terug  begin  verder

[p. 113]

Albatrossen

Na drie eindeloze weken van onophoudelijk laveren kwam de dag dat men de linie zou passeren. De omes die de reis al vaker hadden gemaakt - dat waren verreweg de meesten - deden geheimzinnig. Om twaalf uur in de middag verwachtte men een voorname gast: Neptunus in eigen persoon zou uit zee opduiken en de Nieuw-Hoorn een bezoek brengen. Een half uur lang zou hij het bevel over het schip in handen nemen, onder zijn gestadig toezicht de nieuwelingen laten dopen en dan met zijn gevolg weer in het zilte nat onderduiken.

Het middendek werd versierd met de guirlandes die op oudejaarsavond al zulke goede diensten hadden verricht. Tegen de grote mast timmerde men een troon voor de machtige zeegod en plaatste er een grote kuip water voor. Waartoe die diende, mochten de ‘groentjes’ niet weten. Voor alle zekerheid werden ze maar zolang in het vooronder opgesloten. Harmen nam Padde voor zijn rekening. Terwijl hij hem gevankelijk wegvoerde, schilderde hij hem in sombere kleuren zijn naaste toekomst voor. Padde jammerde hemel en aarde bijeen. De anderen lieten zich lachend opsluiten, maar bij de meesten was het de vrolijkheid van de bekende boer die kiespijn heeft.

‘Kom, Padde, maak niet zo'n spektakel. 't Zal wel meevallen.’

‘Meevallen?! Als je drie keer gekielhaald wordt en dan nog een uur met je hoofd onder water gehouden?’

Het sloeg acht glazen. De deur van het vooronder ging open.

Buiten wachtte een dubbele rij omes, die de groentjes met papieren klappers naar de verhoging dreven waar de oude grijze Neptunus al zat, omgeven door zijn hofstoet. De schipper en de opperstuurman zaten aan zijn zijde. Neptunus droeg een waardige, met papieren vissen beplakte mantel, en in zijn hand klemde hij een vervaarlijke drietand waaraan een bokking was gespietst. Zijn dienaren hadden een mombakkes voor met spitse, lange neus en groene visse-ogen; in hun rode haren zat nog zeewier. Eéntje wachtte met een grote schaar bij de ton water, om de groentjes kaal te knippen. Hij droeg de roodbaaien onderbroek van Harmen van Kniphuyzen. De anderen stonden met volle putsen gereed om te ‘dopen’.

Zonder erbarmen pakten Neptunus' dienaren de groentjes in hun nekvel, duwden ze stuk voor stuk in de ton, verfristen ze ten overvloede nog met een puts water. Toen werden ze door de roodgebaaide lakei van vorst Neptunus van hun haardos bevrijd. De vlokken stoven in het rond; pijnlijke kreten der slachtoffers deden vermoeden dat de schaar weleens uitglipte. Toen alle groentjes goed kaal waren en het water hun uit de kleren droop, verhief Neptunus zich met koninklijk gebaar van zijn zetel en sprak: ‘Haal me de bottelier er eens op!’

[p. 114]



illustratie

Daar kwam de Schele al aan, nog rood van het tappen. ‘Wat is er van je bevelen, Majesteit?’

‘Dat je de kerels een oorlam schenkt, bottelier!’

‘Leve koning Neptunus!’ brulden de omes.

‘De groentjes ook, Majesteit?’ vroeg de Schele.

‘Donder en bliksem!’ sprak Zijne Majesteit, ‘er bennen nou geen groentjes meer, Schele!’

‘Tot je orders, Majesteit!’ En de Schele verdween, voortgedreven door een stelletje ijverige omes.

‘Zou jij de bottelier niet er eens 'n handje helpen?’ vroeg koning Neptunus aan Padde, die niet ophield met jammeren over de mishandeling die hij had ondergaan.

‘Helpen?! Om die beroerde kerels een oorlam te bezorgen?! 'k Zou nog liever!’

‘Zeg er eens, manneke!’ - het was Bontekoe, die sprak - ‘Durf jij tegen koning Neptunus op te staan?!’

‘Koning Neptunus! Dat donder en bliksem heeft ie dan toch zeker van de bootsman!’

‘Donder en bliksem...!’ stamelde Neptunus.

