terug  begin  verder

[p. 133]



illustratie

De horen des overvloeds

Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken en je had wildbraad zoveel je maar wilde, jongens! Zes man togen er met de zegen op uit en trokken die door het brakke binnenwater; in een ommezien hadden ze het net vol.

Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje waarin het van vette paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, maar ze glipten hem tussen de vingers door.

‘Ik weet beter!’ zei Harmen. ‘We trekken onze hemden door het water!’ Hij trok zijn hemd uit, legde er een stevige knoop in.

‘Je mag er nòg wel een paar knopen in leggen,’ meende Rolf.

‘Vanwege die paar scheurtjes die er in zitten?’ vroeg Harmen geringschattend en stekelig. ‘Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we dat er nog overheen!’

Hajo stond bereidwillig zijn hemd af, en met veel succes werd het ‘net’ door het beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om zijn kuiten dichtgebonden, om er de palingen in te kunnen opbergen. ‘Ze bijten niet!’ stelde hij zijn makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren er in weg liet glijden. Eindelijk spande de broek aan alle kanten en deinde geheimzinnig op en neer.

‘'n Rotgevoel!’ bekende Harmen.

Andere maats waren op de duivenvangst gegaan. De mooie grijsblauwe vogels werden zonder moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het was hartbrekend te zien hoe de makkers van de arme gevangenen hun leven waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen dapper voor hun soortgenoten op, vlogen krijsend om de hoofden van de mannen heen, die

[p. 134]

zo'n kromsnavel hadden weten, te bemachtigen. Soms werd een ome dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze konden zo gemeen bijten!

Padde was te opgewonden om zich tot één ding te kunnen bepalen. Hij verscheen overal ten tonele waar zijn hulp niet verlangd werd, liep boos weg wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en beperkte zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. Intussen bleef hij steeds gereed om in een boom te springen wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elke stam waarachter zich een menseneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld.

Op het strand was een stelletje maats bezig met het vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden. Ze werden met stokken omgekeerd en weggesleept naar de plaats waar Bolle de kombuis had opgeslagen.

Padde besloot op z'n eentje aan het werk te gaan. Maar terwijl hij het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, probeerde om te wentelen, ontdekte hij onder de schildpad een gat in het zand, en in dat gat lagen talloze kogelronde eitjes, zo groot als die van een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. ‘Kom eens hier! Kom eens kijken!!’

De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, een ome met een lange hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, die al tweemaal Bantam en Sumatra had gezien, griste zonder veel omhaal van woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.

‘Geef hier!’ riep Padde. ‘Die eieren zijn van mij!’

‘Blijf er nog maar wat bij wachten,’ ried Gerretje aan. ‘Hij legt er nog wel net zoveel bij!’ Gerretjes bewering klonk wat kras, en Padde geloofde er geen laars van. In zijn woede gaf hij Gerretje, die zich juist grinnikend over het laatste handjevol eieren boog, een ferme klap op de volle muts. Toen maakte hij dat hij wegkwam terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruif uit nek, oren en ogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was Padde. Hij nam zich voor bij de schipper zijn beklag te doen.

Maar nog op zoek naar Bontekoe, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren kerven in de stam aangebracht en daaruit droop een dik wit vocht omlaag, precies in de pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook eerst eens, doopte toen vol vertrouwen duim en wijsvinger in de pot en likte ze af. Hij stelde vast dat de witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in de pot. Tot het onverwachts harde noten op zijn hoofd en schouders regende. Uit de hoogte, van onder de lange gevederde bladeren van de gekerfde suikerpalm, schreeuwde de Neus: ‘Beroerde kerel dat je bent!’

Padde blikte, star van schrik, omhoog. Pas toen hij zeker wist, dat het alleen maar de Neus en geen menseneter was die zich daar onder het bladerdek verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. ‘D'r is voor geen duit smaak aan!’ verklaarde hij.

‘Blijf er dan af met je gapjatten!’

‘Als je nog één woord zegt, trap ik de hele boel om!’ zei Padde. En om te

[p. 135]

bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak hij pardoes zijn hele vuist in de pot.

‘Wel sapperloot...!’ was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.

Padde ging, al slikkend, zijns weegs. Ja, zó was hij in die zoete bezigheid verdiept, dat hij niet eens merkte hoe een wesp, eveneens aangetrokken door de zoete geur van het palmvocht, onder tegen zijn hand ging zitten. Maar plotseling voelde Padde een hevige steek; hij slingerde het monster van zich af, schreeuwde of hij vermoord werd en stak zijn hand in de mond om de pijn weg te zuigen.

