terug  begin  verder

[p. 158]

De Neus schiet een musket af

Er werd besloten dat de grote boot onder leiding van de schipper zelf naar Madagascar zou oversteken, om eens te onderzoeken of daar misschien nog een goede voorraad vruchten zou zijn op te slaan, want alles bij mekaar had men toch nog niet genoeg vers voedsel aan boord om de grote overtocht te mogen wagen. Daar de tweede stuurman ook zou meegaan en de opperstuurman met koorts te kooi lag, was het aan Folkert Berentsz. om zo lang het bewind aan boord te voeren. Dat zag er niet mals uit voor de jongens! Want er was dagenlang niet gepoetst, en de bootsman zou stellig bij Bontekoes terugkeer de Nieuw-Hoorn blinkend gepoetst en geschrobd willen afleveren.

‘Jongens,’ zei Harmen, ‘we moeten er ons zien uit te draaien, anders loopt het mis.’

‘Hoe: mis?’ vroeg Padde.

‘Wel, de bootsman wil van de schuit een porseleinkastje maken. Door 't lange liggen is er mos aan de kiel gekomen. Dat mogen wij er met een pennemesje weer afkrabben. En de poorten uitpulken! En de ankers poetsen tot ze glimmen als vishaken! En weet je wat ie jou wil laten doen?’

‘Nou?’ vroeg Padde.

‘'t Zal je niet meevallen! Op het topje van de grote mast ligt wel een vingerdik stof, dat moet jij er met je tong aflikken! En je moet met een lantarentje het grootzeil afzoeken of er de mot in zit, en als je er een vindt, moet je hem levend vangen en aan de bootsman geven, dan kan die hem laten kielhalen.’

‘Jawel!’ schimpte Padde. ‘Ik zal me door de bootsman laten commanderen! Ik sta vlak onder de bottelier!’

‘Ja, veel plezier!’ dichtte Harmen. ‘En de bottelier staat vlak onder de bootsman. En als de bootsman diksi zegt, kun jij stof aflikken en motten vangen. Nee, we moeten zien klaar te spelen dat de schipper ons meeneemt in de boot! - Afijn, kom maar eens mee, jongens! Ik zal wel zo kletsen, dat ie toegeeft!’

Zo togen de vier in optocht naar de grote kajuit. Bontekoe was alleen. Dat trof! Want geen van hen had het erg op de koopman begrepen.

‘Wat komen julle doen?’

‘Schipper,’ begon Harmen met een ernstig gezicht, ‘we hebben er eens over nagedacht en... hm! we hebben hier morgen aan boord tóch niks te doen... eh, geloof ik, en daarom dachten we... hm!’

Er tintelde iets in Bontekoes ogen. ‘Moeten jullie alle vier mee?’

‘Alle vier,’ haastte Padde zich te verklaren.

Harmen geloofde dat hij de zaak gewonnen had. ‘Weet je waarom Padde mee moet, schipper? Omdat we wel eens op menseneters zouden kunnen stuiten!’

[p. 159]

Padde verbleekte.

‘En als dat dan eens gebeurde?’ vroeg Bontekoe met heimelijke pret.

‘Wel, schipper, wie van ons zouden ze uitpikken om in de pot te stoppen? Padde natuurlijk! En wij lopen allemaal vrij!’

‘Wá-blief?’ stamelde Padde.

‘Nou, gráág of niet!’ zei Harmen. ‘Als jij liever wilt poetsen...?’

‘Vooruit dan maar!’ zei Bontekoe. ‘Dus morgen vroeg alle vier klaar bij de jol!’

‘Ik ga niet mee!’ zei Padde vastbesloten.

Harmen gaf hem een stomp. ‘Ben je stapel?! Bevel van de schipper!’ fluisterde hij.

‘Ik zal wel poetsen!’ jammerde Padde.

 

De volgende dag bij zonsopgang vertrok de jol, en de jongens gingen mee.

Het was weer een morgen uit duizend: een droge oostenwind maakte het mogelijk het zeil te voeren. Zachtjes glijdend op een kalme golfslag koerste de jol in westelijke richting. De omes pruimden, rookten, gaven mekaar raadsels op, hakten op over hun hachelijke avonturen. Harmen zette geurige koffie; slurpend, smakkend werden de kommetjes leeggedronken.

