terug  begin  verder

[p. 168]



illustratie

Brand

De negende dag dat de Nieuw-Hoorn voor Sante Marie lag, was al het volk genezen en men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende dat de voorraad vers voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst zuidoostwaarts tot op 33o en wendde de steven daarna noordoost naar Soenda.

Het waren mooie stille dagen. De omes hadden de handen vol met het onderhoud van het pluimvee, maar heel hun leven hadden ze niet zoveel eitjes gepeuzeld.

Padde werd in de loop der weken zelf zo rond als een ei. Men ried hem wat beweging aan. Zuchtend besloot hij het werkje over te nemen dat tot nu toe de Schele altijd had verricht: 's middags in de kelder af te dalen en er een vaatje vol te pompen, om de volgende morgen alle omes een half ‘mutseke’ te kunnen verstrekken.

Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van verrasing ging onder de omes op toen hij duidelijk verstaanbaar Hajo! krijste. Maar nu bleek dat Joppie al niet veel beter was dan de mensen: ook hij stelde zijn kennis in dienst van het boze. Hij riep zijn meester de hele dag, liefst bars bevelend, zoals Berentsz. het deed,

[p. 169]

soms ook angstig opgewonden, als wilde hij zeggen: kerel, je bent me toch niet overboord gevallen? - Zo kwam Hajo soms buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond dan in plaats van een grimmige Folkert Berentsz., een allervriendelijkste Joppie, die hem de kop toestak om gekrauwd te worden. Wie de leergierige vogel zijn naam wist in te pompen, kreeg er spijt van als haren op z'n hoofd.

Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een grote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven van het lachen wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden uitgalmde, de een nog vleiender dan de andere.

Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat raar tegen de kromme snavel en de bonte pluimage van de jonge ‘torenkraai’ aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze waarop Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.

Toen de omes vonden dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de taak over om Joppies leergierigheid te bevredigen.

‘Vooruit!’ zei Padde, ‘zeg nou eens: Padde Kelemeijn!’

Joppie keek hem pienter aan. ‘'t Is een merakel!’ meende het dier toen.

‘Vooruit!’ mopperde zijn leermeester. ‘Padde Kelemeijn! Zeg het dan, stommeling!’

Joppie hield z'n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij Padde trouwhartig aan en schetterde: ‘Stommeling!’

‘Je bent zelf een stommeling!’ gromde Padde, die rood werd van drift.

‘Knap maar,’ zei de vogel en keek luchthartig naar boven.

Padde staarde het dier met opengespalkte ogen sprakeloos aan, keerde zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te verspillen.

 

Zo kwam een dag die de mannen van de Nieuw-Hoorn lang heugen zou: de negentiende november van het jaar 1619.

Naar gewoonte begaf Padde zich in de namiddag naar de kelder, daalde met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.

 
‘Mallemallemootje,
 
Zeven in een bootje;
 
Mallemootje, mallemallemoer,
 
Zes aan de riemen en één man aan het roer!’

zong Padde, welgemoed pompende. Het vaatje was vol: Padde bevrijdde met zwierige greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen viel - kon het ongelukkiger? - het gloeiend eindje van de kaarsepit in het spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met een doffe knal uiteen en de brandende vloeistof bedekte meteen de hele kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het laddertje op, zag twee putsen water

[p. 170]

staan waarmee Hajo en Rolf aan het dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.

‘Padde! Wat is er?!’

Hij wilde wat stamelen, maar het was niet meer nodig: het sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, zeiden genoeg.

‘Brand, Brand!!!’

Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten aanhollen, sommigen al met volle putsen. ‘Wáár is de brand?!’

‘In de kelder!’ Angst trilde door alle stemmen. In razende haast zocht men naar putsen. Stromen water werden door het luik gegoten.

Nadat men wel een honderd emmers water had leeggeworpen, klauterde Folkert Berentsz. de kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer ontdekken. Intussen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, zoals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht de bodem dekten. Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook daar de brand geblust.

Een zucht van verlichting ging op toen men hoorde dat de smidskolen niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak men het gevaar dat gedreigd had. Als de brand tot in de kruitkelder was doorgedrongen...!

