terug  begin  verder

[p. 219]

Paddes broek

Het was weer een tropische morgen in al zijn glorie. In het bos achter het strand schetterden bij honderden de vogels.

De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan de branding... Ineens begon Padde te schreeuwen en danste met grote sprongen terug naar de plaats waar de kleren lagen.

Wat was er gebeurd? Terwijl zij in zee stoeiden, bleek uit de bomen een compagnie apen ‘schuchter’ te zijn neergedaald. De vermetelste was pasje voor pasje de achtergelaten kledingstukken genaderd, de zwemmende jongens daarbij scherp in de gaten houdend. Toen was Padde begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets uit de hoop weggepakt en vluchtte nu naar de dichtstbijzijnde boom, in een van zijn achterpoten ontvoerend... Paddes blauwgespikkelde broek!

Maar Joppie was door Paddes gegil uit zijn zoete dromen gewekt en wist op het laatste ogenblik het andere eind van de broek te pakken te krijgen. De klerendief kreeg daarop hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de broek rukten. Joppie, bevreesd de strijd te zullen verliezen, loerde angstig naar Padde, die zo vlug als zijn dikke beentjes het toelieten kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een blauwgespikkelde broekspijp, liet Joppie zich van de grond omhoogtrekken. In Paddes knipperende oogjes lichtte de hoop, zijn dierbaar kledingstuk nog te redden...

Op dat ogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve broekspijp op zijn staart, en onder een luid vreugdegegil vloog het stelletje schavuiten met het veroverd vaandel de bomen in. Paddes eerste werk was, Joppie met zijn blote voet een schop tegen het achterwerk toe te dienen; daarna raapte hij het blauwgestippelde restant op, zag dat het net groot genoeg voor een zakdoek was, en ontving zijn makkers met een stortvloed van verwensingen.

Harmen vond het geval zo erg niet. ‘Meissies zijn er hier toch niet in de buurt!’ troostte hij.

Maar Padde was niet te troosten. ‘Als ik m'n broek niet terug krijg, doe ik geen stap meer! Of dacht je, dat ik zó in Bantam wil aankomen?’

Harmen wist raad. ‘Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m'n gangetje maar d'r eens gaan!’ En terwijl de anderen, met twijfel in het gemoed, toezagen, zette Harmen zijn sluw krijgsplan in, dat tot herovering van Paddes broek moest leiden. Hij opende met een woest krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine rovers daar in de bomen beantwoordden het op even uitdagende wijze.

[p. 220]



illustratie

‘Is dat de oorlogsverklaring?’ vroeg Rolf.

‘Ssst!’ zei Harmen. Hij maakte een sprong in de lucht. Boven werd er aan de takken gerukt, opgewonden gekrijst, en enkele apen sprongen op een andere tak over.

‘Zie je wel?’ juichte Harmen. ‘Ze doen je alles na. Wacht maar even, in tien tellen heb je 'm, Padde!’ Hij pakte nu zijn eigen broek op, gooide die met een gebaar van innige afkeer weer op de grond.

‘Chrr!’ zei de aap, die de buit bewaakte. En hij klemde de broek nog wat steviger vast.

‘Mislukt...!’ bekende Harmen. ‘Ik dacht dat hij de broek nu ook zou weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan denken de lui dat je óók een Arabier bent.’

‘Ik wil m'n broek terug!’ snauwde Padde. ‘Ik wil niet voor gek lopen!’

Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. ‘Nou heb ik 't! riep hij uit. ‘In tien tellen, Padde!’ Harmen sneed een dunne taaie rotan af, maakt te er een lus in. ‘'k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!’ zei hij. ‘Geef me je broek even, Hajo?’

‘Waar heb je die voor nodig?’ vroeg Hajo.

‘Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met het ene eind in mijn fikken. Nou leg ik je broek onder de lus en als er dan een z'n jatten doorsteekt om de broek te gappen is ie er bij.’

[p. 221]

‘Maar hoe weet je dat je nou juist de aap met Paddes broek vangt?’

‘Nou, dat is de brutaalste. Die zal er dus wel weer als de kippen bij zijn!’

‘Maar kun je er niet iets anders voor nemen dan mijn broek?’ weifelde Hajo.

Harmen was beledigd. ‘Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z'n fikken door de lus steekt, is er meteen bij!’

‘Ja maar, als ie nou...’

‘Goed! Goed! Goed!’ viel Harmen uit. ‘Dan zal ik m'n eigen broek nemen! Nee, nou wil ik de jouwe niet eens meer!’ En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde hem tussen twee zware wortels - de strik er bovenop. Daarna verstopte hij zich met de anderen achter een struik, de rotan in de hand, gereed zijn slag te slaan.