In de middag kwam Madagascar in zicht; een blauwgroen streepje aan de horizon; later breidde de streep zich uit. Grijze gevaarten, die men voor wolken had gehouden, bleken bergen te zijn. Een gele strook in de branding duidde op een rivier, die in zee uitkwam. Daarop werd de koers gesteld, en in de avond was de branding doorworsteld en de jol op het strand getrokken.

Men nam de wapens mee en zocht in de vallende duisternis een half uur ver de omtrek af. Geen spoor van mensen.

Aan weerszijden van de rivier rees het bos op, ondoordringbaar door een net van lianen, steltwortels en doornstruiken met stekels groot en scherp als de nagels van een tijgerklauw. Ineens, zonder overgang, de ontzagwekkende meedogenloze stomme strijd van het tropische oerwoud: boomkolos naast boomkolos. Worstelend om licht, verstikt elke boom in zijn schaduw wat zich rondom bevindt. Hier, in dit rijk van de sterkere, is zwakte een schuld waarop de doodstraf staat, en kracht is recht.

Maar ook sluwheid weet er zich te handhaven. Sluw zijn de woekerplanten, de lianen, die, welbewust dat eigen kracht hen niet dragen kan, zich hechten aan de schors van een woudreus en, listig kronkelend, zich voedend met zijn krachtige bloed, hun wegen vinden naar het licht, daarboven.

Raven cirkelen met naargeestig krassen om de toppen, of hokken in een lange rij zwijgend bijeen als trieste, zwartgerokte gasten in een dodenhuis. Onder de takken door fladderen vleermuizen; zij kennen de verborgen gangen in het donkere woud, ze duiken weg en komen weer te voorschijn, onverwachts, met luimig vlerkenspel.

De maan breekt door. Van het water stijgen de avondnevelen op: ijle gestalten in lange, bleke gewaden.

[p. 160]

Wat beklemd keren de omes naar de jol terug. Haastig, zonder veel spreken, worden een paar tenten opgeslagen voor de nacht.

In het oosten licht het rossig tegen de wolken op: de weerschijn van het vuur, dat de bij de Nieuw-Hoorn achtergebleven maats hebben ontstoken, in geval de mannen met de jol nog dezelfde nacht mochten willen terugkomen. Die kunnen het niet laten, hier als antwoord óók een vuur te ontsteken: het doet zo goed, te weten dat daarginds goede vrienden zijn en dat daar hun bovenste-beste schuit ligt, die met zijn opgelapte grote mast voor de drommel bij goeie wind nog twee knopen méér maakt dan elke andere kast en die hen allemaal, jongens van de Compagnie, zal terugvoeren naar dat beroerde kikkerland, waar het toch zo deksels gezellig kon zijn. Waar je in plaats van oerwouden geraniums in een pot voor je venster had staan; naar dat half ondergelopen lapje grond waar je met hard malen en ferme baggerlaarzen nog net doorheen kon modderen; naar dat boter-en-kaaslandje, waar je moei en je meissie kousen voor je breiden en je een fijn bakkie koffie voorzetten uit de ouwe gebarsten koffiepot, die boven het vuur zo lekker knussies roezemoezen kon.

Zuchtend sliepen de omes in.

Maar de volgende morgen waren ze herboren! Even een bad, dan een gloeiend bakkie op je nuchtere maag, de tenten ingepakt, een stuk rogge achter je kiezen, en zingend en kauwend tegelijk roeiden ze de jol de rivier op. De monding was breed, wel een kwart mijl, en in het midden liep een diepe vaargeul. Maar allengs werd de rivier smaller, en verspreid liggende rotsstenen bemoeilijkten de vaart. De zware donkere loofbomen op de oever begonnen langzamerhand geheel te overheersen, drongen het lichtgroen gebladerte van de palmen terug. Hier was geen zuchtje wind meer; de omes moesten de riemen uitgooien. Het zweet stroomde hun van het naakte bovenlijf.

