terug  begin  verder

[p. 126]



illustratie

Een nachtelijke roeitocht

Slechts het regelmatig plassen der riemen en het ruisen van de branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig; slechts hier en daar blonk tussen laag gewas en rottende plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water tegen het land op. Even geruisloos zonk het weer terug.

Een enkele maal school de maan achter een wolk. Dan schenen de steltbomen daar op de oever donkere rotsmassa's die dreigend overhelden, en de grillig gevormde luchtwortels, voortkronkelend tot aan de boord van het water, werden venijnige slangen, die elk wezen dreigden te zullen omstrikken en wurgen dat zich in hun bereik waagde.

De monding van een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor de boeg en schoof de boot weer achteruit. Aan de oevers machtige, vreemdsoortige bomen; de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zo dicht was het loof, dat men er de hemel niet door kon zien; de rivier scheen als uit een donkere bergkloof te stromen. Hier en daar dwarrelde een zwerm vuurvliegjes; de maats meenden in de bomen een paar lichtende ogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed geluk een schot op lossen. De uitwerking ervan was verbijsterend: het klonk als duizend musketschoten; het bos weergalmde van doordringend gekrijs, vleugelgeklapper, brekende takken... en naast de boot dook een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht, en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte.

‘Een kaaiman,’ zei de schipper en leunde over de bootrand.

[p. 127]

De maats kletsnat. ‘Verduiveld, ik dacht...!’ - ‘Ja, dat dacht ik ook!’ De humor zegevierde alweer: ‘'k Had 'm best bij z'n staart kunnen pakken!’ roept de lolligste.

‘Nou, en dan?’

‘In 't hondehok leggen tegen de landlopers!’

‘Komaan, mannen, weer verder!’ maant de schipper.

Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, 't is broeierig! Het zweet stroomt tappelings van borst en schouders. Een-twee, een-twee...! plassen de riemen. Een grote vogel glijdt als een schim over het water.

Allengs komen de ruwe varensgezellen onder de indruk van de geheimzinnige stemming van de tropennacht. Ze zingen niet, ze praten niet, ze luisteren beklemd naar de heethijgende adem der stilte.

‘Ssst!’ fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. ‘Hou eens even in!’ En als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers dat in het water drijft.

‘'n Boomstam,’ menen de maats.

‘'k Zal 'm eens kittelen, die boomstam!’ zegt Hilke. ‘Dan zul je een boomstam eens benen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar kalm aan! Mag 't, schipper?’

Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen geruisloos naar de ‘stam’. Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange armen een riem op en...! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog - is een heuse stam.

‘Verdorie...!’ stamelt Hilke. ‘Ik dacht, dat 't een krokodil was!’

‘Had 't hem dan eerst even gevraagd!’ honen de maats. En Floorke meent: ‘Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een huid...! Je kunt er vijf zagen op verknoeien voor ze wat voelen! Waar, schipper?’

Bontekoe glimlacht. ‘Verder, mannen!’

De omes hebben schik en roeien nu alsof het een wedstrijd gold.

‘Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!’ lacht Bontekoe.

‘Makkelijk te verdienen, schipper! - Kijk, Hilke, daar drijft weer wat! Zou je niet...?’

Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water.

Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dan is het weer stil.

‘Wat was dat?’

Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezwete ruggen zo snel af, dat de omes onwillekeurig huiveren. ‘Onweer!’

Niemand heeft gemerkt dat de hemel aan één zijde als met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke wolk voor de maan.

‘Wat zullen we doen, schipper?’

‘Aan je oorlam denken!’

Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderden met veel misbaar uit de waterplanten aan de oever op. Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen doen de bladeren van de bomen geheimzinnig ruisen. ‘Hoe-hoe-!’ zucht de ene windvlaag. ‘Hi-hai!’ spot de andere. Geesten dwalen door de

[p. 128]

lucht. Daar, onder de wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister.

Flits!

Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken zijn nu oogverblindend goud, de stammen van de bomen glanzend smaragd. In hetzelfde ogenblik ratelt een slag die de boot doet trillen; het water schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en zien elkaar in de wijdgeopende ogen. Dan slaat als een vonnis een regen neer die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het water omlaag; de donder wordt er in gesmoord.

De maats schreeuwen dooreen; niemand die een ander verstaat. Hoeft ook niet. Allen weten dat in korte tijd de boot zal zijn volgeregend. ‘Naar de wal!’ is de gedachte, die hen beheerst. Ze roeien als dollemannen; dan, als wortels en planten het roeien onmogelijk maken, duwen ze met de riemen heftig af in de ondiepe grond. Ze springen aan wal, trekken de jol half op het land. Daar schuilen ze, nog wat beteuterd, onder het bladerdak van een reusachtige boom. En ze staan er nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht gebaand, stroomt in goten en gootjes langs de machtige stam omlaag, vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn! De bladeren zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden.

De maats krijgen schik in dat dreunen, daveren, trommelen, spetten; de kitteling van de dikke vallende druppels brengt hen in een roes. Ze trekken de kleren uit, laten het heerlijk verfrissende water over de blote huid gutsen en maken van louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt levenskracht aan bomen en planten; waarom dan niet aan een Hollandse janmaat?

Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te splijten. De grond siddert onder de strieming; door het regengeweld mengt zich het kraken van scheurend hout. Takken worden links en rechts weggeslingerd en uit een zware loofboom, twintig passen van de boom waaronder de schipper met de bootsman staat, ontvouwt zich... is de duivel in het spel?... een zwarte sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, tienduizend dooreenkrioelende gedaanten die zich, tuimelend en schreeuwend, van elkaar losmaken en dan alle richtingen uitfladderen. Ze hebben de vorm van vleermuizen, maar hun vlerken zijn bijna zo lang als Hilkes armen. ‘Kalongs!’ schreeuwen de maats die in Indië zijn geweest hun makkers toe. ‘Vliegende honden!’

De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam gespleten. De witte scheur lekt als een bleke vlam de inktzwarte hemel in. Grote stukken bast liggen overal in het rond. En op de grond wemelt een zwarte hoop krijsende dieren dooreen, die vergeefs proberen op te vliegen; wanneer er zich een uit de hoop wil losmaken, grijpen tien andere hem met de tanden beet. Floorke pakt er een achter de kop, houdt hem zegevierend omhoog. Woedend spert het beest de bek open, klapt met de vlerken, waaraan scherpe nagels zitten.

Het rommelt nu nog slechts in de verte. In het westen tekenen zich tegen de

[p. 129]

donkere lucht grillig gekartelde bliksemflitsen af, gloeien een ogenblik na als vuurpijlen, verbleken dan.

Plotseling houdt de regen op. Geen druppel meer; alleen onder de bomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu langzamerhand. Aandachtig bekijken ze Floorkes buit. ‘Laat eens vliegen, Floorke?’

Floorke gooit het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is het aan een van de vlerken gewond. Het tuimelt in het water, krijst, slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante schiet toe, spert een afschuwelijke muil open en sleurt de kalong de diepte in. ‘Een verschrikkelijk land!’ verzuchten de maats.

De dieren onder de boom zijn voor het merendeel dood of half verschroeid. Hajo vindt er een die met uitgestrekte vlerken op de rug ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zo stevig zijn nageltjes in moeders vacht gegraven heeft dat het Hajo niet lukt, het beestje los te maken. Hij roept Rolf bij het zonderlinge geval.

‘Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met zich mee.’

Hajo krabt zich achter de oren. ‘Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik nooit...!’

‘Heb je soms naar de eieren gezocht?’

‘Jawel!’ zegt Hajo. ‘En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!’

Rolf lachte en Hajo ook. - ‘We moeten verder, mannen!’ klinkt Bontekoes stem.

De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrist en uitgerust springen de maats er in, stoten van de wal en heffen de riemen op. Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen! De hemel wordt weer lichter; hier en daar gluurt een ster tussen de wolken door.

De zandstrook langs de kust wordt allengs breder. - In het oosten kondigt een nieuwe dag zich aan. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de wolken. Het gerucht van de ontwaakte vogelwereld op het land zwelt aan tot een oorverdovend geschetter. Grijze, blauwe, rode, zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen.

Het zal niet zo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer heeft de lucht gezuiverd.

 
‘Slaet den Speck op sienen neck!
 
Slaet op den trom! Riekeldebom!’

zingen de mannen.

De feestelijke morgen drupt als balsem in hun ziel en doet alle leed vergeten.

En ineens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid een prachtige zandbaai! Een baai zo goddelijk mooi dat het hart der omes licht als een veertje wordt. Hier zal de schuit veilig liggen!

‘Wat zeggen jullie van die baai, jongens?’

‘Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!’

[p. 130]

De maats roeiden naar de oever, slepen de jol het strand op en trekken er op uit, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een wonderen die ze te zien zullen krijgen.

De eerste vondst is een groot binnenwater. Het is geheel doorschijnend; de zon doet de heldere bodem blinken.

‘Wedden dat 't zoet water is?’ vraagt Floorke. Hij bukt zich, drinkt en spuwt alles weer uit.

‘Zeker brak, hè?’ informeren de anderen.

‘Hoe kom je erbij? 't Water smaakt fijn. Proef zelf maar eens.’

‘Nee, als het zo lekker is, willen we het jou niet afhalen,’ zeggen de omes.

Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. ‘Gommenikkie, wat een boel vis!’

Allen hollen erheen. ‘Waar zijn ze nou?’

‘Weg natuurlijk!’ is het spijtige antwoord. ‘Als jullie ook zo stampen...!’

‘Hoe zagen ze eruit, Govert?’ vraagt de schipper.

‘Bruin, schipper! Met lange streepjes. En van onderen wit, waar, Rooie?’

‘Ze bennen wel een el lang!’ verzekert Rooie.

‘Daar gaat er weer een!’ Met snelle, sierlijke wendingen schiet een vis voorbij die vrij juist aan Goverts en Rooies gezamenlijke omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooie staalglans en nu het dier zich even omwerpt, flitst een zilveren buik op. Floorke stapt voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een vis toe die iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek... Floep! Weg.

‘Je hadt hem zout op z'n staart moeten leggen!’