‘Padde!’ werd er geroepen. ‘In de kajuit komen!’

De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en huilde...

Stil! Wat hoorde hij daar! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij durfde de ogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! Knaps! Krits! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een koortsschim? Daar, aan de andere kant van het ruim, laaiden vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in de neus. Grote God...! De kolen brandden...!!

Met een schreeuw vloog Padde het trapje weer op. ‘De kolen...! De k-kolen!!!’

Nieuwe paniek. ‘De kolen?! Branden de kolen?!’

Een paar maats zijn alweer het ruim in, gewapend met putsen water die ze leegkletsen over de brandende kolen. Gesis van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit de gloeiende berg te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zo benauwend dat men het er geen twee minuten kan uithouden.

Maar de omes zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen langs het smalle trapje in het ruim af, banen zich een weg in het verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, vloekend, met betraande ogen de weg terug naar het trapje. Hoevelen vinden de weg? Hoevelen zakken bedwelmd in elkaar, half verstikt, na radeloos heen en weer gerend te zijn?

Bontekoe leidt zelf het werk, tot zijn stem versmoort en ook hij wankelend het trapje naar het dek opvlucht. Maar een ogenblik later is hij weer beneden. ‘Moed houden, mannen!’

[p. 171]

Men kapt gaten in het tussendek, werpt ontzaglijke hoeveelheden water in het ruim. Zou het nu helpen? De planken bodem onder de voeten wordt steeds heter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om de haverklap hun halfverschroeide voetzolen koelen in de putsen water die ze aandragen.

Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een Spaans schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan boord zou men verloren zijn. Met het wegwerpen van het kruit dus maar tot het uiterste gewacht.

Hou vast, mannen!

 

Maar er waren verraders. Wetende dat de jol en de sloep achter het schip aansleepten - de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog niet binnengehaald en de sloep was daareven uitgezet, omdat hij bij het bluswerk in de weg stond - hadden enkelen het voor raadzaam gehouden zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit ging om voor alle zekerheid alvast zijn voornaamste papieren bijeen te zoeken, zag juist een kerel de jol inkruipen. ‘Wat moet dat betekenen!’ schreeuwde hij.

De maats wenkten hem. ‘Kom ook in de boten, koopman! Temet vliegt de hele kast de lucht in!’

‘Ik waarschuw de schipper!’ dreigde Rol.

‘Dan kappen we de touwen door!’

‘Schurken!’

‘Ga je mee of niet?’ werd er uit de jol geroepen.

De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. ‘Wacht op me.’ En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.

Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.

Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de maats de boten vrij. ‘Roeien jullie weg?!’ vroeg Rol verschrikt.

‘Nee, waarachtig niet, we blijven in de buurt om te helpen. Maar als de boel zometeen ontploft, moeten wij buiten schot zijn.’

De koopman zweeg, keek bezorgd naar het schip, waaruit een vuilgele rook opwervelde die masten en want aan het oog onttrok. ‘'t Is gekkenwerk om nog aan blussen te denken!’ zei hij, om zijn geweten te sussen. En hij blies zich in de bleke handen, die geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.

 

Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen ogen gaven de mannen elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!

Daar kwam de barbier aanhollen. ‘Schipper! De boten zijn weg!!’

De mannen zijn verlamd van schrik. ‘De boten weg?!!’ Alles vliegt naar de verschansing. Daar drijven de boten!!

‘Schipper! Wat nou??!’

Zó hebben ze hun schipper nog nooit gezien. Het open zeemansgezicht is

[p. 172]

nu vertrokken van toorn en verontwaardiging. ‘Haal de zeilen om, mannen! We zullen ze onder de kiel stropen!’

Woede over de streek die hun makkers hun geleverd hebben doet de maats het want invliegen en, tastend in de groezelige rook, met opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zo koerst men recht op de boten af.

Daar schijnt het dreigend gevaar beseft te worden. De kerels roeien als dollen, steken drie scheepslengten voor de Nieuw-Hoorn over, de boeg in de wind, zodat ze niet achtervolgd kunnen worden.

