terug  begin  verder

[p. 120]



illustratie

De gevreesde vijand

In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er 's nachts van slapen kon. En elke dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes die verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral dank zij de troostrijke voorspiegelingen waarmee het uitreiken gepaard ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn zolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan vers voedsel.

Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn lichtblauwe, nu flets geworden ogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje werd met de dag spitser en het zweet parelde in zijn stroblonde haren. ‘'k Ga d'r an,’ zuchtte hij. ‘Eerst m'n vader, toen Joppie... wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?’ Lijsken zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van de mond dat hij pijn leed.

‘Heb je pijn?’ vroeg Harmen, die bij Lijskens kooi zat.

Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij: ‘'t Zou beroerd voor m'n moeder zijn als ik d'r an ging. Ik had 'r van deze reis 'n mooie cent kunnen thuis brengen...’

 

De volgende dag hing de vlag halfstok. Lijskens tengere jongenslichaam werd in een zak genaaid en onder het zingen van een psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wensten de kleine blonde koksmaat goede reis naar het oord waar hij geen pijn meer voelen zou.

[p. 121]

Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn overleden vriend uit. Harmen kende Lijskens moeder en zou het haar geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.

De gedruktheid nam met de dag toe. Er waren nu al achtentwintig zieken en dubbel zoveel anderen klaagden over moeheid in de benen. Velen liepen rond met blauwe kringen onder de ogen, vale gezichten en kleurloze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. Tot grote vreugde der zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men hoopte te kunnen verversen. Diede Doedesz., die zich ook al lam voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn beproefde ogen naar land uit te zien. De vierde morgen na het wenden van de steven rezen achter de horizon bergen op.

‘Land! Land voor de boeg!!’ Grote opgewondenheid. De zorgen woeien zo maar de poorten uit.

In de namiddag naderde men het land. Het zag er aanlokkelijk uit. De bergen waren met bossen begroeid en het geheel maakte de indruk van vruchtbaar te zijn. Maar hoe te landen? Zo ver het oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn te bergen. Men waagde het er op, de boot uit te zetten. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig gezonde maats en evenveel geladen musketten weg.

Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te zijn. Terwijl men nog beraadslaagde wat nu te doen, kwamen op het strand naakte, donkere mannen aanlopen, die in luide kreten hun verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen om beter te kunnen zien.

Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z'n broek stevig vast, snoof zo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij door de golven. Tweemaal dreef de branding hem terug; de derde maal wist Floorke er zich doorheen te worstelen. Zijn broek boette hij er bij in; even naakt als de negers waadde hij aan land. ‘Heila! riep Floorke hijgend de verbaasde inboorlingen toe, die tussen zich en dit witte roodharige monster een behoorlijke afstand schenen te willen bewaren. ‘Toenggoe er eens even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan gaan? Jullie verstaan toch Maleis?’

De monden sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels waren het: groot, zwart als houtskool, wollig haar en rijkelijk getatouëerd. Een kwam er met elastische passen of Floorke af, legde hem zijn zware hand op de schouder en wees naar het zuiden. Hij zei iets waar Floorke geen spier van verstond, wees op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar het zuiden.

‘'k Heb je al in de gaten, kameraad!’ zei Floorke verheugd. ‘In 't zuiden landen, hé? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?’ En hij maakte een beweging van kauwen. Het resultaat was dat de mannen begonnen te lachen.

‘Lach als je gekielhaald wordt!’ gromde Floorke. Hij liep het water weer in, stortte zich in de branding.

‘En?’ vroegen z'n makkers, terwijl ze hem in de boot hesen.

‘Verder naar het zuiden... pf! kunnen we landen... pf! En m'n broek... pff! ben ik kwijt.’

[p. 122]



illustratie

‘Kon je de mensen verstaan, Floorke?’

‘Best, schipper. Ik heb nooit moeite met die vreemde talen.’

‘En hoe zagen ze eruit?’