Tussen steile wanden gleed de jol langzaam stroomopwaarts. Aan vooruitstekende rotspunten hadden zich planten gehecht, waarvan de bloemrijke stelen in sierlijke val omlaaghingen. Zwaluwen scheerden rusteloos heen en weer door de tot een kloof vernauwde rivier, doordringend tsiep-tsiep! roepend, waarschijnlijk uit bezorgdheid voor hun nestjes, waarvan de plaats door een streep vuil makkelijk te raden was. Hier en daar hing aan een boomtak een geelgrijs wespennest, omzoemd door een dichte zwerm.

Pats! Een paar stenen of noten - wat waren het? - vielen in het water! De maats keken op. Waar kwamen die dingen vandaan? Pats! Een nieuwe laag. Twee kletterden in de boot neer - het waren noten. Wat bewoog zich daarboven in de takken? ‘Apen!’ riepen de maats.

Pats! Een nieuwe laag. Padde kreeg een noot op zijn gezicht, juist toen hij angstig omhoog keek. 'n Ferme bloedneus - dat was gelukkig alles. Gerretje laadde een musket met ganzeschroot, mikte en drukte af. Het schot dreunde oorverdovend in die nauwe kloof. Uit hoeken en gaten tuimelden vleermuizen, tolden piepend en krijsend in het rond. Stenen, door de plotselinge luchtdruk losgemaakt, rolden het water in. Maar het schot had doel getroffen. De kop naar beneden, een lange geringde pluimstaart als een vlag omhooggestoken, suisde de aap omlaag, viel tien ellen voor de boot in het water. Een roze sneeuw-

[p. 161]

val van tere bloesems dwarrelde neer en dekte zijn graf. De maats grepen het diertje toen de stroom het aan de jol voorbijvoerde. Drie, vier gaten in het lichte, zachte borstje toonden hoe bitter goed het schot was aangekomen. Het kopje was zilverwit van kleur; een zwarte vlek lag om de nu gesloten oogjes.

In de bomen daarboven waren intussen de andere notenwerpers van hun schrik bekomen: het regende weer noten. De Neus, die een noot tegen zijn wang gekregen had, waarbij zijn oor lelijk gewond was, pakte op zijn beurt grimmig een musket.

‘Laat dat, Neus! Hoe meer je schiet, hoe beroerder we er aan toe zijn!’

Maar de Neus wilde niet luisteren. Hij laadde het musket, drukte af... Boem!

Toen gebeurde er iets onvoorziens. De stenen wand van de linkeroever vertoonde ineens over de gehele hoogte een scheur, er kwam beweging in; een scherp gekraak - toen zakte de wand voorover, kwam tegen de andere wand te staan, brak doormidden en stortte met donderend geweld vlak achter de jol in de rivier. In hetzelfde ogenblik werd de heftig heen en weer geslingerde boot bedolven onder het loof van een zware boom, die door de vallende steenlaag was neergedrukt. Wonder boven wonder, waren ze er niet men hun allen door verpletterd.



illustratie

Lijkwit en geheel doorweekt zaten de omes in de jol, beide handen om het boord geklemd. ‘Daar hadden we slechter kunnen afkomen,’ zei Bontekoe alleen maar.

Een paar maats vonden hun spraak terug en begonnen de Neus de huid vol te schelden. Die zat rondom in het dichte gebaderte, als was hem een feestkrans omgehangen. Maar zijn stemming was allerminst feestelijk; wezenloos, met de ontzetting nog in de ogen, staarde hij naar zijn makkers.

‘Het is een losse wand geweest,’ stamelde Rolf.

‘Laten we allereerst onder de boom zien weg te komen,’ zei Bontekoe. ‘Zometeen gaan we hier kopje-onder!’

Zo was het. Door de plotselinge stremming in de rivier wies het water zienderogen. En doordat de jol onder de boom gekneld zat, moest hij wel vollopen!

[p. 162]

Alle hens aan dek! De maats kapten met bijlen een uitweg voor de jol, die na veel gewurm vrij kwam.

‘Hoe komen we nou terug?’ De weg naar achteren was afgesloten.

‘We zitten als ratten in de val!’