In de bomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd dat er gevaar aan verbonden was, maar juist dat maakte het de moeite waard. Voorzichtig daalden ze tot boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw gevaar, werd met moeite in bedwang gehouden.

Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met de staart aan een tak boven de broek hangen, slingerde zowat heen en weer, de vingers over de lus slierend en tegelijkertijd aarzelend alle kanten uit spiedend. De aap die Paddes broek geroofd had en de dierbare blauwgespikkelde lap nog altijd in de linkerachterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet de geringste lust te hebben. Harmen vergat dat ze er al zeer weinig baat bij zouden hebben als hij een andere aap ving dan juist die met de broek. Harmens eer stond op het spel; Paddes broek kon hem geen zier meer schelen. Hij loerde, loerde...

De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten slotte een kloek besluit. Hij greep toe. Harmen trok de strik dicht, en de rover was gevangen. Op dat ogenblik wipte vliegensvlug de mijmerende aap met Paddes broek in de linker-achterpoot omlaag, greep met de rechter-achterpoot Harmens ‘lokaas’ en vloog met beide trofeeën krijsend tegen de stam op. Paf stond Harmen, zó paf, dat de rotan uit zijn hand glipte en de gevangen aap met strik-en-al achter zijn makkers aanvluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had zich van zijn laatste kledingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En nu? Daar stond Harmen, groter dan hij geboren was, maar overigens net zo.

Voor verdere proefnemingen wilde niemand meer zijn broek lenen. Er moest dus raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de beide broeklozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn nieuwe kledingstuk aan. Harmen zag er nu uit als een echte menseneter! Hij verzoende zich met zijn lot en voerde met lans en hakmes een woeste krijgsdans uit, waarbij de apen in de bomen hem krijsend aanvuurden.

Rolf raadde aan, de tocht voort te zetten. De jongens braken de tent af en gooiden de stokken en bladeren in het struikgewas, om zo min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand dat de baai begrensde,

[p. 222]

stonden, aan de overkant gekomen, onverwachts voor een pad, dat landinwaarts voerde. Zouden ze het durven inslaan? Rolf vond het veiliger het strand te volgen. Maar nauwelijks waren ze de baai geheel omgelopen, of het strand hield op; hoge rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur de weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen.

Daar de zon begon te steken, deed de schaduw onder de bomen heerlijk koel aan. Het pad moest haast wel naar een dorp leiden; voorzichtigheid was dus geboden. Bij elke bocht ging er een vooruit en gluurde om een hoekje, voordat de anderen volgden. Zo gebeurde het dat Hajo, die ditmaal uitkijk hield, zijn makkers duidde, zich snel te verbergen. Terwijl die in een bamboebosje wegdoken, Joppie haastig meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met bloemen overdekte struik.

Daar kwamen twee kleine naakte kereltjes de hoek omslenteren. Beiden hadden een klein rond bamboekooitje in de hand; Rolf hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst van hun, in kooitjes opgesloten, krekels:

‘Djangkrik jang saja lebih besar!’

‘Jouw djangkrik groter? Wat dan nog? Jang saja lebih brani! De mijne is dapperder!’

‘Jang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!’

‘Nee, de mijne! Jang saja!’ Daarop hurkten de jongens neer, zetten de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot de strijd aan. ‘Kirrr! Kirrr!’ klonk het uit de houten gevangenisjes. Zó waren de jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas stapte en hoe het pad ook aan de andere zijde werd afgesloten door witte mensen, nog wel met speren en bogen gewapend. Tot een van de kereltjes toevallig de ogen opsloeg en van schrik over de grond rolde. De ander wilde het op een lopen zetten, bemerkte dat ze van beide zijden waren ingesloten en wierp zich toen op zijn knietjes. ‘Ampoen! Vergeving...!’

Rolf trachtte de dreumessen wat op hun gemak te brengen. ‘Djangan takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen waar deze weg naar toe leidt.’

‘Minta ampoen, toean besar, minta ampoen... Vergeving, grote heer...!’

Rolf hernieuwde zijn pogingen om de twee duidelijk te maken dat ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zo kwam hij na veel moeite van hen te weten dat het pad naar een dorp voerde, zoals ze al gedacht hadden, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden die ver, heel ver het bos inging...! Met hun bruine armpjes wezen ze in oostelijke richting.