De omes lachten. Padde trok er grimmig tussen uit.

[p. 115]

Daar kwam de Schele met zijn helpers terug, een paar vaatjes bier voor zich uit schoppend. Met hoeragebrul werden ze (de vaatjes!) ontvangen en geopend. En toen hieven de maats de kroezen op, dronken op de gezondheid van Neptunus, de schipper, de bootsman, op de linie, op Holland en op Java, op de Nieuw-Hoorn, de behouden thuiskomst, gunstige wind en verder op alles waar maar op gedronken kon worden. Neptunus bleek, na in de loop der eeuwen dagelijks zeewater te hebben moeten slikken, ook niet wars van een hartversterking: hij doopte bedachtzaam zijn grauwe snor in een kroes.

De vaatjes raakten leeg. De omes keken sip. Tot troost werd er afgekondigd dat allen in de kombuis twee appelflappen mochten halen.

Die smaakten!

En toen kwam het afscheid. Neptunus drukte de schipper de hand, gaf hem het gezag over de Nieuw-Hoorn weer plechtig over en liet zich in triomf uitgeleide doen naar de valreep. Hij wenste allen voor de laatste maal goede reis en dook met zijn dienaren weg in het water.

Een kwartier later kwam de bootsman Folkert Berentsz. met natte haren, juist als had ook hij een liniedoop ondergaan, het dek opstuiven. ‘Donder en bliksem!’ voer hij uit. ‘Wat heeft die rommel daar te betekenen?! Weg ermee! Waar zitten me die apen van jongens? Vooruit! Zwabberen!!’

 

De wind was zuidoost. De koers werd gesteld boven de Abriolhos, een groep rotsachtige eilanden voor de kust van Brazilië. Tegen dat de Abriolhos in 't zicht kwamen, stilde de wind echter, zodat men vreesde de eilanden niet te zullen kunnen omzeilen: wanneer de wind helemaal ging liggen, zou de stroom de schepen recht naar de eilanden drijven. Als ze kwamen vast te zitten, zag het er slecht uit, want op de Abriolhos zou niets te halen zijn en er was behoefte aan vers voedsel. Te lang gepekeld vlees eten leverde gevaar op; de Oostinjevaarders hadden veel met scheurbuik te kampen.

Maar in de nacht werd de wind weer sterker en op het kantje af lukte het de eilanden te omzeilen: men streek er zo dicht langs dat men met het blote oog de rotsen in het maanlicht zag oprijzen. Het volk werd vergast op een flapkan spaanse wijn voor iedere tafel van acht man.

Nu werd de steven gericht naar een groep kleine eilandjes: Tristan da Cunha. Maar men kreeg ze niet te zien... De wind sloeg om naar het noordwesten. Toen stelde men de koers op Kaap de Goede Hoop, om daar te verversen. Het was nog wel een geducht eind, maar de wind zwol gedurig aan en zat mooi achter in 't zeil. Als dolfijnen schoten de boegen door het water; de omes waren vol goede moed.

Toen de jongens op een middag bij elkaar zaten, wees Hajo opeens met de hand naar boven. ‘Kijk eens, wat een grote meeuwen!’ Daar kwam, heel hoog in de lucht, uit het zuiden een aantal witte vogels aanzweven. Ze namen zienderogen in grootte toe. ‘Albatrossen!’ riep Rolf. ‘Dan zijn we dicht bij de Kaap!’ Op het voordek begonnen een paar omes te schreeuwen: ‘Albatrossen! We naderen de Kaap!!’ Al het volk liep tezamen, opgewonden dooreen schreeuwend.

[p. 116]

Het waren machtige dieren. Er zweefde nu al een dozijn hoog om de Nieuw-Hoorn, en uit het zuiden kwamen er nog steeds. Ze schenen niet te vliegen, ze dreven op hun enorme vleugels, waaraan nauwelijks enige beweging te bespeuren viel.