‘Wel, laat hun geweten hen dan straffen!’ roept de schipper. ‘Nu het kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er aangaan - dan met z'n allen!’

‘Leve Bontekoe!!!’ brullen de omes, al is het alleen maar om de lafaards daarginds te laten horen dat er nog zijn die niet in de boten kruipen als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, geven ze van man tot man door en zo overboord. Op Bontekoes bevel laten de maats die met timmergerei weten om te gaan zich over de verschansing zakken, om onder het zeeoppervlak gaten in de scheepswand te boren. De schipper wil het ruim een paar vadem vol laten lopen en zo de brand van onderen blussen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!

Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een van de luiken. Dat is de duivel, die er uit loert! Smijt hem de kop in!

In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.

Maar hoger laait de vlam, en vreemd... het kraken en knetteren houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange rode tong uit de luiken.

‘De olie brandt!!!’

Met verlamming geslagen laten de omes de armen zinken; dikke tranen rollen hun over de gebruinde wangen.

‘Water!’ roept een stem.

Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende, grienen de omes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn óók water en helpen blussen. Met hun blote poten staan ze schrap op het gloeiend hete dek.

Een, die koppig, ogen en lippen saamgeperst, in rook en damp te ploeteren stond... was Padde.

Hij boette zijn schuld.

 

Tot...! Met oorverdovend gekraak spleet het achterdek open en gillend stortte een handvol dappere mannen in de vuurzee. Hoei! De vonken stoven tot hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de raas op, grepen de zeilen aan en zonden de blanke vleugels van de Nieuw-Hoorn verzengd, wijd uitlaaiend omhoog. Het gescheurde want viel slap neer in de vuurgloed en diende duizend kleine vlammetjes tot ladder.

De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haal het neer, dat dartele, bonte doek!

[p. 173]

Hajo, Rolf en Padde stonden bij de grote mast. Vlakbij begon het dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in... Toen sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. ‘Het water in!’ siste hij tussen de tanden. De verbouwereerde jongens volgden klakkeloos het bevel op.

Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen hadden, verlamd van schrik, niet zo snel een besluit kunnen nemen.

Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een hels gekraak, een prikkelend-scherpe lucht, gesmoorde kreten, angstig geloei van het vee... Het kruit had vlam gevat.

De Nieuw-Hoorn scheurde uiteen; masten, planken, mensen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden vonken, kantelden de brokstukken van het schip weer tegen elkaar en... zonken in de golven weg.

De mannen in de boten keken rillend toe.

Was het mogelijk?! Was de Nieuw-Hoorn, hun prachtige schip, vergaan?! Die zwarte wolk tegen de bloedrode avondhemel... was dat alles wat er van restte?! - Nee! Aan stukken mast, aan kisten en balken klemden zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!

Van de drie jongens vond Hajo het eerst zijn bezinning terug. Hij zag de bezaansmast drijven en werkte zich erop. Daarna gooide hij Padde, die zich aan een langzaam vollopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. Padde greep ernaar, maar kreeg het niet te pakken. Hajo trok het touw in en gooide opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. ‘Hajo... o, Hajo...!’

‘Klim op de mast!’

‘Ik kan niet meer...!’



illustratie

Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op de mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het hoofd tegen Hajo's schouder. - Rolf! Waar zou Rolf zijn! In radeloze angst keek Hajo om zich heen. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats met de golven, probeerden

[p. 174]

zich op stengen, planken, tonnen of brokken mast te werken. ‘Rolf! Rolf!! Rolf!!!’

‘Hajo!’

Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.

Waar waren de boten? Te ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te zien of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. ‘Boot ahoy! Ahoy!’

‘Hajo...!’ kermde Padde.

‘Moed, Padde!’ Hajo sloot zelf even de ogen om van een duizeling te bekomen. Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de ogen opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon die niet komen door de zware brokstukken die overal ronddreven. Hajo mat de afstand tot de jol. Zou hij het halen? ‘Blijf hier zitten, Padde? Hou je goed vast!’

‘Hajo... je gaat toch niet weg? Hajo...?!’

