Aan de paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar wolkjes boven de horizon kregen gouden randjes aan de onderkant; toen dook de zon zelf fel uit zee op.
Drie blinkend witte meeuwen zwierden tsjiepend over de jol. Joppie kefte er venijnig tegen, tot een onderdompeling hem tot kalmte bracht. Hij wilde nu wat op zijn staart gaan knabbelen - welke staart echter tot Joppies verwondering niet zo maar als een worst in de lucht hing, maar integendeel stevig aan zijn achterlijf bleef zitten en lang niet gemakkelijk met de tanden te grijpen viel. Reden waarom Joppie zó vlug rondtolde, dat hij tegen alle omes aanbotste. Eindelijk had hij z'n staart te pakken, en er daalde rust in de jol.
Bontekoe had goed voorspeld: 's middags kwam Sumatra in het zicht - een lange streep land, die langzaam-aan tot een machtige wand van dieppaarse bergen werd.
Ze besloten voorlopig de kust maar af te zeilen, om zo snel mogelijk Straat Soenda en daarna Bantam te bereiken. Aan eten was nog geen gebrek.
Dus werd in zuidoostelijke richting gekoerst. De zon ging helder onder. De wind sloeg naar het noorden om; men kon niet beter wensen.
De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en de gehele hemel vullend met zijn licht.
Een prauwtje! Badend in de maneschijn danste het op de golven. Een eenzame visser stond er rechtop in, zo verdiept in zijn werk, dat hij de jol niet zag naderen. In wijde zwaai wierp hij zijn net uit, dat stil in het water viel. De man was bijna naakt; het maanlicht omlijnde zijn schouders. Als een kroon stond hem een zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.
Ineens bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide uit alle macht weg, dwars door de hoge branding. ‘Sobat! Sobat kras!’ schreeuwde Floorke. Maar de donkere visser scheen van die vriendschap niets te geloven.
De volgende dag raakten de noten op: men moest nieuwe voorraad zien op te doen. Het ging er om, een inham te vinden. Daar de wind intussen naar het zuidoosten was omgelopen, moesten ze laveren en raakten daarbij telkens zo ver van de kust, dat ze licht een geschikte ingang ongezien voorbij zouden kunnen zeilen. Daarom werd besloten dat vier of vijf man het strand zouden aflopen en waarschuwen zodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, Harmen, Hajo en Rolf sjorden hun broekriem wat steviger aan en sprongen overboord. Goede zwemmers als zij waren, wisten zij zich proestend en snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het geruststellende gevoel dadelijk weer het ruime sop te kunnen kiezen als inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij het strand, dat aan de landzijde was begrensd
door bomen en hoog gras. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.
Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de bomen zelfs met de wortels in het water, en het wemelde van slijk-springertjes.
De vijf baanden zich nu een weg door het hoge gras, waarin ze geheel kopje onder gingen. Hilke, die voorop liep, verstijfde van schrik toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een paar lianen in een grote boom werkte, vanwaar hij de omes in apentaal een reeks verwensingen naar het hoofd slingerde. De grond voor Hilkes voeten was omgewoeld en een paar planten lagen met de wortels bloot. Bovenaan de wortels zaten kleine boontjes waaraan nog aarde kleefde. Floorke veegde er een aan zijn broek af. ‘Zou je ze kunnen eten?’
‘Waarachtig!’ meende Hilke. ‘Als die aap er speciaal voor naar beneden komt?’
Aarzelend stak Floorke het boontje in de mond. ‘Aan de schil is niet veel smaak. Maar de pitjes, die er in zitten, zijn best!’
De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes van het plantje en merkte na enig rondkijken, dat er overal volop groeiden. Ze propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een naam voor: apenootjes.
Na een uur lopen vonden ze een rivier. Vlug de broeken uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol begreep men de wenk: de koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende bemerkte men dat vóór de monding van de rivier een zandbank lag, die zo'n hevige branding veroorzaakte dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de verantwoording niet aan - vroeg de maats zelf wat ze wilden.
‘Landen!’
‘Wel,’ zei Bontekoe, ‘dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door zoveel heen gerold! Gooi maar vier riemen uit, en aan elke riem twee man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!’
Hij stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.

Er kwamen een paar spannende ogenblikken. De jol werd hoog opgetild, neergekwakt; meteen volgde een zware roller en wierp hem half vol. Met
schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de omes in razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een wolk van schuim vloog de mannen over het hoofd. Ze waren de branding uit.
Nog steeds hozende, legden ze eerst op de linkeroever aan, namen de vijf aan boord en staken daarna naar de rechteroever over, waar de jol aan beide dreggen werd gemeerd. Toen gingen ze aan wal.
