Of ze de volgende morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat nog half achter de horizon, toen er al een stelletje omes in baaien onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de rotsen een bokje met een paar geiten springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand bloot, en in de kuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met enige verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde liep het water al om de mond: garnalen waren zijn lievelingskostje!
's Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de mouw worden gestoken! Ze zouden vandaag die ouwe kast van een Nieuw-Hoorn eens opknappen dat geen schoonmoeder er kwaad van kon spreken! Na de vroegkost werd de jol neergelaten, die verversingen moest opdoen en wat vis zien machtig te worden.
‘Wie er mee wou?’
Allemaal wel!
‘Ja, maar het eiland is Spaans!’
‘Laat de Spekken maar komen!’
‘Er mag niet gevochten worden.’
‘En als zullie beginnen?’
‘Dan sla je er ook op. Nogal glad,’ zei Donder-en-bliksem.
Er werd geloot, wie er mee zou gaan. Hajo wist met z'n vreugde geen raad, toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.
Met dertig omes daalden ze de touwladder af. Vóór in de jol lagen musketten en vistuig.
‘Zul je 't niet vergeten, Neus?’
‘Wat moet ik niet vergeten?’
‘Je neus weerom te brengen?’
‘Denk om de garnalen!’ schreeuwde Padde.
‘Kannibalen?’
De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee. Aantrekken, mannen!
‘Jongens,’ zei Berentsz., die bij het roer zat, ‘we halen voor de branding het net door het water. Als we een flink zootje vis vangen, gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker hebben.’
‘Ik heb anders net zin in een robbertje, bootsman!’
‘Dan maak je maar 'n robbertje met de grote mast!’ raadde Berentsz. aan.
Op het strand doken bomen met slanke gebogen stammen en waaiervormige kruinen uit de lichte morgennevel op: palmen!
‘Javaanse bloemkool, Hajo!’ zei Floorke, die al drie reizen naar Indië had gemaakt.

Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Alle omes roeiden zwijgend verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: ‘Ik hield het voor knolraap, maar dat kan ook wel komen omdat Floorke er met z'n hoofd voor zat.’
Grinikkend haalden de omes het net te voorschijn en wierpen het achter uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.
‘Zou er al wat in zitten? 't Is net of 't zwaarder roeit!’
‘Haal maar eens op!’ zei Berentsz.
Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.
‘Trekkèèèè!’
Ineens spalkten de omes de ogen open. Er zat een grote zeeschildpad in het net.
‘Wat 'n raar beessie!’
‘Haal hem binnen en leg hem op z'n rug! Nou, pak hem maar gerust: je zult hem niet bezeren.’
‘Zou-d-ie niet bijten?’
‘Bijten? We zullen vanmiddag in hém bijten! En er een fijn soepje van koken! Hoepla!’
De schildpad lag op de rug, bewoog hulpeloos z'n dikke zwempoten.
‘Ik zou hem wel voor m'n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, bootsman?’
‘Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens! - Heila! Wat is dat!’
Van de strandzijde klonk een scherpe knal en aan bakboord plonsde iets in het water.
‘De Spekken! Ze smijten met bonen!’
Aller ogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen verzameld had. ‘Geef mij eens 'n musket! Ik schiet op 'n mijl een vlieg z'n linker voorpoot af!’
Weer een knal en een plons.
‘Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleren en ik zit krap in m'n stopgaren!’
‘Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak voor de branding!’
Een schot van de wal; de jol trilde even en uit de bodem spoot een fonteintje op. ‘Au! M'n poot! Au! Au!’
‘Stop het lek!’ Het werd met touwpluisel gestopt.
De jammerende maat nam zijn voet in de handen. ‘Ze hebben m'n teen kapot geschoten!’
‘Wacht even, ik ben nog aan 't laden!’ pruttelde de scherpschutter. Het laden van een musket was een werkje dat tijd en ervaring vroeg.
Weer een schot. Een kogel floot de mannen over het hoofd.
Toen was de ome, die op een mijl afstand een vlieg raken kon, gereed. Grimmig legde hij aan. Een donderslag; de schutter vloog door de schok bijna met musket-en-al de jol uit.
Maar van het strand klonk een luide gil. Een van de Spanjaarden liet zijn wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een haastig heenkomen.
