terug  begin  verder

[p. 177]



illustratie

In de boten

Eindelijk klaart de morgen. Men tracht met de moede ogen de ochtendnevel te doorboren die over het water hangt. Nergens land te zien... - Ook de sloep is uit het gezicht verdwenen.

Grienend laten de omes de riemen zinken. Nu pas voelen ze hoe moe ze zijn. Als de zon opgaat, zijn ze met hun allen in slaap gevallen.

Stuurloos dobbert de jol op de stille golfslag. Een heerlijk blauw uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa.

In de middag worden er een paar wakker. De slaap heeft verkwikking geschonken; ze voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal wel raad weten. Fluisterend, als waren ze in de wijde stilte rondom voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze de ondergang van hun prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog vijf vette ganzen gehad: die dobberden nou zo maar ergens rond! Een ander had zijn mes verloren, z'n puike fijne messie, dat ie verleden zaterdag nog zo lekker had aangezet. En z'n vrind Nelis was vast ook verzopen. Z'n vrind Nelis, waarmee d-ie al wel door een dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z'n mes en z'n vrind weg! Zou je die beroerde botteliersmaat met z'n kaarsje niet de nek omdraaien?

Allengs werd ook de rest wakker. Men wekte Bontekoe. ‘Wat moeten we doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.’

‘Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?’

‘Ja, schipper, we dachten...’

‘Dan dachten jullie verkeerd. Is er een zeil in de jol?’

[p. 178]

Ze zochten onder de plecht en de banken. ‘Nee, schipper, geen stukkie zeil.’

‘Trek dan de hemden uit en maakt er een zeil van.’

Vol vertrouwen gingen ze aan het werk. De schipper zou hen wel naar Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot garen uitgeplozen. Toen ze voldoende dachten te hebben, trokken de maats hun hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot een groot- en een fokzeil.

De barbier ging de toestand van de gewonden na. Haast iedereen had zich min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld, die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegenomen, tot een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden zo behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende de nacht lelijk was opgelopen en de brave barbier, die vaderlijke gevoelens voor hem koesterde, bezorgd zijn grijze bol deed schudden.

Men telde met z'n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal zesenveertig. De sloep bood hoogstens plaats voor tachtig man. En dus de anderen...!

Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte de mast op, die in de jol lag, en haakte er de boom en de gaffel in. Een opgestoken roeispaan diende voor fok. Toen beide masten stonden en de ‘zeilen’ waren bevestigd, wendde men de steven noordoost. De bedroevend kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en ieder kreeg er een vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het uitdelen van een zo geringe hoeveelheid de voorraad deed slinken.

Padde had de hele dag door geslapen. Toen hij in de avond wakker werd van het lawaai, dat met het oprichten van de mast gepaard ging, borg hij meteen het hoofd weer in de armen weg en hield zich slapende.

Hajo was, als alle anderen, weer vol goede moed, rekende er vast op dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in 't zicht zou komen.

Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd had, zag de toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been stemde hem ook niet vrolijker en maakte hem koortsig.

Zo viel de duisternis in.

 

Midden in de nacht maakte Gerretje een heidens spektakel.

‘Land! Land!!’

Alles vliegt overeind. ‘Wáár is land?!’

Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Dolle vreugde maakt zich van de schipbreukelingen meester. Ze gooien de zeilen om, grijpen naar de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? 't Zou een wallevis kunnen wezen met een lichie op z'n knikker! Neen, jongens, land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de kokosbomen wandelen. Roeien, jongens!!

Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje komt beweging; het schijnt op en neer te gaan...! Enkelen geven het roeien

[p. 179]

al bijna op, als vrezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien. Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met...

‘De sloep...!’

De schrijning van de teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het weerzien. De sloep voert één zeil: een lichtgrijze vlek. Men gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af - waarom verder van de juiste koers af te wijken?

‘Sloep ahoy!’

‘Ahoy!’

Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen.

‘Hebben jullie eten aan boord?’

‘Drie twee-ponds broden. En jullie?’

‘Niets.’

‘Grote griebus! Welke koers varen jullie?’

‘Helemaal geen koers. En jullie?’

‘Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.’

‘De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper, ben jij daar? Leve de schipper, mannen!’ Een schor instemmend gebrul. ‘Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?’

‘Moed, mannen! Vertrouw op God.’

‘Amen,’ zeggen een paar vrome omes.

 

Gezamenlijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar al gauw bleek dat de sloep achterbleef. Men greep daar naar de riemen en haalde de jol weer in. ‘Schippertje, we zullen mekaar nog verliezen! Neem ons over; dan zetten we alle drie zeilen op de jol en varen nog ééns zo vlug. Toe, schippertje...’

Maar de omes in de jol wilden daar niets van weten. ‘De jol is voor zoveel man te klein, schipper!’ En toen de maats uit de sloep zich aan het jolboord vastklemden, kregen ze harde klappen op hun handen.