De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol lag, schoten de stammen van kokospalmen op.
De maats keken eens rond, wat er verder nog aan proviand te vinden zou zijn. Floorke wees de schipper de boontjes, die ook hier overvloedig groeiden. Bontekoe proefde de ‘apenootjes’ en vermoedde, op de olieachtige smaak afgaand, dat ze wel voedzaam zouden zijn. Hij gaf de maats order zoveel mogelijk te verzamelen. In kleine groepjes snuffelden de mannen de omtrek af. Harmen en Padde, die samen al zoekende en peuzelende waren afgedwaald, stonden, vóór ze 't wisten... voor een smeulend vuurtje!
‘Allemachies!’ stamelde Padde.
Harmen lag al op zijn knieën en blies wat hij maar blazen kon. Vuur! Dát konden ze gebruiken! Hilke, de enige die een vuurslag in zijn zak gehad had, was zo dom geweest het in de sloep te laten liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. ‘Hout!’ riep Harmen, al blazende. ‘Droog hout!’ Nu, hout lag overal voor het grijpen. En dank zij Harmens gezonde longen, sloegen de vlammen spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.
‘Wat ligt daar?’ vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op een stuk pisangblad.
Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. Toen begon hij te schreeuwen. ‘Hei! Hallo! Ho! Hier is wat te zien!’ Padde gilde opgewonden mee.
Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van twee schatten: vuur en tabak! sprongen ze een el in de lucht. Gnuivend diepten ze hun pijpjes uit de broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet veel, allen zouden toch een trekje kunnen doen.
‘Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!’ verweet Gerretje aan Harmen.
Harmens gelaat drukte een-en-al verbazing uit. ‘Hoe kan dat?? M'n zakken zitten vol noten! Kijk maar!’ Hij gaf er met de vlakke hand een klap op.
‘Ook een bewijs!’ smaalde Gerretje.
‘Harmen heeft de tabak gevonden!’ suste Hilke. ‘Allicht, dat ie wat meer krijgt.’
‘'k Wed dat ie wel een pond in z'n zak heeft gestoken!’ pruttelde Gerretje. ‘Zie z'n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!’
‘En jij d'r bij!’ verklaarde Harmen.
De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog oplaaiende vlammen en zogen stil genietend aan hun pijpjes, tot de tabak op
was - behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de lucht in blies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de inboorlingen, die blijkbaar in overhaaste vlucht de tabak hadden achtergelaten. Zouden ze de arme zwervers vijandig gezind zijn? Nou ja, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!
Maar toen de avond daalde, maakte zich toch onrust van de schipbreukelingen meester. Als wilden hen vannacht eens in grote getale en gewapend zouden overvallen? Een enkele maal deed een avondkoelte het gras ritselen; fluisterend bogen de lange halmen zich naar elkaar over. De omes klonk het als de sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor een bruin, levend wezen in die boom? Een grote aap? In de verte een vogelroep. Boven de zee kwamen kalongs aandrijven, ware spookgedaanten wanneer ze, na een ogenblik lang achter de wolken te zijn verdwenen, onverwachts weer opdoken. De maats hurkten bijeen om het vuur, keken met glanzende ogen in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pook de vlammen maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten...
Bontekoe besloot wachten uit te zetten. ‘Vrijwilligers?’ Hajo en Rolf gaven zich meteen op; ze kregen de opdracht de eerste paar uren van de nacht bij de rivier te waken. Maar ze waren nog geen tien pas op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. ‘Ik ga ook mee,’ verklaarde hij. ‘Jij?’ - ‘Ja, ik.’ - ‘Vooruit dan maar.’ Met hun drieën stapten ze het donkere bos in. Padde, bibberend over al zijn leden, hield Hajo stevig vast.
Zo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Een zware boom was schuin over het water gegroeid - daar zouden ze inklimmen. ‘Kom, ga je mee, Padde?’ vroeg Hajo.
‘Ik blijf beneden.’
‘Maar daar kun je niets zien!’
‘Ook nergens voor nodig,’ vond Padde. ‘Als ze mij ook maar niet zien!’
‘Nou, blijf dan beneden,’ zei Rolf, ‘dan kun je je door de krokodillen laten weghalen.’
‘Krokodillen?!’ stamelde Padde.
Haastig klauterde hij achter Rolf aan.
Van hier hadden de jongens een goed uitzicht. De rivier lag open en bloot te glanzen onder de nachtelijke hemel. Ze kozen een mooie, dikke tak om op te zitten. Ziezo, nu zouden ze het wel een hele poos uithouden!