‘Doorroeien!’ beval Bontekoe. ‘Misschien vinden we hogerop een zijrivier, die ook in zee uitloopt.’

Dat was de enige mogelijkheid. Een zijrivier! Pats! de riemen scheerden alweer over het water. Eén voordeel: nu het water was opgelopen, roeide het vrij wat lichter. En de apen waren ze kwijt! Die kwelgeesten schenen de schrik te pakken te hebben.

Wanneer zou er eens een eind komen aan die beklemmend hoge wanden, die slechts op een musketschot schenen te wachten om voorover te vallen en een stel arme janmaats in te sluiten? Bij elke bocht hoopten ze het einde van de kloof te zien. En ten slotte... daar daalden de oevers, en het waterbed verbreedde zich. De omes ademden op.

In de kloof was het koel geweest, maar hier voelden ze de hitte weer geducht. De jol werd naar de kant in de schaduw geroeid en puffend zetten de maats zich neer op een grote rotsbank. De Neus wilde zijn zonde weer goedmaken, ging aan de oever wat hout sprokkelen. In een oogwenk had hij wat licht brandbare takken bijeen en nu werd op de bank met behulp van een paar stenen een oventje gebouwd waarop Harmen zijn koffieketel plaatste. Rolf en Gerretje sleepten een net een eindweegs langs de oever, waarbij ze een aardig partijtje vis vergaarden, die gebakken werd in kokosolie. Toen de hongerige magen gevuld waren, zette men de tocht weer voort.

Aanvankelijk hielden ze het midden van de stroom, maar al gauw dwong de brandende zon hen de schaduw weer op te zoeken, al hadden ze daar ook meer last van stenen op de bodem. Merkwaardig stil was het woud. Soms krijsten papegaaien of verscheurde een onbekende dierenroep de stilte. Maar de stilte sloot zich meteen weer en van de weeromstuit werd er in de jol ook gezwegen.

Allengs werd de rivier nauwer; ze konden nu weer in het midden varen: de bomen aan de beide oevers sloten hun kruinen over het water aaneen.

Een drinkend hert stoof verschrikt weg, het gewei achter in de nek. Steeds dichter welfden de bladerenmassa's zich over de rivier. Hier hing schemerlicht; de zon kon er niet doordringen. De jol schoof onder een boom door waarvan de takken door het water sleepten; aan de twijgen hingen grote groene vruchten, de onderste ervan half door de vissen opgegeten.

Harmen proefde er een. De vrucht smaakte wat wrang, maar koelde de dorst. En de maats plukten wat er maar te plukken viel.

Toen de jol onder de vruchtboom uitschoof, begroette hen opeens weer de volle zon. En zie: badend in die vloed van licht stond daar een boom zo heerlijk mooi, dat de omes er geen woorden voor vonden. Hij was met sneeuw-witte bloesem overdekt en ademde een bedwelmend zoete geur uit. Duizenden vlinders en bonte glanzende kevertjes dwarrelden er omheen.

De bewonderende uitroepen gingen echter in verwensingen over toen bleek,

[p. 163]

dat die prachtige boom een haast onoverkomelijke hinderpaal vormde in de waterweg. Nergens een doorgang! Er met de bijl een hakken! Dat zou weer minstens een half uur ophouden.

Hajo werd door Bontekoe uitgezonden om de rivier hogerop eens te gaan verkennen. Na zich met zijn lenig jongenslichaam door de nieuwe hindernis heengedrongen te hebben, kon hij alleen maar vaststellen dat de rivier verderop steeds meer dichtgroeide.

Men hield krijgsraad. Er zat niets anders op dan toch maar weer terug te roeien en - hoe, dat wist niemand nog! - de jol heen te helpen over de waterval, die door de gevallen rotswand zou zijn ontstaan.

Nog iets anders baarde zorg. De lucht begon te betrekken. Vooraan kwamen een paar donkere wolken, als ruiters op verkenning; daarna een zwarte drom, staag aanrukkend.

