
Na het eten, dat zelfs Paddes verwachtingen overtrof, overlegden de schipbreukelingen hoe ze nog aan wat meer proviand voor de reis konden komen. Van een zo vreedzame bevolking zou wel alles zijn los te krijgen wat ze voorlopig nodig hadden. Ze hoorden dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe zich heen te laten roeien.
Hij liet zijn neef bij zich roepen. ‘Rolf, jij gaat mee als mijn tolk. De mannen zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.’
‘Wat leuk, oom! Mag Hajo ook mee?’
Zijn oom keek hem glimlachend aan. ‘Jullie houdt mekaar altijd bij de broek vast, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan maar.’
Stralend pakte Rolf zijn biezen.
Tien tellen later stond Harmen bij de schipper.
‘Wat heb jij op je lever?’
‘Ik...’ Harmen slikte, ‘ik heb nog nooit in zo'n Maleis sloepje gezeten, schipper!’
‘Maar als ik jou óók nog meeneem, zullen ze denken dat ik met een jol vol kinderen ben aangekomen!’
Harmen verbleekte. ‘Kinderen, schipper...?! 'k Word met maart zestien!’
‘Uitgerukt!’ lachte Bontekoe.
Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf gaf hem een ribbestoot. ‘Je mag mee!’
Harmen keek hem weifelend aan. ‘Goed, als de prauw aanlegt, spring ik er in. Maar als de schipper me de benen stukslaat, komen de kosten voor jou!’
Daar kwam van achter de rivierbocht een prauw te voorschijn. Voor- en
achterin zat een Maleier met een spaan in de handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie begeleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar de schipper, gereed om er als de weerlicht weer uit te wippen, maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de Maleiers hun prauw van de wal afgestoten, toen Padde buiten adem kwam aanhollen.
‘Wat moet dat?!’ riep Padde. ‘Waar gaat dat naar toe?’
Hajo schaamde zich een beetje over Paddes optreden, dat van weinig eerbied voor de schipper getuigde. Maar hij wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. ‘Inkopen doen voor de kombuis, Padde!’
‘Ik ga mee,’ zei Padde. ‘Leg maar even an.’
‘Waarachtig niet’, klonk het uit Bontekoes mond. ‘Je gaat niet mee!’
‘Ik ga wel mee,’ verklaarde Padde.
Bontekoe zette grote ogen op.
‘Zwem maar achter de prauw aan!’ grinnikte Harmen. Weinig vermoedde hij wat zijn raad tot gevolg zou hebben... Pats! daar sprong Padde pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Rolf hees Hajo de roekeloze botteliersmaat binnen boord. ‘Blikslagerse jongen!’ mompelde de schipper, ‘wil jij je door een kaaiman laten verslinden?!’
‘Ik wil met m'n vrind mee,’ hijgde Padde.
Bontekoe wist niet zo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook weinig belang in te stellen. Hij plofte op de bodem van het vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.
De Maleiers begrepen dat nu niets het vertrek meer in de weg stond, en doopten de spanen in het water.
Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oog naar Padde, die grimmig met het uitwringen van zijn kleren doorging. Hajo en Harmen bewonderden in stilte de vaardigheid waarmee de gevaarlijke rotsblokken vermeden werden. Een enkele korte roep was de roeiers voldoende verstandhouding.
Een drukkende hitte lag nu al op het water. Hoe zou het vanmiddag worden?
Allengs werd de rivier smaller; de palmen aan de oever maakten plaats voor donkere loofbomen. Grote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden zij zich van de ene boom in de andere. Een oud apenmannetje bewoog zich met grote sprongen over het stenen bed aan de oever, siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw zonder zich te laten afschrikken door de verwensingen, die de beide roeiers hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van tak op tak, streken in grillige val neer, een lange staart achter zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde er een felle vlam, kort, terstond weer dovend.
Ze kwamen langs enkele huisjes, half achter het groen verborgen. Een paar vrouwen waren met het wassen van kleren bezig. Zij hadden een rok (‘sarong’, zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt. Naakte kindertjes met dikke rijst-buikjes zaten elkaar in het water na. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarte lok, vóór op hun ovaal bolletje, na.
Grote verbazing onder de kleinen toen de prauw naderde! Ze bleven met open mond staan, de ogen zo wijd als de zee.