Maar ze hadden buiten de kleine kwelgeesten gerekend die het bijna onmogelijk maken, zonder beschutting de nacht in een tropisch oerwoud door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zo zoemden ze om je oren. Zzzzùù... zzzinnng... zzzoeoeoe... Padde sneed een takje af en zwaaide en sloeg ermee dat hij er bijna de boom door uittuimelde. Maar het hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.
Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in de weke modderbodem... Onwillekeurig grepen de jongens zich aan elkaar vast. Daar boog het gras ter zijde en een donker, harig beest met twee zware, rondgebogen slagtanden waadde zachtjes knorrend het water in, vol welbehagen slurpend. Nog een kwam uit het gras te voorschijn, gevolgd door twee, door vijf,
acht, elf jonge knorrende vierpoters die zich in de modder wentelden en daarna ook het water inliepen. Wilde varkens!
De biggetjes hadden een in de lengte gestreepte huid - een grappig gezicht. De jongens waren zo door het familiebad van de krulstaarten in beslag genomen dat geen van hen de roering in het water bespeurde, daar verderop... Tot een der biggetjes een kreet van schrik uitstootte. Meteen smoorde het water zijn gil; het beestje werd door een onzichtbare macht weggesleept. Angstig krijsend vluchtten zijn broers en zusjes de oever op. Maar de ouden stoven met woedend snuiven en blazen naar de plaats waar hun jong in de diepte was gesleurd. Terwijl de zeug daar bleef staan, stormde het mannetje het water in, zwom zoekend rond, keerde tenslotte met een klagend geluid naar zijn wijfje terug - waarop beiden weer naar de oever baggerden en grommend tussen het gras verdwenen, de jongen achter zich aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes tegen mekaar op, buitelden over de kop, maar repten zich daarna knorrend en piepend weer voort, vinnig slaand met de achterpootjes, zodat de kluiten aarde met een wijde boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil, en de jongens ademden op.
Foei! wat staken de muskieten! Van de rivier dwarrelden vuurvliegjes omhoog en doken weg in de boomkronen. Een kikker ratelde, kreeg van de andere oever antwoord. Brèkekèkèrrr... Een watervogel vloog ineens met heidens misbaar uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van de boom waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht toen vleugelklappend, de poten door het water slierend, een schuilplaats verderop in het riet. Toen een eentonig, klagend geluid, als het neuriën van een half vergeten wijsje. Zou het waar zijn dat de krokodillen zingen, om hun prooi in het water te lokken...?
Eindelijk kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half dromend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren neer en sliepen in.
De nacht verliep rustig.
Verkwikt stonden allen de volgende morgen op. Juist hadden ze het ontbijt naar binnen gewerkt: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm uit het vuur, toen er uit zuidelijke richting drie mannen langs het strand kwamen aanlopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun vloeiend Maleis, werden hun tegemoet gezonden. Floorke beschouwde zich als leider van de deputatie en gespte als teken van waardigheid de roestige degen om.
Zo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De bewoners van dit land maakten een beschaafde indruk. Ze waren niet getatoeëerd, hadden sluik, glanzend zwart haar en droegen om de heupen een soort rok met mooie figuren. Onbevreesd, ook niet zo erg verbaasd, keken ze de maats in de ogen en groetten in het Maleis.
Floorke nam het woord. ‘Hebben jullie eten? Makan? We zullen betalen! Bajar!’
‘Ada makanan, toean,’ was het bevestigende antwoord.
‘Makanan apa?’ vroeg Bolle.
Wat voor eten? Eén somde op: ‘Nasi, kambing, ajam, ikan, boewah...’
‘Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land? Negeri apa ini?’ informeerde de barbier.
‘Negeri Lampong, toean.’
‘Aha! De zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi! - Mana negeri Djawa?’
Waar Java lag? De mannen wezen de kust af, in zuidelijke richting.
‘Dat klopt!’ zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleis vertelde hij hoe ze hun schip hadden verloren en nu de rede van Bantam zochten.
Bantam was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee tussen. Daarop gingen ze weg, beloofden spoedig met voedsel te zullen terugkomen.
Intussen zamelde Bontekoe het geld van de maats bijeen. Hier gold: botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zou men hier weten wat geld was? Bontekoe dacht van wel: er was op deze kust vast wel enig handelsverkeer.
De Maleiers, nu 'n twintigtal sterk, kwam terug met pluimvee, rijst, vruchten en twee geiten.
Over de prijs was men het al gauw met hen eens en in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met Harmen als helper, had zich nog nooit in zoveel belangstelling mogen verheugen. Allen wilden proeven: ‘of het al gaar was,’ en Bolle deelde met een zelfgesneden houten lepel links en rechts meppen uit.