‘Een regenboog!’ Daar stond hij, fel en vals tegen het zwart. Maar meteen schoof een loodkleurige wolk voor de zon; de regenboog bleekte weg, en meteen werd alles in schemer gehuld. De hitte nam nog toe, een broeierige hitte die het ademen moeilijk maakte.

Kom, bleef het onweer nu nog lang uit? De spanning maakte de maats prikkelbaar, de hele natuur verlangde naar de eerste, bevrijdende donderslag. Daar kwam hij! Vlak op het weerlicht, dat alles in 't vaalgroen zette. Papegaaien krijsten.

Daar ratelde de tweede slag, een tijd lang narommelend in het bos. Flits! Boem! Driemaal achtereen. Hoor de demonen razen! Ze zitten elkaar na, daar in die zwarte wolkenwereld; ze klauteren op hun gouden rossen en slingeren bliksemstralen om zich heen. Daar komen ze, nieuwe zwarte drommen; ze stuiven voorwaarts, botsen opeen. Rondom grauwen en grommen en grimmig geweld!

Dan... de bevrijding! Daar klettert hij neer, de forse ruisende regen, bevruchtend en heilbrengend. Hij spoelt het zweet van de ruggen, roert het water tot de bruine modder naar boven wentelt.

Voorbij... De maats rekken de verstijfde leden, ademen uit volle borst. Me nieuwe moed pakken ze de riemen op en beginnen de terugtocht.

Heel wat vlugger ging het nu, met de stroom mee; al gauw waren ze weer bij de kloof. Hier werd de jol gemeerd en op een paar hens en de schipper na stapten de maats uit, om de boot zo licht mogelijk te maken, - zo hoopte men de hindernis te kunnen nemen.

Ze namen afscheid. De omes aan de oever klauterden langs de rotsen omhoog en de jol schoot met z'n kleine dappere bemanning de kloof binnen. Er moest heel wat stuurmanskunst worden aangewend om ongelukken te verhinderen. Had men voor enkele uren nog stroomopwaarts geroeid, nu zou daar geen denken meer aan zijn; zo had de regen de rivier doen zwellen. Met grote snelheid dreef de jol in de richting waar donderend geweld de door de omgevallen rotswand ontstane waterval aankondigde; men trachtte de vaart te stutten door de riemen als bomen te gebruiken... vergeefs!

De haren rezen de omes te berge.

[p. 164]

Floorke, handig als de duivel zelf, zette zich in het dansende vaartuigje schrap, gooide een touw als een lasso om een vooruitstekende rotspunt, wikkelde toen met een bliksemsnelle slag het einde van het touw om de roerpin. Een knoop erop waar geen landrot wat van snapte, en de jol bleef met een ruk liggen. Op het nippertje! Met Floorke kon je uit vissen gaan. Er werd nog een touw om de rots geslagen, voor het geval het eerste zou afbreken. Daarna wachtten de mannen zwijgend - het geraas van de waterval maakte elk praten toch onmogelijk - op de komst van de anderen.



illustratie

Die hadden heel wat meer tijd nodig om vooruit te komen en zeker niet minder moeilijkheden te overwinnen. Het was een eindeloos klauteren, een staag voortworstelen door struikgewas en over boomstammen; nu en dan moesten ze zelfs van de ene boom in de andere overklimmen. Een troep apen begeleidde hen daarbij, hield zich de buik vast bij de stumperige klimpartij van die witte monsters. De takken waren glibberig van de regen; om de haverklap gleed een ome uit en kwam wonder boven wonder zonder gebroken benen in de doornen terecht. De maats gingen tot de maatregel over die men in de bergen toepast: een gemeenschappelijk touw verbond hen. Als er nu weer een viel, bleef hij aan zijn riem hangen. Hilke en de Neus wierpen zich als voormannen op; aan hen de taak om met een bijl de versperrende lianen weg te kappen.

Eindelijk kwamen ze bij de jol. Floorke klauterde met nog vijf man over de in het water gevallen rotswand heen naar de andere oever. Meegenomen touwen werden door de maats in de jol onder de kiel doorgetrokken, zodat de boot als in een schommel kwam te hangen.

