terug  begin  verder

[p. 213]

Tweede deel

[p. 215]

De zwervers

De zon en de vogels wekten de jongens. Ze voelden zich uitgerust, en het heldere licht van de morgen gaf ook Harmen zijn durf terug.

Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand.

Daarop klauterde Harmen in een kokospalm, draaide een paar jonge noten los - dat was hun ontbijt. Hajo zocht intussen geschikt hout voor een boog. Met Harmens veroverd kapmes hakte hij, een eindje in het bos, een stevige bamboesteel af, die hem zowel de boog als de pijlen moest leveren. De anderen besloten nu ook een boog voor zich te snijden. Hajo had er immers al zo gauw mee leren schieten?

Bij het ontbladeren van de steel merkten de jongens hoe scherp de lange smalle bladeren waren; 't was net of er fijngestampt glas op zat. Door het goed verdelen der ‘knopen’ in het hout, kreeg de boogsteel een gelijke spanning: daarop versterkten ze hem door een korter stuk en snoerden er een bamboeschil omheen, - het sterkste touw dat men zich denken kan. De boogpees werd van hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig lopen, kostte het weinig moeite om uit een enkel stuk bamboe een handvol mooie lange pijlen te splijten die alleen maar wat bijgeslepen behoefden te worden. Voor de punt werd een harde knoop van het hout genomen.

Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor ‘zwaarder wild.’ Hij had in zijn broekzak nog een paar ferme duimnagels gevonden, die hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.

Ziezo, pijl en boog hadden ze nu. En de speer van de poortwachter was een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde dat de punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren niet genoeg, en zo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele stevige Hollandse zakmessen nog drie samengesteld. Zo uitgerust durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw voorbij scheerde, snorden vier pijlen langs hem heen, en Paddes pijl bleek zo goed gericht, dat er een blank veertje omlaag dwarrelde.

Dit was de eerste en tevens de laatste maal dat Paddes pijlschoten voor iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden gevaarlijk werden. ‘Potverdikke!’ stamelde de gewezen botteliersmaat, ‘ik wist niet dat ik zo goed schieten kon!’ Ook de anderen stonden paf. Maar toen bij een tweede aanval op een meeuw Paddes pijl dwars door Hajo's weelderige krullendos flitste, zakte hun bewondering wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde de boog uit de handen, brak hem op zijn knie middendoor.

[p. 216]

‘Da's geen speelgoed voor jou!’ verklaarde hij.

‘Kletskoek!’ schreeuwde Padde woedend.

‘Harmen heeft gelijk,’ zei Rolf. ‘Je bent er veel te onvoorzichtig mee.’

‘Wie heeft daarnet die veer d'r afgeschoten?’ vroeg Padde schamper.

‘'t Geluk is met Jan Stomkop,’ stelde Harmen vast.

‘Kom, geen ruzie,’ zei Rolf. ‘We moeten verder.’

En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als een vlag omhoog gestoken. Padde sloot de rij, met een gezicht als een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder de arm, zodat de punt door het zand sleepte.

‘Kijk Padde eens 'n zog maken!’ Harmen wees op het lijntje dat de speer in het zand getrokken had, ‘je zou denken, dat er een admiraalsschoener voorbijgezeild was!’

Padde dacht nijdig over een antwoord na; vond er geen.

Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, en er werd gerust. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer een paar noten machtig te worden, Maar nauwelijks boven gekomen, stiet hij een kreet van verrassing uit. ‘Een kreeft!

‘Boven in een boom? 't Zal een grote tor zijn,’ meende Rolf.

Harmen deed een veelpotig ding door de lucht vliegen. Het plofte in het zand neer en probeerde een goed heenkomen te zoeken, maar Hajo greep het stevig achter de kop en de geweldige scharen. Het wás een kreeft! En zelfs een heel grote: het gevlekte lichaam mat haast een halve el. ‘Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft die in een boom klimt!’ zei Rolf. ‘Wat zou hij er doen??’

‘Noten gappen!’ riep Harmen van boven.

‘Maar hoe krijgt ie zo'n ding open?’ vroeg Hajo.

Rolf raapte van de grond een half verrotte kokosnoot op. ‘Kijk, hier heeft de steel gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk dat het dier met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze noot...’ - Rolf raapte een tweede op - ‘is op dezelfde plaats opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vlees uit! Je moet je maar weten te behelpen! - Vinden jullie het geen mooi dier?’

‘En fijn in de pan!’ schreeuwde Harmen.

‘Maar we hebben geen vuur.’

