terug  begin  verder

[p. 109]

Windstilte

Nauwelijks had Bolle de volgende morgen vroegkost geschaft, of Diede Doedes kwam vertellen dat hij aan de lij twee zeilen zag. De maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende koffie eerst nog even leeg te slurpen voor ze naar boven holden.

De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen. Het bleken de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn! Dat was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien.

Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de Nieuw-Zeeland.

‘Zijn jullie ook aan land geweest?’ schreeuwden ze naar boven, toen ‘de heren’ in de kajuit waren.

‘Ja! We wilden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJbrants Dirksz. met de sproeten...!’

 

De schepen koersten gezamenlijk weer zuidwaarts. Maar op een kwade morgen vielen de zeilen slap neer. Stilletjes dobberden ze op het rimpelloze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten.

De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig; het dek brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met roodgloeiende koppen heen en weer. Je pijp smaakte niet meer. Drinken - dat was het enige wat een ogenblik verkwikking gaf.

De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit appels en peren die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie, daarvoor wilden de mannen nog wel een paar keer het dek op en neer rennen, of turfrapen, of de kruiwagen duwen! Een ome laadde onder groot gejuich de Schele op zijn wagen...

De halve dag lagen ze in de Atlantische Oceaan te spartelen, de omes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als tevoren. Ze vervelden om het hardst. De ome, die bij Ilje del Foege een teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld of het een haai of iets anders zou zijn geweest. De gebeten ome zei dat de duivel er achter stak: twee tenen achter mekaar!

Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil tussen de onderste ra van de fok en de grote mast binden. Het werd met water gevuld

[p. 110]

en leverde een ongevaarlijk zwembad. Nu was het zeil ten minste nog ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen, die, als je rustig in 't bad je pijpje lag te roken, van onderen met een speld door het zeil prikten...

De jongens werden beziggehouden. Terwijl de omes geen hand uitstaken, moesten zij poetsen, poetsen en poetsen. Schrobben en zwabberen hoorden er ook bij. Als de zon al niet zo beroerd glom, had Berentsz. ze ook die vast nog laten oppoetsen.

‘'k Mag lijen dat de zon niet valt,’ verzuchtte Floorke.

‘En waarom niet?’ was het lome antwoord.

‘'k Leg er pal onder,’ zei Floorke. De omes waren te lui om te grinniken.

Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grote kabeljauw. Toen werden allemaal door de hengelkoorts aangetast. Overal langs de verschansing stonden omes star omlaag te turen. Voor de pechvogel die geen lijntje had weten machtig te worden bleef niets over dan langs de ijverige hengelaars te lopen en te vragen: ‘Al beet gehad?’

‘Nee,’ was dan het grimmige antwoord.

‘En jij?’

‘Wat?’

‘Al beetgehad?’

‘Nee.’

‘En jij, Smirtjes? Al beetgehad?’

‘Bijna.’

‘Ga eens wat dieper liggen.’

‘Heb ik al gedaan.’

‘Wat hoger dan.’

‘Heb ik ook al gedaan.’

‘Wat sta je daar de hele dag, als je toch niks vangt?’

‘Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?’

‘Ik? Ik zal wel oppassen!’

‘Ja. Opkrassen. Doe dat maar.’

Toen de bootsman het moe werd om de hele dag achter de poetsende jongens aan te zitten, brak ook voor die arme verschoppelingen een tijd van onbeperkte vrijheid aan.

Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die goed Maleis sprak, voort te bouwen op de door Bolle gelegde fundamenten. De barbier kreeg steeds meer schik in zijn ijverige leerling; hij stond versteld over de kennis die Rolf in zo korte tijd uit de boeken over heelkunde had geput, bracht hem op de hoogte met de stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht de deftige barbier soms lelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem vertellen kon.