De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten in een kreet haar verwondering: ‘Tjobah...!’ Het feit, dat er twee mannen die ze kenden in de prauw zaten, scheen hen gerust te stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de roeiers met vragen. Ze kregen geen antwoord. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de vrouwen riepen ze terug.
Nu overwelfden de bomen de rivier weer geheel en het werd heerlijk koel. In het groene schemerlicht daarboven schudden apen krijsend aan de takken. Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden eronder, erop, erin, eromheen. Daarna kokostuinen met bamboe-omheiningen.
Bij een soort haventje waarin een paar boten lagen, legden de roeiers tenslotte aan. Bontekoe stapte met zijn gevolg aan wal. De Maleiers als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan beide zijden dichte groene bamboebossen. Toen voerde de weg over een dijkje tussen twee vijvers door waarin vissen zwommen. Kikkers plonsden bij vieren, vijven tegelijk van het aarden walletje het water in: aan de overzijde stond een witte reiger te vissen. De Maleiers gooiden een steen naar het dier. Waarop het in een boom vloog, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten zodra die lastige mensen hun hielen hadden gelicht.
Weer een bocht om en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst onder geboomte en was omzoomd door een strook gras waarop een paar buffels, vervaarlijke kolossen met zware horens, vreedzaam graasden onder toezicht van een half dozijn bruine dreumessen die, toen ze de vreemden zagen, zich ijlings achter de buffels verborgen en met grote ogen tussen de poten door gluurden. Het dorp was tegen overvallers beschermd door een palissade uit dikke, gespitste bamboestokken. Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen zat. Achter hem stond een speer.
De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op, krabbelde schuw overeind, vol wantrouwen naar de vreemdelingen kijkend, en sloeg alarm op een houten blok, dat naast hem hing. Intussen wenkte de voorste Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op een voorplein van gestampte aarde, waarop het krioelde van pluimvee.
In de schaduw van een groepje pisang- en papajabomen was een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de weer. Het mooie, glanzendzwarte haar lag in een kleine wrong achter in de hals; Harmen stelde vast dat hun dat lief stond. Terwijl ze aanhoudend werk hadden om de diefachtige kippen weg te jagen die een graantje kwamen pikken, stampten ze met lange stokken in houten kommen, waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk hout, dat op de grond stond. Ze neurieden er samen een wijsje bij.
‘Tabé!’ zei Harmen vriendelijk.
‘Tabé, toean...’ stamelden ze, verschrikt opkijkend. En een paar kwieke haantjes vielen vlug op de nu onbehoede rijst aan.
Uit enkele huizen kwamen intussen de bewoners naar buiten; dat zou de
slag op 't houten blok wel hebben uitgewerkt. Op enige afstand bleven ze staan.
Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkst ‘tabé’ kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren op hoge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de spitse daken! Bijna bij elke woning stond aan de zijkant een paal met een kooi waarin een kleine grijze duif roekoerde. Overal scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in het kraaien en overschreeuwden met hun nog onzekere stemmen het zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden dat ze daareven een ei hadden gelegd. Het was weer net als in het Sante-Maries dorpje: door deurenen vensterspleten gluurden angstige gezichten van vrouwen en meisjes en ook hier krioelde het van kleine naakte dreumesen, die bij het verschijnen van de onbekende blanken hals over kop de vlucht namen.
Met een schare Maleiers op veilige afstand achter hen aan, kwamen Bontekoe en zijn mannen bij een huis, dat het grootste van alle was en dus wel aan het dorpshoofd zou toebehoren. Hun gidsen verzochten hun een ogenblik te wachten.
Harmen zette zijn verbroederingspogingen intussen voort. Hij bleef maar knikken en ‘tabé!’ roepen. En tenslotte scheen hij veld te winnen: er werd gemeesmuild. ‘Aha!’ dacht Harmen, ‘ik schiet op!’ En onverwachts maakte hij een prachtige luchtbuiteling. In het maken van dergelijke toeren was Harmen rijp voor het paardenspel, en ook ditmaal misten ze hun uitwerking niet. Eerst een ogenblik van verbaasd zwijgen, toen algemeen gelach. Er waren op de achtergrond nu ook vrouwen en meisjes opgedoken, wier vrolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda van het grote huis een oude man verscheen, gekleed in een lange lendenrok, jasje en mooi gestrikte hoofddoek. In een brede buikgordel stak achter zijn rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke greep.
Terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen kijkend, die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, ging de verzamelde schare eerbiedig achteruit en hurkte zwijgend neer, de handen in de schoot. Bontekoe en de jongens voelden wel dat ze hier bij een heel ander volk terecht waren gekomen dan bij de ‘zwartjes’ op Sante-Marie! Ze besloten in beleefdheid niet onder te doen. Bontekoe maakte een buiging, een voorbeeld dat door de jongens kranig werd nagevolgd op Padde na, die met zijn houding niet goed raad wist en daarom maar kuchte en met zijn mouw zijn neus schoon veegde.
Het dorpshoofd beantwoordde de buiging, sprak een paar woorden van welkom, die meer begrepen dan verstaan werden, en verzocht de vreemdelingen, zijn gasten te willen zijn. Rolf, die het beste Maleis sprak, dankte het dorpshoofd. Waarop hun gastheer zich weer naar boven begaf, met hoffelijk gebaar Bontekoe en de zijnen verzoekende hem te volgen. Zo deden zij. Het buiten verzamelde volk bleef gehurkt toezien.

Op het bordes hadden enkele vrouwen tegen de wand plaats genomen. Het dorpshoofd gaf hun een wenk, waarna ze oprezen, zes matjes op de vloer spreidden en verdwenen. Vriendelijk nodigde hij zijn gasten te gaan zitten. Ze gaven er gehoor aan en zetten zich met opgetrokken knieën op de matjes neer. Het hoofd was ook gaan zitten, kruiste de benen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en een meisje zette een koperen schaal neer waarop enkele met grillige figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een vierde weer wat anders... De jongens keken er met grote ogen naar. Wat moesten ze daarmee beginnen?
Hun gastheer vouwde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de verschillende kommetjes, legde het op het matje, stak het geheel toen in de mond en maakte een uitnodigend gebaar.
‘Nadoen!’ zei Bontekoe.
‘Moet je dat slikken?’ vroeg Hajo weifelend.
‘Ik ga liever gewóón dood,’ verklaarde Harmen.
‘Je moet het kauwen,’ zei Bontekoe. ‘Het is een betelpruim. Die mag niet geweigerd worden!’
En zo goed en zo kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens hun pruim klaar en staken hem daarna dapper in de mond, op Padde na, die maar weer z'n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.
Al die tijd heerste er zwijgen. Bontekoe gaf Rolf een stille een wenk, met spreken te wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het zover. Het dorpshoofd wenkte het meisje om de schalen weg te nemen en wendde zich tot Bontekoe:
‘Mag ik u vragen heer, vanwaar gij komt?’
Rolf vertelde zo goed en zo kwaad als het ging wat hun was overkomen, en hoe ze hier op Sumatra geland waren om wat eten in te kopen voor de verdere reis.
Het dorpshoofd antwoordde dat er in het dorp stellig wel mensen zouden zijn die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij dat hij het zich een grote eer zou rekenen als zijn gasten zometeen bij de maaltijd zouden willen aanzitten en verder de nacht bij hem doorbrengen.
Het slapen sloeg Rolf af, omdat, zoals hij zei, de haast om bij hun makkers terug te keren hen verhinderde hier lang te vertoeven. Maar de maaltijd zouden ze graag aanvaarden.
Daarna bracht hij zijn oom het gesprek over.
Harmen was nadenkend geworden. ‘Ik vertrouw hem voor geen pruim tabak,’ zei hij ineens. ‘Wat ik je brom: 't is een blinde klip! Hij kijkt me te uitgestreken! 'k Zal Louwtje Laurenszoon heten, als er gif in dat eten zit!’
Rolf keek Harmen aarzelend aan.
‘Een gast is in deze streken heilig!’ zei Bontekoe. Maar ondanks dat voelde hij Harmens wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets beklemmends - een ronde zeeman wist niet goed wat ie er aan had. En tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn volwassen maats had meegenomen...
Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet achter alles wat zoeken!
En Padde kon zijn ogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere glanzende ogen, half versluierd achter lange wimpers, de prachtige haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes waren gestoken, de tengere armen, handjes en vingertjes... Padde vergat de hele wereld. Net een plaatje! vond hij.
Maar het meisje had ook voor de brave botteliersmaat belangstelling. Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwe blik toe.
Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een andere kant uit.