‘Alles klaar?’ De omes sloegen hun knuisten om de touwen; langzaam werd de kabel, die door Floorke om de rotspunt was geslagen, gevierd; een dozijn gespierde omes tilden de jol op, droegen hem over de gevaarlijke plaats en lieten hem met kleine rukjes zakken tot hij weer op het water lag. Oef...! dat was goed gegaan.

Mannetje na mannetje liet zich daarna weer in de jol glijden. Toen allen aan boord waren liet men de touwen los, en de jol gleed weer voort in de bruisende stroom. Even later schoten ze de kloof uit. Gered! Nu pas zagen ze dat de zon al achter de bergen zat. En bij het naderen van de riviermonding viel de duisternis in. De maan was vol, maar school telkens achter donkere wolken.

[p. 165]

Heimwee bekroop de maats, heimwee naar hun schip, naar hun makkers, naar het vooronder, naar het veilige gevoel weer een Hollandse bodem onder de voeten te hebben. Hoewel de lucht er dreigend uitzag, had niemand lust om aan land te overnachten, en Bontekoe zei de mast op te zetten en het zeil te hijsen - men koos zee.

De wind stak bij vlagen op, rukte luimig aan het zeil, deed de jol soms sterk hellen. Men hield de kop van het vaartuigje zoveel mogelijk recht in de golven, maar de zee was al even luimig als de wind: telkens kwam vóór men erop verdacht was een zware zijdelingse golf die de jol hoog optilde en weer in de diepte kwakte, zodat de omes voor de zoveelste keer doorweekt waren.

Steeds woeliger werd de zee; steeds heftiger drukten de windstoten in het zeil.

De jol schepte water. Baliën! Gelukkig had men putsen meegenomen. Verjoppie, daar dreigde het stuurboord voor de tweede maal onder water te schieten; de mannen lieten zich naar bakboord vallen; de mast kraakte onder de hevige druk.

‘Zullen we reven, mannen?’ vroeg Bontekoe.

‘We kunnen het nog wel even houden, schipper!’

De maats hadden schik. De jol lag vast genoeg; ze zouden wel zorgen dat-ie niet kiepte. Hoe gauwer thuis, hoe liever! Ze hebben de putsen klaar om te baliën-jongens van stavast, wà-blief? Kennen de zee als moeders wastobbe. Hei! wat schoot de jol door die golf! Hoe smeuïg doopte die, bij het afglijden van zo'n gladde golfrug, z'n neus in de volgende!

Opeens...! Aan bakboordzij een hoge, donkere muur; de jol werd weggezogen, tegelijkertijd overkruifde hen van achteren een andere golf; een witte mantel van schuim werd hoog over de jol uitgeworpen - toen kregen de arme kerels, die van schrik overeind gevlogen waren, de volle lading binnen. Baliën!’ Ze voelden nog bodem onder de voeten; de jol dreef dus, al lagen de boorden zowat met het water gelijk. Hijgend en vloekend van angst hoosden de omes. Wie geen puts had, wierp met handen en mutsen het water terug. Bontekoe greep een vaatje olie en goot dat aan bakboordzijde leeg. Daarna spande hij samen met Hilke, terwijl de anderen nog druk aan het baliën waren, een zeiltje over de plecht, om het water af te weren. En toen het hozen gedaan was, werd ook het gedeelte achter de mast overspannen; alleen voor de man aan het roer bleef een plaats vrij. ‘Als we nou kiepen, kunnen ze tenminste zeggen: samen uit, samen thuis!’ merkte een grapjas op.

‘Het vuur!’ riep de stuurman. De maats gluurden onder het zeiltje door en zagen de rosse schijn. Dat gaf moed!

Een golf van heb-ik-jou-daar mepte op het zeil. Als dat zeiltje er niet geweest was, nou! Ze sjorden het voor alle zekerheid nog wat steviger vast. Hopsa! Kon men ergens ter wereld lustiger dansen dan op zee? De leut was er bij de omes niet meer uit te krijgen. Ze brulden daar onder hun zeiltje alle deuntjes die ze kenden. Binnen het uur zouden ze veilig op één oor liggen!