‘We eten hem rauw, met kokosnoot!’ Harmen liet zich zakken en brak, na met zijn kapmes de kreeft van zijn geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. ‘Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!’ beval hij Padde. En toen Padde met een stuk vers pisangblad was komen aandraven, lichtte de koksmaat Harmen met vaardige hand het tere witte vlees uit de schaal, schrapte daarover een kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken en uitroepen: ‘Gommenikkie, wat fijn! Net krentemik!’

‘Geef mij een stukkie?’ vroeg Padde.

‘Daar!’ zei Harmen gul.

[p. 217]

‘Fijn!’ verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.

‘Willen jullie niet eens proeven?’ wendde Harmen zich tot de anderen.

Die lieten zich toen ook verleiden. Harmens gerecht (wat was de kreeft anders dan de bekende ‘palmrover’ der tropen?) bleek zo best te smaken dat de jongens besloten goed uit te kijken of ze niet wéér van die uitgepulkte noten onder een boom zagen liggen.

Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd en Harmen kwam op de gedachte om wat te zingen: dat liep lekkerder. Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z'n vieren oudhollandse liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed mee!

Dik was Joppie niet - zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde toch wel dat hij niet verhongerde. Zo nu en dan verdween hij ijverig snuffelend tussen het geboomte; de jongens hoorden een kort scherp geblaf, en wanneer ze er op af gingen, zich met moeite een weg banend door de lianen, vonden ze Joppie grommend gebogen over een rat of een muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem welkom. En als hij zich nu en dan eens in de keuze van zijn spijs vergiste, kwam het een half uur later er vanzelf wel weer uit.

Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was er stil en doorschijnend, en de vier ploften neer om hier de nacht door te brengen. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar de in zee wegzinkende zon.

‘Nu wordt het in Holland dag,’ zei Rolf.

Holland! Hun stemming werd week. Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige huiskamer, met z'n allen om de tafel, weer eens mee te mogen schransen uit moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het huis, de voorbijgangers goeienavond te zeggen - je kende ze immers allemaal? - en als het bedtijd was geworden naar binnen te gaan, het gewicht van de klok op te trekken en achter de bedsteegordijnen, de dekens over je hoofd, weg te duiken in de met ganzeveren gestopte bultzak, waarin in de loop der jaren een kuil was gekomen zo fijn dat je hem voor geen andere ter wereld wilde ruilen.

‘Weet je, wat 't bij mij is?’ vroeg Harmen. ‘Als ik weg ben, heb ik verlangst naar huis. En als ik thuis ben, zie ik toch maar zo gauw mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m'n moeder is natuurlijk ook altijd blij als ik 't zeegat weer uit ben! Nietwaar? Zo'n eter over de vloer! M'n vader werkt op de lijnbaan, hè, daar zit 'm de kneep: hij verdient niet genoeg. Da's te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er ook nog bijkom! De eerste twee dagen is alles botertje tot de boom. Maar dan zegt m'n vader al gauw: ‘Dat je centen meebrengt, Harmen,’ zegt ie, ‘is best. Maar als je je moeder de oren van het hoofd vreet, zijn de centen weer gauw op!’ Nou, dan ga ik liever naar ‘'t Sillevere Anker’, niet waar, daar krijg je alles op krediet, en als je weer hebt aangemonsterd, mag je betalen. En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je 't zelf lezen. Nou ja, dat kan ik natuurlijk niet, hè? 'k Heb lezen kunnen leren van Joris, de binder, maar mijn vader zegt altijd: ‘Van lezen, daar bederven de mensen alleen maar van!’

[p. 218]

Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen afgekomen en tegen zijn dij gaan liggen. Harmen pakte hem op, legde hem in zijn schoot. ‘Als ik aan “'t Sillevere Anker” denk,’ ging hij zuchtend door, ‘dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. Die had verkering met de dochter, een beste meid, eentje van houvast en erg op netjes. Denk je dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! Floor voor en Floor na! En nou te bedenken...!’ Er blonk een traan in Harmens ogen. ‘Ik zal haar zeggen dat ie tenminste recht leit. Omdat ze zo op netjes is, weet je!’

Onverwachts gooide Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep. ‘Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!’

Daar voelden ze allemaal voor. Tegen de boszoom staken ze hun speren schuin in de grond, verbonden ze bij tweeën, legden er een vijfde stok overheen, vervaardigden met behulp van takken en pisangbladeren de zijwanden en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.

Maar een uur later hadden ze het zo warm, dat ze stuk voor stuk de tent weer uitkropen.

De volgende morgen vonden ze daar binnen in allerbehaaglijkste houding uitgestrekt, snurkend en zacht poefend van zaligheid... Joppie.

terug  begin  verder