Terwijl de jongens geboeid toekeken hoe majesteitelijk de albatrossen kwaman aanzeilen door de wolken, hoe snel en sierlijk zij zich lieten vallen wanneer ze in het water een prooi ontdekten, hoe ze ondanks hun grootte zonder de geringste inspanning weer opstegen van het watervlak, hun prooi vast omsloten in de sterke klauwen, was op het achterdek een ander drietal met een zonderling werkje in de weer. De manke, die op de dag van de uitvaart Gerrit de hals had willen omdraaien, sneed een stukje hout van een handbreedte lang, overtrok het met reuzel, bond het houtje aan een lange lijn en wierp die toen overboord.

‘Nou maar afwachten!’ zei de manke.

‘Afwachten,’ bevestigde zijn pokdalige kameraad.

‘Of ze fijnproevers zijn! Hehehe!’ grinnikte de kleine, Schieltjes Blauw.

Een paar vogels doken op het lokaas neer. De behendigste hapte toe... en was gevangen. De mannen vloekten van genoegen. Met z'n drieën trokken ze de lijn binnen. Dat viel niet mee! Het dier vloog van het water op en wilde de wolken weer in. Maar de overmacht was te groot: met uitgerekte hals, de bloedende bek wijd open, werd het omlaag getrokken. Hulpeloos tuimelde het op het dek, sloeg wild met de reusachtige vleugels.

‘Kom er eens hier! Kom eens kijken!’ brulde de pokdalige.

Van alle kanten kwamen de omes aanzetten. ‘Wat een prachtig beest!’

Boutjens - zo heette de manke - was door de algemene belangstelling gestreeld. ‘Wacht maar eens even!’ Hij trok zijn mes, plaatste zich achter de vogel, die, als vermoedde hij het nieuwe gevaar, nog probeerde weg te komen. Toen liet Boutjens zich met de knieën op de beide gespreide vleugels vallen en sneed het dier met een snelle beweging de strot door. ‘Had je niet gedacht,’ grinnikte hij, terwijl hij weer overeind sprong en zijn bebloede handen en polsen aan zijn broek afveegde.

Groots en tragisch was het, te zien hoe het prachtige dier zich de blanke veren roodverfde in zijn worsteling met de dood. Boutjens sprong gauw opzij om een slag van de vleugel te ontlopen.

‘Kun je het vlees eten?’ vroeg Hajo, wie het moeite kostte, de manke niet te lijf te gaan. Boutjens keek gemelijk op. Hij spuwde op het dek en keerde de jongen zonder antwoord te geven de rug toe.

‘Eten?’ zei een van de omes. ‘Wel nee. Het vlees smaakt sterk.’

‘We vangen ze zo maar. Voor de aardigheid,’ lachte de pokdalige.

‘Zo,’ zei Hajo. ‘Maar als je het hart hebt er nog een te vangen...!’

Hajo werd bij de arm gegrepen. Het was Rolf. ‘Kom, Hajo. Wees verstandig. Ik weet wat beters.’ En hij trok Hajo met zich mee naar de grote kajuit.

Boutjens keek hen met donkere blik na. ‘Ze gaan naar de schipper! Ik zou ze graag de nek omdraaien, maar je moet nog voorzichtig zijn dat je je vingers niet brandt!’

[p. 117]

‘Kom, Boutjens,’ zei Schieltjes Blauw. ‘Laten we nog er eens ingooien!’

Toen stond Padde voor hen. ‘Als jullie het doet, krijg je van mij op je ziel!’

Boutjens was verbluft. ‘Wat zeg je?! Rakker!’

‘Ik zeg, dat, als je het hart hebt nog een van die mooie beesten te vermoorden, je dan van mij op je falie krijgt! Versta je dat, dierenbeul?’ Dikke tranen schoten uit Paddes knipperende oogjes; zijn stem beefde.

‘Daar staat er een te grienen om 'n beetje bloed!’ hoonde Boutjens. ‘Wat 'n papjochie!’

Maar meteen had hij van het papjochie een klap in z'n gezicht te pakken, die niet voor de poes was. ‘Dat is er één!’ riep Padde. ‘En dat is er nog een!’

Vloekend en tierend kwam Boutjens op Padde af. Gelukkig voor de botteliersmaat, namen de omes hem in bescherming. Zelf wilde Padde zijn voordeel daarbij niet inzien. ‘Laat me los! Hij zal op z'n ziel hebben!’