Paddes stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging op zijn rug drijven en speelde walvis door zijn vingers op de lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij wilde ook duiken, sprong van een overhangende tak het water in, maar kwam onzacht neer op zijn maag. Daarna gaf hij het zwemmen op.

Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje eraan waarin letters waren gegrift. ‘Lees dat eens, Vader Langjas!’ zei hij en duwde de barbier, die kruiden aan het zoeken was, het bordje onder de neus.

De barbier zette zijn bril op. ‘Ick, Adriaen Maertsz. Block, commandeur van...! - Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom je er aan, Padde?’



illustratie

[p. 136]

‘Gevonden!’ zei Padde. ‘Ik dacht wel dat het letters waren; daar heb je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?’

‘Wel, vrindje, hier staat...’ - en Vader Langjas zette zijn bril recht - ‘hier staat dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heren 1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op de kust enige manschappen verloren doordat een sloep in de branding is stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. Block gehoord?’

‘Jawel,’ zei Padde. ‘De schipper van de Hoornse Zon heet Blok.’

‘Zo...’ weifelde Vader Langjas. ‘'t Is een admiraal, weet je? Op de Afrikaanse kust heeft hij met dezelfde dertien schepen waarvan hij hier spreekt een Spaanse vloot verslagen.’

‘Merakel!’ verklaarde Padde. ‘En dan te bedenken dat hij nou met z'n smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!’

 

Men hield die middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan het spit gebraden en met schildpadvet bedropen zodat ze glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf een flamingo waarvan hij alleen de dikke vlezige tong, die de hele ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolles gezicht en zijn genoeglijk smakken en vingers aflikken te oordelen, moest een flamingotong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich voor, de volgende dag ook eens zo'n rood gepluimde gast bij de staart te pakken. Palingen en andere vissen zwommen eerst in sissend, pruttelend vet en daarna in hongerige magen. Een berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om mee te besluiten; bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt met schijfjes ananas er op en begoten met kokosmelk.

Tijdens de maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de schemering in. Het schijnsel van de lustig dansende vlammen der spitvuren werd als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze aansnorren, en ze zoemden zo lang boven de vlammen tot ze er met verschroeide vlerkjes in tuimelden.

Men sloeg tenten op voor de nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen ook een stuk zeil weten te veroveren, spreidden dekens uit op de grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en voelden zich als in een paleis.

De omes die hun tent klaar hadden staken een pijpje op en keken naar de sterren. Harmen haalde zijn viool en speelde om beurten met Hajo; de omes wisten haast niet wie mooier speelde.

Zo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, hoorden niets meer dan het tsjirpen van talloze krekels, het snorren van een nachtvlinder, een enkel krijsgeluid ver weg in het bos.

Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes die hij in de loop van de middag voor dat doel gevangen had.

[p. 137]

Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd, de ogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.

‘Hajo?’ vroeg Padde zacht. ‘Hoe lang zijn we nou al uit Hoorn weg?’

‘Hoe lang? Een... een halfjaar zo wat.’

‘'n Half jaar...!’ zuchtte Padde. ‘Ik zie me nog op Gerrits kooi op de steiger zitten! Waar is Gerrit nou?’

Vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom gezet. - Gerrit!’

‘Ka!’ schreeuwde Gerrit slaapdronken. Hij maakt even een beweging als wilde hij van de tak fladderen waarop hij zat, bedacht zich toen en borg resoluut zijn zwarte kop weer tussen de veren.

‘Wel te rusten,’ zei Hajo.

Padde staarde afwezig voor zich uit. ‘Ja, ik zie me nog op Gerrits kooi zitten. 't Was zowat bij de twintigste paal van de hoofdtoren af. - Zeg, Hajo, zou jij de weg nog kennen, als we terugkomen?’

‘Stel je voor! In 't pikkedonker nog wel! Padde...! Willen we eens een wandeling... door Hoorn maken? Hè?’

Padde begon te grinniken. ‘Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven uit?’

‘Nee, we beginnen in de Bagijnesteeg! 't Is avond; we hebben al gegeten en jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, over het kippenhok en door het hofje naar buiten.’

‘Wat gaan we doen?’ vroeg Padde opgewonden. ‘Appels rapen in 't Sinte-Clarens?’