‘Zwart als 'n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van m'n moei!’ Floorkes ogen richtten zich groot, met sprakeloze verontwaardiging naar het strand. ‘Wel sakkerloot! Daar loopt er een met mijn broek aan!’ En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.

Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: Je krijgt van de Compagnie een nieuwe broek, Floorke.’

‘Zo'n beste broek!’ zuchtte Floorke.

Naar het zuiden! Men voer dicht onder de kust, nog weer een hele dag lang, zonder een baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De omes verloren het vertrouwen in Floorkes talenkennis; Floorke zelf schold op de ‘nikkers’, die hem van zijn broek en zijn eer beroofd hadden. Het aantal zieken klom tot boven de veertig.

Padde kreeg het druk met het verplegen van de Schele, die zich ook niet voelde zoals het wezen moest. De drie vrienden zelf waren nog gezond.

De morgen daarop was het land uit het zicht verdwenen. Men zeilde zuidwaarts tot op negenentwintig graden, maar toen zich nog steeds geen land, laat staan Floorkes ankerplaats vertoonde, wendde men de steven weer en voer in noordoostelijke richting tot op zeventien graden. Van daaruit werd de koers besteld op de zeestraat tussen Mauritius en Réunion, in de hoop een van die geide eilanden aan te kunnen doen.

In die dagen had men de tweede dode: Boutjens. De maats hadden zich

[p. 123]

tijdens zijn ziekte weinig om hem bekommerd; het was Hajo geweest die 's nachts, wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich balorig af wanneer Hajo naderde, maar de avond vóór zijn dood tastte hij met zijn vermagerde vingers naar Hajo's handen en vroeg met zwakke stem: ‘Waarom... waarom doe je dat?’

‘Omdat je hier niet één vriend hebt die je verpleegt,’ zei Hajo. ‘O. Ik dacht dat je me alleen maar beschaamd wou maken.’ En Boutjens begon te huilen. ‘'k Heb zo'n pijn, al dagenlang, en ze laten me maar schreeuwen. Vanmorgen is de barbier bij me geweest en heeft me over God en over de hemel gesproken - dus weet ik dat 't met me gedaan is. Onder in m'n kist... ik bedoel natuurlijk m'n scheepskist...’ Boutjens stokte even. ‘Onder in m'n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar is niemand op verdacht, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien zilveren guldens. Die zijn voor jou; niemand anders mag er met z'n vingers aankomen. Pas vooral op dat Schieltjes Blauw het niet in de gaten krijgt.’

Boutjens kreunde en zweeg enige tijd, hijgend van afmatting. Langzaamaan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de ogen.

Toen men hem de volgende morgen overboord liet glijden, zag men onder water de witte buik van een grote haai schemeren. Een kreet van afschuw steeg op uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.

Toen de volgende dag Zwarte Gijs, de smid, op dezelfde droevige wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien toe.

Zwarte Gijs liet in Enkhuizen een vrouw en twee dochtertjes na. In overleg met de schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor de weduwe terzijde te leggen.

Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, om de zieken in het vooronder niet onnodig te herinneren aan wat hun misschien allen te wachten stond. Na twee dagen kreeg men het oosteinde van Réunion in het zicht, liet het schip dicht langs de wal lopen en gooide het peillood uit. Pas op veertig vadem diepte raakte het grond. Niettemin besloot Bontekoe het anker te laten vallen. Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van de ankerspillen en daarna de zware plons in het water. Eindelijk!! Ze kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten de schipper aan land te worden gezet.

Bontekoe keek weifelend naar de arme kerels. Op deze steile kust kon de Nieuw-Hoorn licht afdrijven en dan zou men van de helft van het volk gescheiden zijn. ‘Moed, mannen!’ zei hij daarom. ‘We zullen de boot eerst eens naar de wal sturen, om te zien of er wat te halen valt!’

Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, besprak hij in de kajuit met de koopman het verzoek van de zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen van de zieken op een plaats waar geen ankergrond was.

Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken de boot een eindje het strand op, om te voorkomen dat de opkomende vloed

[p. 124]

hem zou meesleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de hooggespannen verwachtingen van Floorke, die al van verre allerlei heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. In de schaduw van een groep bomen lagen grote schildpadden. Het bos achter de boomgroep weergalmde van vogelgeluiden. Tussen de stammen doorglurend, zagen ze parkieten lustig om twijgjes duikelen. Hoenders vlogen voor de voeten der omes op of scharrelden tussen wilde ananasplanten kakelend in het struikgewas weg. Blauwgrijze houtduiven drukten in een zacht: roekoe...! verwondering uit over de onbekende tweevoeters daar beneden. Het kostte de maats weinig moeite de argeloze dieren buit te maken. Met ananassen, schildpadden en duiven voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.

De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen wat hun makkers van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met de koopman.

Rol schudde het hoofd. ‘Als vertegenwoordiger van de heren bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een waaghalzerij waarbij het slagen van de hele reis op het spel wordt gezet!’

Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. ‘Als vader van mijn maats kan ik er niet toe komen de arme kerels voor de haaien te gooien!’ zei hij toen. ‘En als de heren bewindhebbers zich dat niet kunnen voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de Oost maken!’

Rol boog het hoofd. ‘Ik wens vast te stellen dat ik me verzet heb.’

‘Wil je 't op schrift hebben?’ vroeg Bontekoe schamper. En hij ging naar de zieke omes. ‘Jongens, help mekaar maar in de jol.’

‘Leve de schipper! Hoera!! Leve de ouwe!!’

Of ze gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil meegeven om daarvan een tent op te slaan, verder olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. Hij stapte zelf in de jol om hen weg te brengen.

Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de ogen toen ze in het zachte gras bijeenkropen. ‘We voelen ons al weer half gezond, schippertje!’

De andere maats begonnen een nieuwe onderzoekingstocht. Men ving een tweehonderd houtduiven, reeg de vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. Voorlopig, zolang men niet wist wat dit eiland herbergde, werd voor alle zekerheid een wacht uitgezet.

Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats meegebracht van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde pruimen die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De omes aten tot ze niet meer konden, rookten hun pijpje, keken naar de sterren en vonden het leven nog zo kwaad niet.

Drie uren na zonsondregang keerde de schipper met zijn gezonde mannen terug. Bontekoe beval de boot niet binnen te halen: hij wilde er diezelfde nacht een eind de kust mee afvaren om voor het schip een ankerplaats te zoeken.

Rolf klampte zijn oom aan. ‘Mogen we mee, oom? Hajo en ik?’

[p. 125]

‘Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?’

‘Wij slapen toch niet, oom, zolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi heeft!’

‘Nou, vooruit dan maar!’ zei Bontekoe.

‘Dank u wel, oom.’

Bontekoe liet een welwillende blik over zijn neef gaan. ‘Wat heb je gedurende de reis zoal uitgevoerd? Geluierd?’

‘Ja, oom!’

‘Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden Maleis ken je?’

‘Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saben hari saja adjar.’

‘Mm. - Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?’

‘Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.’

‘Wijs ze me nou eens aan de hemel?’

‘Kan ik niet, oom.’

‘En waarom niet, domoor?’

‘Omdat we hier alleen de zuidelijke sterrenhemel zien, oom.’

‘Goed. Waarom noemen ze ze de Tweelingen? Weet je dat ook?’

‘Nee, oom. U wel?’

‘Nee, aap van een jongen, ik ook niet.’

Rolf trok een zedig gezicht. ‘Kan ik gaan, oom?’

‘Ja, kras maar op!’

Hajo sprong drie el in de lucht toen Rolf hem vertelde dat hij mee mocht. ‘En de schipper gaat ook mee, zeg je?!’

‘Ja.’

‘O, Rolf! Rolf!!’ Hajo maakte een rondedans waarop een Zoeloe jaloers zou worden.

terug  begin  verder