Een jammerklacht steeg op onder de verstotenen. ‘Schipper! Niemand hier bij ons kan op de sterren varen! Moeten we dan verzuipen?’

Maar die in de jol kenden geen erbarmen. ‘Als we jullie met z'n zesentwintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!’

Zuchtend grepen de arme kerels weer naar de riemen. Hun olielantaren werd op de jol overgebracht, zodat zij er zich in het donker naar konden richten.

Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het watervlak.

‘Zie jij wat, Doedesz.?’

‘Net zoveel als jullie. Alleen de sloep.’

Allen zuchtten. Enkele omes luchtten hun gemoed door Padde met verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in bescherming.

Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem minder dan de vorige

[p. 180]

avond, en met een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond. Ook de kwetsuren van de anderen lieten zich gunstig aanzien.

Om de koers iets juister te kunnen bepalen, kraste men in het hout van de plecht een kaart van de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda - alles op het geheugen. De middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijfeneenhalve graad zuiderbreedte gemeten; het bestek op de kaart wees toen negentig mijl tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Hadden ze maar een kwadrant!

‘Heeft niemand een passer?’ vroeg Bontekoe.

‘Daar vraag je zowat, schipper,’ antwoordde Teunis Sijbrandt, de kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. ‘'t Is boffen: meest legt ie op m'n tafel!’

‘Geef hier!’ zei Bontekoe verheugd. ‘Dan zullen we eerst eens 'n gradenboog snijden!’

Zo gebeurde. Men trok in een plankje een zo groot mogelijke kwartcirkel, mat daarin alle graden uit, bracht daarna de wijzer aan. De volgende middag nam men er, zo goed en zo kwaad als het ging, hoogte mee en stelde de koers op Sumatra.

Zo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, 's nachts op de sterren. De derde dag was het brood op. De dag tevoren had ook de dorst zich al geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol hoop. De wind zat achter in 't zeil; de zee bleef kalm.

De dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan de horizon op. De maats kenden die wolken! In grote opwinding werden de zeilen tot watervangers opgespannen. Pikzwart was nu het gewelf, en de zee, die dagenlang een felblauwe hemel teruggekaatst had, slurpte die duisternis gretig op, leek wel een modderpoel.

Daar kletterde de regen neer.

De levenskrachten ontwaakten weer; de harten zwollen.

In een oogwenk waren beide zeilen vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen die als bergplaats voor het brood hadden gediend.

Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleren.

Maar de volgende morgen schroeide de zon ze weer droog en deed de huid vervellen.

Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen voor de gloeiende zon? De dorst kwam weer opzetten. Bontekoe sneed de neuzen van zijn schoenen af en liet ieder een ‘beker’ vol uit de vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van de voorraad op, want men moest delen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het opgevangen water in te bewaren. Vreselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de tong in de mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de morgen grauwde, hoopte men land te zien. Telkens weer nieuwe teleurstelling wanneer men niets dan zee zag, zover het oog reikte.

Harmen vond het nodig, de omes wat moed in te blazen. Bij gebrek aan z'n

[p. 181]

fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met een van zijn gewaagde ‘verhalen’ op de proppen.

‘Ik zal jullie vertellen hoe het met m'n oom gegaan is, luidjes! Die heeft een tapperij voor zeelui - voor landrotten tapt-ie niet. Z'n leven lang heeft-ie gevaren, van z'n tweede tot z'n achtenzestigste. Zevenentwintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drieëndertig met schipbreuk! En overal goed afgekomen op een krab op z'n wang na en da's van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de Chinese zee, waar de mensen staarten aan d'rlui knikker hebben. Goed, d'r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden, z'n zesenveertigste schipbreuk; m'n oom en de bottelier zijn de enigsten die zich in de sloep weten te redden. Eten aan boord? Geen spiering! Hongerlijje maar! Toen ze zevenentachtig dagen niks gegeten hadden, zei de bottelier: “'k Zou wel een hapje lusten!” - “En ik,” zei m'n oom. “'k Zou, jou wel lusten,” zei de bottelier. “Ik jou ook wel,” zei m'n oom. Goed, ze krijgen verschil van mening. “Als jij mij jouw benen geeft, zal ik jou mijn zondagse pet geven,” zei de bottelier. “Jawel,” zei m'n oom, “je kunt er een por met m'n mes bij krijgen.” - “In je mes hap ik niet,” zei de bottelier. “Nou, laten we d'r dan om dobbelen!” zei m'n oom. Ze schudden de stenen. Allebei acht. Nog er 's! Wéér gelijk! En weer!! Na dertieneneenhalve dag zei m'n oom: “Vooruit, ik heb geen aardigheid meer in speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet m'n wijf en neem m'n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet dat-ie zich afkeert om niet te zien hoe die ander 'm zal afmaken, merkt ie dat de sloep... op het strand zit! “Land” roept-ie. Hadden ze me daar elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van gemerkt. Wat zeg je me daarvan?’

‘Mooi!’ zeiden de omes.

Toen viel het zwijgen weer in.

terug  begin  verder