‘Met Sinterklaas krijg je 'n nieuwe teen,’ troostte Berentsz. ‘Roeien, mannen! Een-twee; een-twee...’
Spoedig was men buiten schot.
‘Willen we hier het net nog eens uitgooien, bootsman?’
‘Vooruit maar,’ zei Berentsz. ‘Waar is het?’
Algemeen gegluur onder de banken. ‘Het net is weg!’
Floorke begon te ginnegappen.
‘Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?’
‘'t Hangt nog achter de boot!’ zei Floorke. ‘D'r zal nou wel vis zat in zitten!’
Dat had de opwinding 'm gedaan. Ieder was vergeten dat het net in het water hing. Het werd ingehaald. Grote vreugde toen het vol glanzende spartelende vis bleek te zitten.
Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z'n hemd uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet geslagen.
De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die varensgasten uit de zeventiende eeuw.
Aan boord was zo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had gehoord.
In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek gehesen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en die beide helften woelde men met nog twee andere stengen om de mastbreuk. Nu kon men de steng, die tijdelijk de mast versterkt had, weer hijsen en het grootzeil voeren. Het was een lust om er naar te kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonius. Nu mocht de storm weer blazen.
Men was juist aan het taliën van het want toen de boot terugkwam. De vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de vis lustig knappen in de pan;
de meningen over zijn schildpadsoep liepen uiteen, maar de meesten smulden ervan. Verdikke, men kon merken dat er die dag gewerkt was: er werden me wat bruine bonen verstouwd! De gewonde maat, die nu door Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvis zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.
Een uur na het eten klonk tussendeks een angstig geschreeuw: ‘Help! Help!!’
Alles stormde naar beneden. Padde bleek half uit een geschutpoort te hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En Padde trok aan deze kant.
‘Ik... pf! ik heb beet! Help 'ns 'n handje. Ik kan 'm alleen... pf! niet binnen krijgen!’
De maats stonden paf. ‘Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin zat, had ie jou al lang buiten gekregen!’
Twee mannen sloegen hun vuisten om het touw. ‘Trekken. Hoy-hay. Hoy-hay!’ Nog een paar omes staken hun armen uit de geschutpoort. Er kwam beweging in de kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd en alles trok mee.
‘Zou 't een zeevarken wezen?’
‘Trekkèèèèè...’
Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het heftig opgewoelde water.
Opeens werden de trekken van de omes stroef en hard.
‘n Haai!!!’
‘Hoe krijgen we 'm binnen? Wacht! Ik zal 'm van het dek een harpoen in z'n bast gooien - dan halen we hem over de verschansing!’

‘Gauw dan!’ Een dozijn omes stormde naar het dek.
‘Wat zou d-ie wegen? Driehonderd pond? Hou vast, mannen!’
Toen schoten de trekkende omes achteruit, rolden in een kluwen van armen en benen dooreen.
Beneden in het water plonsde het. En met een hartgrondige verwensing keken de omes naar het gebroken stuk touw dat ze in de hand hielden.
Padde zuchtte. ‘Daar heb ik nou de hele dag voor zitten koekeloeren! Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m'n gang had laten gaan...’
Toen moesten de omes toch weer lachen.
De arme jongen zocht troost bij de bottelier. Die was net aan het tappen; Padde stak een kaars aan en daalde in de kelder af.
‘Voorzichtig-aan, m'n jongen!’ waarschuwde de Schele toen Padde zijn kaars op een brandewijnvaatje plaatste. ‘Je zou nog brand maken!’
‘Brand?’ vroeg Padde. ‘Dat goedje kan toch niet branden? 't Is toch nat?’
‘Nat is het wel. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen als 't niet branden wou?’
‘Kom, Schele,’ zei Padde, ‘laten we nou maar naar boven gaan, anders vertel je me zo meteen nog dat de zee in brand vliegt als er een z'n pijp buiten boord uitklopt!’
De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat uitkropen, ontsnapte hem een diepe zucht. ‘Merakel! Gertje kon net zulke grapjes maken...’
Die avond koos de Nieuw-Hoorn weer zee. De koers werd recht op de evenaar gesteld.
De jongens hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande zon, de bergen diepblauw.
Hajo voelde zich beklemd. De kreet, die de gevallen Spanjaard had uitgestoten, trilde nog in hem na. De vorm van het eiland deed hem aan een graf denken.
Als een witte lijkkrans lag de branding eromheen.