Het hoofd stelde voor, het dorp eens te bekijken; intussen kon hier het eten worden opgediend. Gretig nam Rolf het voorstel aan, blij, eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of de jongens maakten van de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.
De neergehurkte schare opende zich meteen in de richting waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kinderen gluurden van ter zijde de ‘witte’ mensen aan, zich pas weer schuchter terugtrekkend wanneer een daarvan een blik op hen liet vallen.
‘Stampt men in uw land de rijst zoals wij het hier doen?’ vroeg het dorpshoofd, toen ze de plek naderden waar de vier meisjes met dat werk bezig waren, maar nu verlegen ophielden.
‘In ons land groeit geen rijst,’ antwoordde Rolf.
Het dorpshoofd keek daar wel van op. Ook onder de omstanders werd gemurmeld.
‘Mogen we het stampen eens zien?’ vroeg Rolf vrolijk.
‘Wel zeker!’ En het dorpshoofd wenkte de meisjes hun arbeid voort te zetten. Met neergeslagen ogen voldeden ze aan het bevel.
Zij stelden zich weer aan beide zijden van het stampblok op, namen de houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken woord van een van hen te stampen. Al gauw merkten Bontekoe en de zijnen op dat er in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en alle vier wisselden tegelijkertijd het ritme.. Als vanzelf begonnen de meisjes te neuriën, en bij elke maatwisseling zetten ze ook meteen een ander wijsje in. En alles rondom was zo vredig; de lucht hing vol zoete bloesemgeuren; de al lage zon scheen koesterend tussen de huizen door...
‘Alleraardigst!’ riep Bontekoe uit.
Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen hun vrolijkheid een ogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij het blok was gaan zitten, berispte ze met krijsende stem; de meisjes wierpen elkaar en ook de omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een bijzonder vrolijke maat - ondanks het grommen van de oude, die intussen een mandje, dat veel van een omgekeerde hoed had en met ongepelde rijst was gevuld, naar zich toe had getrokken. Met vlugge greep griste ze tussen twee stoten door met haar magere gerimpelde hand de rijst uit de kommen. verzamelde ze in een lege mand en gooide de kommen weer vol ongepelde rijst. Het dorpshoofd leidde zijn gasten weer verder.
Rolf vroeg naar de naam van de grijze duiven in de kooien. ‘Boeroeng perkoetoet,’ was het antwoord. De jongens verbaasden zich over de juiste klanknabootsing: ze hoorden in de roep van de vogel nu duidelijk het woord perkoetoet! Ze hielden stil bij een oude man, die met het versieren van een deur bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee - en met eindeloos geduld! - had hij vogels, vissen en bomen in fraaie lijnen uit het hout getoverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.
‘Kan ik ook,’ zei Harmen. ‘Heb jullie mijn tabaksdoos al eens gezien?’
Een strenge blik van de schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor de dag te halen.
Na de rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwamen ze weer bij de woning van het dorpshoofd, waar intussen het eten wachtte. Op een over de vloer gespreide mat prijkte een keur van gerechten, alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich rond de ‘dis’. Er was rijst met scherpsmakende visjes, gekruide kip, allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk sappig oranje vlees de jongens in verrukking bracht. Het eten was zo gepeperd, dat ze er tranen van in de ogen kregen. ‘Toch lekker,’ vonden ze. Alleen Harmen aarzelde bij elk gerecht dat hem werd aangeboden.
‘Smaakt het jou niet?’ vroeg Bontekoe.
‘Als ik maar wist dat er geen gif in zat, zou je me eens zien eten, schipper!’ zuchtte Harmen.
Zijn makkers lachten. ‘We hebben anders nog geen meelij met je! Als je dát allemaal opeet...!’
De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er allerhande koekjes en gekonfijte vruchten, en na het eten werd er gegiste palmwijn geschonken! Maar nu moesten ze toch ook eens ernstig op zoek gaan naar proviand voor de jol! Ze bedankten het dorpshoofd voor het heerlijke maal. En nu Harmen geen buikkrampen of misselijkheid voelde opkomen, week ook bij hem het laatste restje wantrouwen.
Rolf vroeg de mannen die nog steeds in een grote kring voor het huis zaten, of niemand van hen iets te koop had.
‘Kippen!’ riep er een. ‘Twee geiten!’ klonk het uit een andere hoek. ‘Rijst! Rijst en kippen!’
Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en pluimvee op en liet het naar de jol brengen. Daarna volgden ze de man die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken de ‘geiten’ nog geen maand oud te zijn.
Zijn buurman kwam zeggen dat hij een buffel te koop had. Dat zou zoden aan de dijk zetten! Ze volgden de eigenaar, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi jong beest met een paar geduchte horens.
Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijfeneenhalve reaal van achten. Maar hoe nu de stier naar de jol te krijgen? ‘Als we het aan die kerel overlaten, zien we het beest nooit!’ meende Harmen.
‘We zullen het zelf moeten doen,’ zei Rolf. En hij vroeg in zijn beste Maleis: ‘Is er een weg naar het strand?’
‘Zeker heer, langs de rivier loopt een weg.’
‘Wel,’ zei Harmen, ‘ga jij dan met de prauw terug, schipper, dan slaan wij dit mormel een touwtje om z'n hals en brengen het netjes naar de jol.’
Dat scheen ook Bontekoe het beste. ‘Goed, zie dat jullie het klaar speelt. Tot over een paar uur dus!’
‘Jawel, schipper!’
Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.
‘Zo,’ zei Harmen tegen de eigenaar van de buffel, ‘haal jij nou er eens als de weerlicht een stukkie talie!’
De man raapte een stuk rotan van de grond op.
‘Best, kassie maar aan saja,’ zei Harmen. ‘Dan zal ik hem dat lusje even om z'n nek leggen!’ En vol vertrouwen stapte hij op de grazende kolos af.
‘Kom dan?’ vroeg Harmen vriendelijk, de strik als een verleidelijk lokaas voor zich uithoudend, ‘kom dan, ouwe jongen?’ Maar de buffel kwam niet. Zodat Harmen tot een list overging. Hij maakte van de rotan een lasso en wierp die, na alleronschuldigst nog een pasje genaderd te zijn, de buffel om de horens.
Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar die hield vast. Toen een korte aarzeling, en de buffel boog snuivend de zware kop en stormde met gevelde horens op de onversaagde koksmaat af. In dit hachelijk ogenblik maakte Harmen de sprong waaraan hij het te danken had dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij er eigenlijk nog over nadacht hoe hij zich het best uit de voeten kon maken, hadden zijn armen en benen het werk al verricht; hij greep, de doodsangst in de ogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, zette geweldig af en... sprong haasje-over!
‘Tjoba...!’ stamelde de eigenaar. De anderen voelden een koude rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining van het dorp: daar bleef hij staan, klaar voor een nieuwe aanval.
‘Vooruit!’ riep Rolf de eigenaar driftig toe. ‘Tangkep!’
De man keek schuw op. ‘Wah toean, tida brani, toean...’
‘Wat zeg je? Durf je niet? 't Is toch jouw stier?’
‘Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet meer van mij?’
‘Wat zeit ie?’ vroeg Harmen.
‘Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in 's hemelsnaam mee?’
‘Wachten tot het donker is,’ meende Harmen. ‘Dan draai ik 'm stiekem een touwtje om z'n poten. En dan slapen we vannacht toch maar bij de radja!’
‘Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.’
‘De schipper zal ons zien aankomen!’ smaalde Harmen. ‘En hij zal nóg eens jongens meenemen! Nee, hij heeft gezeid dat we hem de stier moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een uur is het al donker. - En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?’ - Dat laatste ging tegen de buffel. Rolf weifelde. ‘Vooruit dan maar!’ zei hij ten slotte. Hij had ook niet veel lust om zonder het dier in het kamp terug te keren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen zou immers alles opgehelderd zijn.
En de jongens togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst ontving en hun een klein huisje aanbood, dat naast het zijne stond en voor het herbergen van gasten diende. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, verzekerde dat hij het zich een eer rekende de zonen van een schipper van de Compagnie te herbergen. Daarop vroeg hij hun of ze ervoor voelden hun onderdak voor deze nacht in ogenschouw te nemen. Verrukt over de palmwijn en hun hartelijke
gastheer, klommen de jongens in goed vertrouwen, Harmen vooraan, een laddertje op, gingen met gebukt hoofd een lage deur binnen en kwamen in een donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen. ‘Sakkerju,’ zei Harmen. ‘'t Is donker: we hadden wel een dievenlantarentje mee mogen brengen!’
Op dat ogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet gekneveld - en in het duister alleen gelaten.