‘Eerst het Gerritsland af!’

‘Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!’ zei Padde. ‘Daar spelen de anderen nu mooi weer mee!’

‘Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.’

‘Natuurlijk!’ zei Padde. ‘Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens willen doen.’

‘Ja. Tollen is leuk,’ gaf Hajo toe. - ‘Nou, we lopen om de Grote Kerk. Zeg, zouden de steigers er nog staan?’

‘Vast! De Grote Kerk, da's net als de toren van Babel - die komt nooit af.’

‘Zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats van naar 't Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!’

‘'k Heb juist zo'n trek in appels!’ zei Padde.

‘Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje Majoorske nog bij de kerk staan?’

Hajo bootste een krijsende vrouwenstem na: ‘'n Duit 'n oliekoek, jongens! Geert heit ze zelf gebakken!’

‘Hè-hè-hè!’ grinnikte Padde, terwijl hij z'n buikje vasthield. ‘Hè-hè-hè!’

‘Ach, 't is 'n arm, zwak mensje,’ zei Hajo. ‘Ik had vaak met haar te doen!’

‘Dat dacht je maar dat ze niet sterk is! Vraag Geert maar eens; die loopt altijd met builen!’ Padde trok z'n benen omhoog, sloeg er de handen omheen en zei: ‘Vrouwen zijn tangen.’

‘Wat een onzin!’

‘Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!’

[p. 138]

‘Goed,’ moest Hajo toegeven. ‘Maar als je nou weer m'n moeder neemt...!’

‘De goeien niet te na gesproken!’ zei Padde. ‘Mijn moeder is ook een beste, hoor!’

‘Nou juist! En mijn zusjes? Antje! En Maartje! En Truitje! En Sijtje!’

‘Meisjes zijn altijd lief,’ stelde Padde vast. ‘Maar later worden ze tangen. Ik ken d'r maar eentje die haar leven lang 'n beste meid zal blijven!’

‘Wie dan? Truitje Cannegieter?’

‘Die?! Die wordt een helleveeg.’

‘Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje Scheelzwam?’

‘Praat me dáár niet van,’ zei Padde. ‘Als die eenmaal getrouwd is, kun je ze onder water stoppen, weer uitwringen en op de bleek te drogen hangen, en dan zal ze nog haar grote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch niet wie ik bedoel.’

Maar Hajo gaf het niet op. ‘Jansje Bezem dan soms? Uit de Hanekamsteeg?’

‘Laten we maar weer doorlopen!’ stotterde Padde. ‘We moeten nou de Botermarkt over!’

‘Ik heb je in de gaten,’ zei Hajo.

Padde werd vuurrood. ‘Gaan we nou, nee of ja!’

‘Goed,’ zei Hajo lachend. ‘En dan de Gouw en de Turfhaven langs. - Nou, dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens of er een nachtwacht in de buurt is?’

‘Wel nee! Je hoort Joris op een kwartier afstand al aankomen. Hij zal wel ergens zitten te maffen!’

‘Nou, ga dan maar op m'n rug staan! Kun je?’

‘Ja, best,’ zei Padde. ‘Ziezo, nou zit ik op het muurtje en spring de tuin in. Verdikke, wat zijn de appels dit jaar groot! En vòl dat de bomen zitten!’

‘Ik ben al bij je, Padde! Nou maar voorzichtig aan.’

‘Mmm! Wat zijn ze lekker!’ Padde smakte met de lippen.

‘Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?’

‘Mijn zakken zijn al stampvol.’

‘De mijne ook! Ga maar weer op m'n rug staan, dan piepen we 'm!’

‘Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale Dries aan!’

‘Verjoppie! Zo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Lopen, Padde! Lopen!’ En de beide jongens stampten met de voeten op de grond, om aan te duiden hoe hard ze vluchtten. ‘Lopen! Ze krijgen ons nooit! Hoor je Kale Dries razen en schelden? - Ziezo, nou geven ze het op.’

‘Was me dat hollen...’ zuchtte Padde. ‘Wat doe je nou met je appels, Hajo?’

‘Ik bewaar er een paar voor Doris en m'n zusjes.’

‘Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. 't Moeilijke is voor mij om de appels in huis te smokkelen zonder dat m'n moeder het merkt! Ze zit natuurlijk nog te naaien, hè?’