‘Ja, jongen,’ zei die dan, ‘voorlopig kan ik nog niet dieper met je op de zaak ingaan!’ Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde vragen probeerde te omzeilen, voelde hij drommels goed dat de heldere ogen van zijn leerling doordrongen tot in de verste hoekjes van zijn weten. Dan zei Vader Langjas

[p. 111]

met een zalvend gezicht: ‘Het gebied der wetenschap is oneindig. Rolf. Wij mensen’ - de nadruk op het woordje: wij - ‘zijn maar stofjes in het heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, maar bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.’ Maar tegelijkertijd moest hij zichzelf bekennen dat hij dat weleens vergat: Vader Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan!

Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling groeide hem boven het hoofd. ‘Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?’ vroeg Rolf in het voorbijgaan. ‘Je leert het al uitstekend, hoor!’

Hajo hield op met fiedelen. ‘Vind je?’ Een goedkeuring uit Rolfs mond was hem meer waard dan de loftuitingen van tien volwassen omes.

Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. ‘Ja-ja,’ zei hij dan.

Verder verklaarde hij onomwonden dat een schip een nutteloos ding is wanneer er geen wind staat.

 

‘Foeiiiiiit...!’ Een windstoot! Heerlijk verfrissend. De omes liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil, hesen het en hoopten twintig knopen in het uur te maken. Floep! weg was de wind weer.

De omes gaven de moed nog niet op! ‘Wacht maar!’ troostten ze elkaar. ‘Dat was het begin! Straks komt er wel meer.’

Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen windstilte, deed een enkel zuchtje het water rimpelen. Na zo'n korte verfrissing drukte de hitte nog meer dan tevoren. Het grootzeil werd weer zwembad. Oef...!

 

Drie dagen later kwam uit het oosten een grote, donkere wolk aandrijven. Hij wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water, verduisterde binnen een uur de ganse hemel. Doodse stilte.

Spanning bij de schepelingen. ‘Een windhoos!’ werd er gefluisterd. Ondanks het halfduister broeide er een hitte die de adem benam.

Ineens... een windstoot...! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw dat de raas er van piepten, vielen luimig weer neer... - Daar kletterde een regen, zo hevig dat allen doornat waren vóór ze het wisten. De waterstralen daverden op het hout dat 't horen je verging; er waren honderd trommelaars in de weer.

De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het water opgevangen. Je had maar iets op te houden en 't was al vol. De omes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend, gillend.

‘Fijn is-t-ie, hè?’

Rrrrrt! Met een krachtige roffel besloot de regen. Geen druppeltje viel er meer. De zon brak weer te voorschijn. Wat even tevoren gedropen had van het water, was in enkele ogenblikken kurkdroog.

Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op het schip.

[p. 112]

In de namiddag herhaalde zich de grap.

De volgende dag driemaal. Maar met dat al schoot men geen vadem op.

Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in het rond of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met het omgooien van de zeilen.

Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe gevulde schatkist. Het goud van de sterren droop in het water, dat zelf vloeibaar goud was; uit het schuim, dat opspatte voor de boeg, stoven miljarden edelstenen alle zijden uit. Sterren werden van links naar rechts gekegeld, lieten een gloeiend spoor na.

Hajo kon er 's avonds niet toe komen om naar bed te gaan; hij voelde zich in een betoverde wereld verplaatst. Daar ergens in het noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg... Was het mogelijk?

Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Wéér een! En daarginds... vier tegelijk!

Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem.

‘Hajo...’ vroeg Padde, ‘hoe zou de evenaar er uitzien?’

‘Misschien wel een lijn van vuur... of zo iets,’ dacht Hajo.

‘'t Is hier allemáál vuur!’

Hajo keek peinzend voor zich uit. ‘Zeg, Rolf, hoe komt dat... kijk eens! wat een sterren daar vallen!... hoe komt dat... met die vallende sterren?’

‘Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats en...’

‘Dat kun je ook zeggen als je een dakpan op je kop krijgt; dat ie van plaats veranderd is!’ meende Padde.

De jongens zwegen en tuurden voor zich uit.

Na een uur verbrak Padde het zwijgen. ‘Dat alles moest m'n moeder nou eens kunnen zien! En m'n zusjes en broertjes!’

Hajo voelde een prop in z'n keel.

En Rolf stelde voor om toch maar te gaan slapen.

terug  begin  verder