Hajo beet de lippen opeen, liet zich van de mast glijden en zwom in de richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als lood...

Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de jol trekken. ‘Nee!’ hijgde hij, toen de omes hem binnen boord wilden halen, ‘ik rust maar even. Geef me het... het touw mee... ik wil... ik...’ Zijn krachten begaven het; zijn handen lieten het jolboord los; men kon hem nog net bijtijds binnen halen.

Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het water in en redde de Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht aan zetten en begon de kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om de haaien een drenkeling te ontroven, zakte zijn woede. Men roeide de plaats rond, waar de Nieuw-Hoorn was ondergegaan. Tenslotte geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Enkelen verloren het bewustzijn dadelijk nadat ze in de boot waren getrokken; anderen lagen nog van opwinding te grienen. Maar de schipper? Waar was de schipper!!

Daar verscheen Harmens kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. ‘De sch... schipper!’

Men zag in de aangeduide richting in het duister een wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zo dicht mogelijk naar de drenkeling toegeroeid. Bokje, de beste zwemmer van allen, sprong weer met een lijn overboord en ja, even later kwam hij met de schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd neergelegd. God zij geprezen! ‘Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!’

Met matte stem ried Bontekoe aan, deze nacht nog bij het wrak te blijven en de volgende morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem al gauw het bewustzijn verliezen. Ze roeiden nog één keer om de ongeluksplek heen, maar vonden in het duister geen menselijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde men de riemen in, om de morgen af te wachten.

Maar met de verschrikking voor ogen valt wachten moeilijk. Zij die van

[p. 175]

vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust weer wakker.

‘Laten we wegroeien!’ zeiden ze. ‘Waarom roeien we niet weg!’

De anderen schudden het hoofd. ‘We moeten morgen wat eten opvissen. Met het beetje brood dat we hebben houden we het geen dag uit.’

Maar de vragers waren niet tevreden gesteld. ‘Wat hebben we aan eten als de zee gaat aanlopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed weer; laten we naar land zoeken!’

‘We moeten wachten! Bevel van de schipper!’

Dan werd er een tijdje gezwegen. - Maar een nacht is lang. Een kwartier later keerde de onrust terug. ‘Laten we toch wegroeien! We zullen wel een paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers niet eens ver van Sumatra!’

‘We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.’

‘Nou ja...’

‘Wát: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds die er tussen uit zijn geknepen?’

‘Als we dat niet gedaan hadden waren jullie met z'n allen voor de haaien geweest!’

‘Toch was het smerig!’

‘Weet je wat ik smerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wilden halen!’

‘Dat was je verdiende loon geweest!’

‘Maar het zat jullie toch niet glad hè?’

‘Kom,’ zeurt een ander, ‘maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!’

‘Nee,’ koppen een paar omes, ‘de schipper heeft gezeid: nee.’

Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.

Ineens vloekte er een ome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En daarmee is de ban verbroken die van 's schippers woord uitging. Allen die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.

Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand die het weet. Maar het roeien drukt de onrust de kop in. Roeien, mannen! Roeien!

Enkelen worden wakker, opschrikkend uit een nachtmerrie.

‘Waar zijn we?!’

‘In de jol.’

‘In de jol?’ De vrager schijnt zijn herinnering wakker te roepen. ‘En waar gaan we nou naar toe?’

‘Naar Sumatra.’

‘Waar legt dat?’

‘Vlakbij. Pas maar op, straks val je er nog over!’

Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.

‘Hein,’ vraagt er een met een zwakke stem, ‘ben jij daar, Hein?’

‘Ja, Kalle. Waar lig je?’

‘Voorin. - 'k Heb zo'n pijn...’

‘'t Zal wel klaren, Kalle. Ik heb een verbrande poot.’

‘Hou hem in het water. - Zouwen we ver van land zijn, Hein?’

[p. 176]

‘Morgen, als het licht is, zien we 't misschien wel. Wacht maar, Kalle, als 't licht is, morgen...!’

De roeiers zuchten, halen de riemen aan.

Plats - Plats - Plats!

terug  begin  verder