‘Ja,’ zei Hajo in nadenken. ‘Zeg, Padde... wat breng jij voor je moeder mee?’

‘Ikke? Een kleedje voor zondags op tafel; het onze is op de hoeken zo gesleten, je zult het wel gezien hebben. En een koperen test, zoeen als we vroeger in de stoof hadden vóór vader 'm...! Dacht je dat ik voor m'n vader wat mee-

[p. 139]

breng? Nog geen knoop voor z'n broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben en m'n moeder ook. 'k Zal zien of ik er een met 'n randje kan krijgen, net als vrouw Schimmel uit ‘De Gouden Gaper’. Nou, en een voetenzak heeft m'n moeder ook nodig, als ze 's winters zit te naaien. Ze zal er voor zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk omhad, verloren. 't Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijen! Nou, en dan zijn de gordijnen zo gerafeld, weet je, 't is een schande voor de buren, en in de mooie kast zitten wormen; zou je ze niet, de sallemanders? - Wat koop jij voor je moeder?’

‘'t Mooiste wat ik zie! Misschien wel een koperen olifant om aan de lamp te hangen! Of een glazen bol met een zeegezicht erin! Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!’

‘Nutteloos goed,’ meende Padde. ‘Weet je wat je moeder hoognodig heeft? 'n Doordeweekse rok!’

‘Natuurlijk,’ haastte Hajo zich te verklaren, ‘'n rok neem ik ook mee. Liefst een met zilverdraad bestikt, zoals die dame, weet je wel, uit dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m'n olifantje voor de lamp en m'n aap en m'n flamingo. Ik ga regelrecht naar huis! En jij?’

‘Ik zeker niet?!’ En Padde zuchtte diep.

Ze dachten beiden lang en diep na. Ineens viel het Hajo op dat Rolf gedurende hun hele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. ‘Laat eens kijken je torretjes, Rolf?’

Rolf knikte. Maar plotseling keek hij verschrikt naar de insecten die hij vóór zich op zijn helder witte zakdoek had neergezet, en bedekte ze snel met de handen.

Te laat: Hajo had het al gezien. Op de zakdoek lagen niets dan uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje rondkruipende lichaampjes. ‘Waarom heb je dat gedaan, Rolf?’ vroeg Hajo zacht en verbaasd.

Rolf was bloedrood geworden. 'k Heb het... gedachteloos gedaan...’ stotterde hij. ‘Ik heb naar jullie geluisterd en...’ Rolf keek met opeengeperste lippen een andere kant uit.

Toen bekroop Hajo een groot gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het beklemmend eenzaamheidsgevoel te bevrijden waaronder hij leed.

Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.

‘Nee maar!’ zei hij verontwaardigd. ‘Die arme beestjes de vleugels uit te trekken! Ze moesten jou eens zo te grazen nemen!’

‘Laat me!’ siste Rolf. Hij duwde Padde ruw ter zijde, sprong op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met grote passen tussen de bomen.

‘Lelijke dierenbeul!’ schold Padde hem nog na. En toen tot Hajo: ‘Eerst die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! 'n Mooie vrind heb jij! Kom, laten we maar gaan slapen!’

[p. 140]

‘Ga jij maar,’ zei Hajo. ‘Ik blijf nog even op.’

‘Wou je soms nog op 'm wachten ook?’

‘Ga nou maar, Padde.’

Padde werd spinnijdig. ‘Knap dan maar, jij ook,’ zei hij vinnig. En hij verdween in de tent.

Hajo wachtte. Duizend dingen gingen hem door het hoofd. Nu, in deze geheimzinnige tropennacht ver van huis, besefte hij voor het eerst in zijn leven hoe bevoorrecht hij was. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te doen. En voor Rolf wilde hij altijd een goede kameraad zijn.

Een tak kraakte; hij schrikte uit zijn overpeinzingen op. Hoe lang had hij hier wel gezeten? Hij zag tot zijn verwondering dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te voorschijn, liep met gebukt hoofd naar de tent.

‘Rolf!’ riep Hajo zachtjes en sprong overeind.

Rolf stond stil, keek Hajo met grote ogen aan. ‘Ben je nog niet gaan slapen?’

‘Ik heb op jou gewacht.’

Rolf bleef roerloos staan. Zijn gezicht, toch al bleek in het maanlicht, scheen nog bleker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem zwijgend de hand.

‘Kom,’ zei hij toen, ‘'t is al laat.’



illustratie

terug  begin  verder