‘Ja, laat hem los!’ siste Boutjens. ‘Hij vraagt er toch zelf om?’ Maar toen de maats niet op zijn voorstel ingingen, wendde hij zich tot zijn twee getrouwen. ‘We zullen er maar geen woord aan vuil maken. Hier met de reuzel! We gooien nog eens in.’

‘Schei er mee uit, manke!’ raadden de omes.

‘En waarom?’ vroeg Boutjens. ‘Vorige reis heb ik er wel 'n dozijn gevangen! 't Zijn mooie beessies!’

‘Laat me los!’ schreeuwde Padde. ‘Ik wil de schurk...!’

Daar kwam Hilke Jopkins aanstevenen. Zonder een woord te zeggen, rukte hij Boutjens het tuig uit de handen en stak het in de broekzak. ‘Bevel van de schipper: er mogen geen albatrossen gevangen worden.’

‘O, is ie gaan klikken!’ zei de manke met verbeten woede. ‘'k Zal hem!’

Maar toen legde de lange Fries een van zijn handjes op Boutjens' schouder. ‘In gemoede,’ zei hij terwijl de manke onder zijn greep ineenkromp, ‘je blijft van hem af!’ Met een verwensing verdween Boutjens in het vooronder.

De volgende morgen vond hij een grote klomp zout in zijn koffie. Met een kreet van afschuw spuwde hij het zwarte vocht weer uit.

Harmen van Kniphuyzen had medelijden met hem. ‘'n Ongelukje,’ zei hij. ‘Kom maar eens hier, dan zal ik je nieuwe inschenken. 'k Heb hier nog een keteltje vol staan, eigenlijk voor de schipper!’ En welwillend glimlachend goot hij Boutjens' kom weer vol. Maar de duvel speelde er mee: de tweede kop was zo mogelijk nog zouter dan de eerste.

Die middag kwam de Kaap in 't zicht. Maar de vreugde hierover was niet zo groot als hij had kunnen zijn. Want de wind woei zo stijf uit het westen, dat men onmogelijk voor anker kon gaan. De zee werd steeds woeliger; de schepen dansten geducht.

Er werd scheepsraad gehouden op de Nieuw-Zeeland. Na lang wikken en wegen besloot men door te zeilen. Al het volk was nog gezond; er heerste voorlopig ook nog geen watergebrek. De twaalfde mei - viereneenhalve maand na het vertrek uit Holland - omzeilde men de Kaap, boog daarna om naar het noordoosten. Tot Terre de Natal toe hield men het land in 't zicht. Het was mooi weer; men onderscheidde duidelijk de rotsplateaus en de kegels van het

[p. 118]

Drakengebergte, waarvan de hoogste toppen tot in de wolken reikten.

De Enkhuizen was bestemd om naar de kust van Coromandel te gaan. Daarom leek het de schipper het best, het kanaal van Mozambique te doorzeilen, om dan te verversen op de Comorische eilanden, westelijk van Madagascars noordpunt. Bontekoe en Pieter Thijsz. van de Nieuw-Zeeland namen afscheid van de gezagvoerder van de Enkhuizen; de heren dronken een glas wijn op de behouden aankomst van alle drie schepen. Een uur later zond de Enkhuizen drie saluutschoten over het water, die prompt beantwoord werden, en week van de twee Oostinjevaarders af. De zeilen werden kleiner en blanker. Toen viel de schemering in en onttrok ze aan het oog.

Dromerig keek Hajo het lichtgrijze schimmetje na. Naar de kust van Coromandel... was dat nog weer iets anders dan Oostinje? Het scheen even ver en geheimzinnig. Hoe groot moest de wereld zijn! In Hajo kwam een stille bewondering voor de schipper die midden in onbekende zeeën zijn collega's vaarwel zei en in vertrouwen op God en op zijn kompas met z'n paar honderd janmaats naar het verre vreemde land voer, waar wellicht geen blank gezicht hem zou verwelkomen. ‘Goeie reis...!’ zei Hajo zacht.

Bontekoe en Pieter Thijsz. stelden hun koers zuidelijk om Madagascar.

 

Op een middag hing de vlag van de Nieuw-Zeeland halfstok.