Maar de pret dreigde lelijk verstoord te worden. Een windvlaag drukte de jol zo ver naar bakboord door, dat het water weer over de gehele breedte naar binnen stroomde. Snel als de weerlicht trok de Neus z'n mes en sneed met

[p. 166]

één ruk het strakgespannen ondertouw door, waaraan de boom met het zeil uit alle macht trok. De boom draaide weg, sloeg in het water; het zeil vloog in flarden. Maar de jol richtte zich overeind, al stond hij ook weer half vol water. De maats hoosden wat ze konden - en scholden de Neus uit voor al wat lelijk is. Want bij een ongeluk behoort een zondebok.

Maar ditmaal was de Neus terecht overtuigd, de jol en al zijn makkers voor een wisse ondergang behoed te hebben.

Geen zeil meer? Roeien dan maar! De golfslag werd minder hevig: ze naderden land. Daar dook de verlichte Nieuw-Hoorn achter een waterrug op!

Moed, jongens!

Een half uur later zagen ze gestalten op het dek. ‘Ahoy!’ riepen de omes, staken de lantaren aan en zwaaiden er mee. De wacht in 't kraaiennest antwoordde. De maats voelden zich al weer thuis. ‘Blij toe, jongens!’

‘Nou!’ In de kombuis werd licht opgestoken. Beste, brave Bolle! Ze roeiden naar de lijzijde, grepen de touwen die hun werden toegeworpen en sloegen ze door de hijspinnen.

Toen klauterden ze stuk voor stuk langs de valreep omhoog. Padde, meer dood dan levend, moest door twee man gesteund worden.

‘En? Hoe hebben jullie 't gehad?’

‘'n Fijn toerde! De Neus heit half Maddegasker an puin geschoten.’

‘Is 't waar, Neus?’

‘Op je gezicht! Als ik er niet was geweest, waren we met z'n allen naar de haaien gedoken!’

In optocht, met van vermoeidheid knikkende knieën, begaven de teruggekeerde omes zich naar de kombuis, waar ze gretig de gloeiende koffie opslurpten die Bolle ondanks het late uur voor hen had gezet, toen de wacht hen in zee had gesignaleerd. De natte kleren van 't lijf, droog ondergoed aan en onder de wol. Hè!

Ze snurkten...! 't Was bij de varkens af, vond een maat, die twee dagen lang gepoetst had en daarbij alle levensvreugde was kwijtgeraakt.

De koopman ontving Bontekoe gekleed in de kajuit. ‘En heeft de reis wat opgeleverd?’ vroeg hij.

Pas nu kwam Bontekoe tot het besef dat de tocht geheel vruchteloos was geweest. In zijn vreugde over de gelukkige afloop na alle doorstane gevaren, was hem dat helemaal door het hoofd gegaan. Nu ineens stond hij voor de nuchtere vraag wat de tocht had opgeleverd.

‘Een nat pak kleren,’ zei hij.

‘Daar heeft de Compagnie niet veel aan!’ meende Rol glimlachend.

‘De Compagnie!’ Hoe langer de Nieuw-Hoorn op reis was, hoe dieper zich in Bontekoe onbewust het gevoel geworteld had dat het schip van hém was en van z'n tweehonderd kerels, die er elke dag hun leven voor veil hadden. Hij voelde zich, ook nu weer na die korte worsteling met de zee, heer en meester op de Nieuw-Hoorn. En de koopman, de bloedloze rekenaar die voor geen avontuur in gloed te zetten was, de stille potkijker die hij, schipper Bontekoe, nog als lichtmatroos niet kon gebruiken, zeurde over ‘de Compagnie!’

[p. 167]

Straks, als de schuit veilig gemeerd op de rede van Bantam lag, dan kwam ‘de Compagnie’ aan het woord; dan kon Rol kopen en verkopen tot hij al zijn boeken had volgekrast. Maar de taak om de Nieuw-Hoorn veilig daarheen te brengen was voor hém, Willem IJsbrantsz. Bontekoe, op dit ogenblik nog: naast God schipper op zijn schip!

‘De Compagnie!’ herhaalde hij driftig, draaide de verblufte Rolde de vierkante zeemansrug toe en ging ter kooie.

terug  begin  verder