‘Praat me niet van zout!’ gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt. ‘Wat was het voor een vis, schipper?’

‘Het leek me een harder toe,’ zegt Bontekoe. Straks, als de Nieuw-Hoorn geborgen is, zullen we eens een net door het water halen!’

Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier gaans.

‘Heila!’ Kijk daar eens!’ Verbluft staan de mannen stil. Uit de bosjes aan de overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-rode vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de poten, torst op een lange dunne hoekig gebogen hals een zware, kromme snavel. Nog twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met grote luchtige passen. Alle vogels blijven onverwachts staan, wenden de koppen in de richting van de schepelingen en stoten in een schorre kreet verwondering uit. Waarop de zonderlinge roze steltgangers bij tientallen tegelijk de bosjes uitkomen en al even verbaasd zijn. Maar lang duurt dat bij de meeste niet. Ze plukken zich ijverig de veren, waarbij ze hun hals in de vreemdste bochten wringen, schrijden waardig het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er even onversaagd hun kop in als Floorke de zijne daarstraks. Maar in het vissen zijn ze gelukkiger dan hij, hier en daar heeft er een al iets spartelends in de snavel.

‘Flamingo's!’ zegt Bontekoe.

De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen naderbij komen. Ze lopen kalm, met statig pootopheffen, een eindje het water in, gun-

[p. 131]

nen zich daarbij de tijd om onderweg een visje te pikken en het met opgerichte snavel door de lange hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen, voor Doris. Maar wat moet hij het beest te eten geven?

‘Visjes, garnalen, krabbetjes...,’ meent Rolf.

‘Nou, zegt Hajo, ‘we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf vangen wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken!’

Aan de bosrand, in de schaduw van de bomen, liggen weer talloze grote schildpadden. ‘Er wonen hier vast geen mensen,’ meent Hilke. ‘Anders zouden de dieren wel schuwer zijn!’

Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout. Orchideeën glanzen in het halflicht onder het loof wonderlijk mooi tégen het donkere hout. De meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde struiken met grote saprijke bessen; lage boompjes die, in plaats van op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als druiventrossen bijeen. En overal tussen de bomen schieten hoge varens op, die hun bladeren, als grote handen met lange spitse vingers, de omes beschermend boven het hoofd houden. Kleine bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg. Er zijn er met heel lange, sierlijke staarten; andere dragen om de hals een dikke bef, als deftige raadsheren; er zijn er met dunne spitse snavels, wel zo lang als het hele lichaampje, en weer andere met een zwierige kuif op de kop.

Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan de dag, alsof er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet één laat zich ook maar in het geringst door de komst van de omes storen. De papegaaien met hun vlamrode staarten draaien nieuwsgierig de kop en krijsen hartverscheurend. Soms vliegt er ineens een vlucht schetterend op.

Men komt aan een smal, snelvlietend stroompje; het water is helder en smaakt heerlijk. De mannen lopen de oever een eindje langs en zien dikke palingen over de bodem kruipen! En dan slaan allen van verrassing de handen ineen, als een koppel ganzen, die van plan zijn een bad te nemen, giegegaggelend uit de struiken komt zetten. ‘We gaan hier nooit weer weg, schipper!’

De Neus heeft een gans beetgepakt en het schreeuwende dier zonder veel omslag de nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug maken dat hij wegkomt, want de makkers van zijn blank gepluimd slachtoffer komen sissend, de bek wijd opengesperd, op hem af.

‘Mannen!’ zegt Bontekoe, ‘we zullen nu teruggaan en het schip de baai binnenloodsen. Het zal hier zowat vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.’

En zo keren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo's nu al geen aandacht meer aan hen wijden.

‘Nou zul je eens wat zien!’ voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in de handen en rent op de vogels af, die daarop verschrikt de vleugels openen. En de omes krijgen zo iets wonderlijk moois te zien, dat hun monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen, dat als een heerlijke bloemenweelde ten hemel stijgt.

[p. 132]

‘Heb ik te veel gezegd?’

De maats staren sprakeloos naar boven.

Dan springen ze in de boot en roeien weg.

Naar de zon te oordelen, zal het een uur of acht in de ochtend zijn. Er is wat wind gekomen; het zeil kan gehesen worden. Men hijst uit louter plezier ook de vlag, die in het achterkastje ligt opgeborgen. In de gemakkelijkste houdingen die ze maar bedenken kunnen, liggen de omes door mekaar, laten hun vingers door het frisse, stralend blauwe water slieren, spreken opgewonden over hun avonturen van de afgelopen nacht en over wat straks komen gaat. En ze jammeren in koor hun uitgebreide repertoire scheepsliedjes uit - het ene nog treuriger dan het andere.

Want vrolijk zingen doet een Hollandse janmaat wanneer hij moeilijkheden heeft waartegen hij zich schrap moet zetten. Gaat alles voor de wind, zoals op die heerlijke morgen, dan is geen wijsje hem treurig genoeg.

 

Zeven uur later lag de Nieuw-Hoorn aan beide ankers veilig gemeerd in de baai, die met algemene stemmen: de Flamingo-baai was gedoopt.

De zon brandde.

terug  begin  verder