‘'n Dooie,’ zeiden de maats van de Nieuw-Hoorn tot elkaar terwijl ze er over de verschansing naar stonden te kijken. Tegen de avond hoopte zich op het middendek van de Nieuw-Zeeland wat volk bij mekaar. Er werd een psalm gezongen. Plechtig klonk het geluid van die vele diepe mannenstemmen over het water. Toen werd een plank met een overdekt lichaam erop over de verschansing geschoven. Het lichaam gleed in het water, zonk weg in de diepte. Twee kanonschoten- en de vlag ging weer omhoog.

Maar twee dagen later... hing hij opnieuw halfstok! Toen begrepen de mannen van de Nieuw-Hoorn dat men aan boord van de Nieuw-Zeeland kampte met een meedogenloze vijand: de scheurbuik!

De dag daarop bracht Pieter Thijsz. een bezoek bij Bontekoe. De Bruinvis was geërgerd en prikkelbaar door de slechte toestand op zijn schip en werd zeer heftig toen hem bleek dat Bontekoe zijn koers twee streken noordelijker dacht te stellen dan hem, Pieter Thijsz., goed scheen. Rood van drift stevende hij de kajuit uit, baande zich hardhandig een weg door een groepje verblufte maats, die al 'n tijdje naar zijn gebulder hadden staan luisteren. ‘Vaar waarheen je wilt!’ schreeuwde hij. ‘Voor mijn part naar de hel!’

Bontekoe bleef kalm, zoals zijn mannen dat van hem gewend waren. ‘Ieder zijn overtuiging, makker! Ik wens je goede reis.’

‘Het zal me verwonderen hoelang ik op de rede van Bantam moet wachten voor de Nieuw-Hoorn binnenzeilt!’ donderde de Bruinvis.

‘Ik zal je, dadelijk bij je aankomst met de jol een vaatje Tokayer laten brengen!’ zei Bontekoe vriendelijk terug.

De omes stootten mekaar aan. ‘Die zit!’

De Bruinvis gromde nog wat onverstaanbaars.

[p. 119]

De mannen in de jol beneden sprongen nog sneller overeind dan anders. Ze stootten af en roeiden als was hun leven er mee gemoeid. Maar de Bruinvis ging het nog niet vlug genoeg; hij greep een van de riemen, duwde de maat die er aan zat opzij en roeide, dat de jol er scheef van trok.

De omes van de Nieuw-Hoorn grinnikten. ‘Wat een rare!’

Bontekoe kon evenmin een glimlach onderdrukken. ‘Tóch een kranig schipper, mannen!’

De omes waren vereerd door Bontekoes vertrouwelijkheid. En Floorke, die vond dat hij bij Bontekoe wel een potje breken kon, zei terwijl hij zich achter zijn oor in de rode haarstoppels krabde: ‘Maar je moet geen ruzie met 'm krijgen, schipper: juffer Driestreng ligt altijd klaar! Nee... ik heb jou liever, hoor!’ En toen hij vermoedde dat hij nu wellicht wat te vrijpostig was geweest, keerde hij zich naar zijn makkers: ‘Wat jullie, jongens?’

De omes keken lachend naar het gezicht van Bontekoe.

‘Nou?’ vroeg Floorke. ‘Nou?!’

‘Leve Bontekoe! Leve de schipper!’ brulde de hele troep.

De mannen in de jol hielden van verbazing de riemen stil. ‘Wat moet dat?’ donderde de Bruinvis, en verschrikt trokken ze weer aan, zwijgend glurend naar de Nieuw-Hoorn.

In Bontekoes ogen tintelde iets. Een glimlach om zijn mond verraadde dat de onverwachte hulde hem niet onaangenaam had getroffen. ‘Vooruit!’ zei hij. ‘Haal de bottelier dan maar op! Want daarom is het jullie toch maar te doen.’

Nieuw gebrul. Van het voordek kwamen ook maats aanhollen. Ze roken dat er wat aan 't handje was. Floorke was de man! Verdraaid, die wist overál een oorlam uit te slaan!

 

Maar na het eten maakte de vreugde plaats voor een algemene gedruktheid. Uit gewoonte ging het volk ook die avond weer op het dek, onder de lichtende sterrenhemel, gezelsen, maar het gesprek vlotte niet.

Er waren die middag drie man ziek geworden.

terug  begin  verder