omes! Ik wil... hik!’

Ondanks zijn verzet werd Padde naar het botteliershok gebracht en daar met behulp van de Schele op zijn kooi gelegd. ‘De jongen bibbert van de koorts!’ jammerde de bottelier. ‘We zullen hem gauw wat wijn geven!’

‘Ah!’ mompelde Rolf. En kortaf, dreigend volgde: ‘Als je dat doet, vertel ik alles aan de schipper!’

De bottelier keek Rolf aarzelend in het strakke gezicht. Hij pruttelde wat, maar ging niet naar de kast om wijn te halen.

Rolf trok zijn vriend met zich mee. ‘Padde is dronken,’ zei hij, toen ze buiten waren.

‘Dronken...?’

‘Kom mee,’ zei Rolf. ‘Ik wil even met je praten.’

Sprakeloos liet Hajo zich naat de barbiershut leiden. Vader Langjas was er niet.

‘Vertel me eens,’ begon Rolf, ‘is het de eerste maal, dat Padde...?’

‘Ja! Vast!’

‘Dan is de bottelier er schuld aan.’

‘Wat een gemene streek!’

‘De Schele denkt niet verder dan tot op de bodem van zijn pint,’ zei Rolf, ‘dat is alles. Dus je hebt nooit eerder gemerkt, dat Padde...’

‘Nee! Maar... Ik zal je iets zeggen. ‘Laat je niet merken dat je 't weet?’

‘Als ik 't niet nodig vind, nee.’

‘Zijn vader is elke avond dronken.’

Rolf fronste de wenkbrauwen. Hajo voelde op dat ogenblik weer hoeveel verstandiger Rolf was. Een vaag vermoeden kwam in hem op dat Rolf al veel verdriet moest hebben gehad. Zwijgend wachtte Hajo.

‘Voorlopig zullen we doen of we niets hebben gemerkt,’ besliste Rolf. ‘En zodra ik er een goede gelegenheid voor zie, neem ik hem onder handen. Zoiets moet ineens goed gebeuren.’

Een vraag, die Hajo vanmorgen bij het briefschrijven al had willen stellen, brandde hem op de lippen. Nu kwam het er uit: ‘Zeg Rolf... schrijf jij niet aan je moeder?’

Rolfs schouders trokken even. ‘Mijn moeder leeft niet meer,’ zei hij stroef.

Hajo was op Rolfs antwoord voorbereid. ‘Is ze al lang dood?’ vroeg hij zacht.

‘Ze is in maart van het vorig jaar overleden.’

‘En heb je helemaal niemand, die...?’

‘Mijn oom,’ zei Rolf.

‘Ja, maar, je vader...? Je zei toen op de Italiaanse zeedijk... weet je nog?’

‘Mijn vader is twaalf jaar geleden naar Oostinje gegaan,’ zei Rolf. ‘Hij voer als schipper onder Pieter Both; in 1615 is zijn schip vergaan op de kust van Celebes. Maar het bericht kregen we het vorig jaar pas. Van de bemanning was

[p. 99]

niets bekend. Mijn moeder was toch al wat zwak. Vijf weken later stierf ze.’

‘Zeg... Rolf,’ fluisterde Hajo, ‘is dat Selee-Seleebes erg groot? Er gebeuren toch wel dingen waarover je later verbaasd staat, nietwaar?’

Rolf scheen heftig met iets te kampen. Toen haalde hij de schouders op, als om het hopeloze van Hajo's veronderstelling aan te duiden, en zei met afgewend gezicht en in een poging om luchthartig te schijnen: ‘Laten we ons maar niets wijsmaken!’

Toen stond hij op, nam een boek van het medicijnkastje en ging naast Hajo, die vergeefs naar woorden van troost zocht, bij tafel zitten, de handen tegen de slapen gedrukt, de ogen star op de letters gevestigd.

‘Oe-hoe-hoeiiiii...!’ gilde de misthoren.

 

De volgende morgen was de mist minder dicht; de wereld werd weer wijder.

Padde kwam laat boven water. Hij drentelde rond en had geen behoefte om Hajo op te zoeken. In het schaftuur kwam Padde de barbiershut binnen, twintig tellen nadat de barbier ze verlaten had. Hij vond er Rolf alleen.

‘Waar is Vader Langjas?’ vroeg Padde.

‘Gaat net naar de kajuit. Als je vlug loopt, haal je 'm nog in.’

Maar Padde bleef staan. ‘We krijgen gauw land, hè?’

‘Ja.’

‘Ben je aan het lezen?’

‘Ja.’

‘Wat staat er in die boeken?’

‘Hoe je zieke mensen genezen kunt.’

‘Staat dat ook in boeken?? Ik dacht dat de barbier 't vanzelf kon.’

‘Dan dacht je verkeerd,’ stelde Rolf vast, onverstoorbaar verder lezend.

‘Is lezen moeilijk?’

‘Nee.’

‘Schrijven zeker wel?’

‘Nee.’

Padde dacht even na. ‘Zeg... eh, Rolf? Wil je voor mij... ook een brief schrijven?’

Rolf keek op. ‘Aan je moeder?’

‘Ja.’

Rolf had uit de tafellade een vel papier genomen. Hij sleep een ganzeveer aan, doopte die in de inktpot. ‘Wat moet ik schrijven?’

Padde was door Rolfs snel handelen overrompeld. Hij wipte opgewonden op het tafeltje, schommelde met zijn korte beentjes. ‘Ja! Wat zal ik nou schrijven?’

‘Zeg maar eerst wat er boven moet staan. Lieve moeder?’

‘Nee...’ weifelde Padde. ‘Schrijf maar: waarde moeder. Dat staat netter.’

Rolfs pen vloog over het papier met een snelheid die Paddes mond van verbazing deed openvallen. ‘Staat het er al?? Nou, schrijf dan maar... dat 't m'n schuld niet is dat ik ben meegegaan.’

‘Dat schrijf ik niet, want dat is een leugen. 't Is wél jouw schuld!’

[p. 100]

‘Hè?? Ik ben toch in slaap gevallen?’

‘Juist. En dat is jouw schuld. Jij had niet in slaap mogen vallen.’

Dat ging Padde boven de pet. ‘Schrijf dan maat dat ik er spijt van heb. En dat ik hopen geld zal meebrengen.’

Rolf keek verbaasd op.

‘Wat kijk je? Ik verdien toch zeker evenveel als Hajo en jij? Of is dat soms niet veel! M'n moeder zal niet weten wat ze ziet!’

Rolf keek dromerig voor zich uit. ‘Hou je veel van je moeder, Padde?’

‘Nou en of! Nou! En zij van mij ook, hoor! Als de lui zeggen... daar moet je geen woord van geloven van wat de lui zeggen: dat doe ik ook nooit. Zeg, schrijf maar dat Oostinje niet zo ver is! En: ik kom gauw terug. Zeg maar, dat ze Louwtje en Margje en Annetje en Nelis en Heintje en Jan en Gijs... Hoeveel zijn dat er? Zeven? Dat klopt. Moeder, ik en vader zijn er drie.’

‘Zijn jullie met z'n tienen thuis?’

‘Neen, dertien. Maar drie zijn gestorven. Aan de koorts, begrijp je?’

‘Wat moet er onder staan?’

‘Nou: Padde natuurlijk.’

Rolf weifelde. ‘Zou je niet liever schrijven: ‘een innige kus, of...’ Rolf kleurde en vervolgde haastig: ‘En dan heb je je vader vergeten te groeten.’

Padde schudde het hoofd. ‘Doe ik niet.’ En na lang en diep nadenken: ‘Schrijf er maar onder: uw trouwe zoon Padde Kelemeyn!’

Rolf glimlachte. ‘Zullen we dat: Kelemeyn er maar niet af laten? Je moeder weet wel dat je Kelemeyn heet!’

‘Ze weet ook wel dat ik Padde heet! Afijn, laat het er dan maar af.’

Rolf was met de brief klaar. ‘Wil ik hem je nu eens voorlezen?’

Padde begon te grinniken. ‘Da's me nog nooit gebeurd!’ En hij zette zich in postuur om te luisteren.

 

‘Waarde moeder,’ las Rolf, ‘het spijt me dat ik zonder het te willen met Hajo mee naar Oostinje ben gegaan en u verlaten heb. Ik zal het geld, dat ik als botteliersmaat van de Nieuw-Hoorn verdien, sparen en aan u afgeven. Oostinje kan zo ver niet weg zijn, moeder, dat ik u vergeet. Groet Louwtje, Gijs, Annetje, Nelis, Margje, Heintje en Jan van me.

 

Uw trouwe zoon Padde.’

 

Padde had tranen in de ogen. ‘Merakel,’ fluisterde hij. ‘Zou m'n moeder er dat nou ook allemaal zo uit kunnen halen? Lezen kan ze natuurlijk niet, hè? Maar ze zal er mee naar de meester gaan.’

‘Nou, dan leest die haar alles wel voor.’

‘Rolf,’ zei Padde aangedaan, ‘'t spijt me dat ik je altijd... - Wil je er nog even onder schrijven: groeten aan... aan Jansje Bezem?’

Rolf keek Padde glimlachend aan, en deze werd vuurrood.

‘'t Staat er,’ zei Rolf. En toen keek hij Padde diep in de ogen. ‘Nu schiet me te binnen dat je nóg iets vergeten hebt, Padde. Je had erbij moeten schrijven:

[p. 101]

Lieve moeder, ik ga tegenwoordig dezelfde kant op als vader. Gisteren was ik dronken.

Padde begon te beven als een riet. ‘Niet doen, Rolf! Dát niet schrijven...!!’

‘Maar 't is toch zo?’

‘Ik zal nooit meer drinken, Rolf! Geen druppeltje!’

‘Dat is dus afgesproken,’ zei Rolf. ‘Hier is je brief, Padde.’

Padde greep Rolfs hand. En met zijn brief in de vuist wankelde hij de hut uit.

Toen Rolf alleen was, nam hij in gedachten verzonken een vodje papier, dat op tafel lag, en krabbelde er spelenderwijze een woord op. Hij keek er mijmerend naar. Plotseling trilde er iets om zijn lippen; hij stond met een ruk op en liep naar buiten.

Toen Vader Langjas een ogenblik later terugkeerde en, ordelijk als hij was, het vodje in de prullemand wilde gooien, scheen hij door iets getroffen te worden. Hij mompelde wat, keek naar de open deur, legde daarna het stukje papier weer zorgvuldig neer op de plek waar hij het gevonden had.

Wat kon Vader Langjas, het toonbeeld van orde, ertoe bewogen hebben, dat stukje papier niet de plaats toe te wijzen waar het behoorde: in de prullenmand?

Er stonden maar zes fijngetekende lettertjes op. Samen vormden ze het woordje: moeder.



illustratie

terug  begin  verder