‘Prachtig!’ zei Rolf. ‘Ik dank jullie.’ Daarna boog hij zich over de twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg de eigenaars, de wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan het verzoek. Maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de hele wereld. Tot ten slotte de djangkrik, die wel niet het grootst, maar het meest ‘brani’ was, een schitterende overwinning behaalde. Als de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte wereldburgers afscheid.

[p. 223]

Al gauw kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam deed als brug dienst. Ze balanceerden er overheen en vonden aan de andere kant een zijpad dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in.

Na een tijdje boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de laatste gelegenheid, die zich voorlopig voor een bad bood, niet onbenut te laten. Het water was heerlijk fris.

Ook Joppie moest eraan geloven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. ‘Nou?’ vroeg Harmen, ‘hoe voel je je nou, zonder al die vlooien?’ Joppie glipte, de staart tussen de poten, de oever op en keek Harmen weemoedig aan.

Na het bad rustten de jongens wat uit en dommelden al gauw in.

Bij het ontwaken, toen de drukkende middaghitte wat was afgenomen, merkten ze dat ze een stevige honger hadden. Ze zagen in de omtrek niets eetbaars, haalden de riem dus maar een gaatje aan en gingen verder. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met talloze van die groene vruchten die hun bij het dorpshoofd zo goed hadden gesmaakt: mangga!

Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en het duurde geruime tijd vóór ze bij Padde en Joppie terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid afgekomen: zijn vrienden hadden hem in overvloed toegeworpen. Het oranjekleurige vruchtvlees zat hem achter de oren.

Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tussen met hoge varens begroeide wanden voort; Ze liepen door een droge rivierbedding, die steeds dieper werd. Sinds lang lag het pad in de schaduw van de rechterwand; de linker, die nog in de volle zon stond, bood een verbijsterende aanblik van tropische rijkdom. Wondermooi geschikt lagen de varenschermen; daarboven fonkelden veel kleurige bloemen en fladderden vlinders en vogeltjes. Soms ritselde er iets tussen de varens - dan kwam Joppie in actie!

Hajo liep te dromen. Het was hem, of deze weg naar een sprookjesland moest voeren, naar de verborgen schatkamers van de tropennatuur. Nu sloten de boomkronen zich weer boven hun hoofden ineen; het pad gleed een schemering van groen binnen. Hoe stil werd het! Je hoorde je eigen adem. Hoe warm en vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen...

Ineens stonden ze op een plateau; de wanden waren verdwenen en ze konden van hun hoogte vrijuit de omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, verklaarde geen stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vlijden zich naast hem in het gras.

Een zware zwarte vogel, die een geweldige snavel voor zich uitdroeg, vloog met kleppend wiekengedruis over hun hoofden.

‘Die mag z'n ribbenkast weleens laten smeren!’ meende Harmen. ‘Hij piept als een verroeste koffiemolen!’

‘Een koffiemolen...!’ zuchtte Padde.

‘Dat was een neushoornvogel,’ zei Rolf.

Na wat te hebben gerust besloten ze, ondanks Padde's protesten, toch maar weer verder te gaan.

[p. 224]

De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler. Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend voorop. De anderen floten mee:

 
‘Daar komen de Spekken!
 
Rom-Rom.
 
Ze willen ons nekken!
 
Rom-Rom.
 
Slaat op de trom!!
 
Ze willen ons nekken,
 
De Spekken!
 
Trek nu van leer!
 
Rom-Rom.
 
Stelt u te weer!
 
Rom-Rom.
 
Sluit u in drom!!
 
Sla ze op hun bekken!
 
De Spekken!’

Opeens stonden ze voor een ravijn. Achter de zee van groen, die zich voor hen uitstrekte, zagen ze juist de zon ondergaan.

Hier besloot Rolf de nacht door te brengen. De jongens maakten een hoog en zacht bed van varens - wat veerde dat! - en zaten toen nog wat bijeen op de rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld. Een late vogel steeg er uit op, om de zon nog even te groeten, schitterde een ogenblik lang in al zijn felle kleuren en dwarrelde weer omlaag, gleed in de schaduw terug, een vallend herfstblad.

De hemel verbleekte; de schemering spon de wereld in een grijs waas. Zometeen zouden de krekels gaan tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Uit het bos zouden ze geheimzinnige kreten horen... de nacht zou komen aansluipen, hijgend van moordlust.

Flakkerdeflak! Piiiiiep!

‘'n Vleermuis,’ hakkelde Harmen.

Het laatste roze wolkje was asvaal geworden; hier en daar begon een ster te twinkelen; de nog bleke maan kreeg zijn volle glans. Uit het ravijn stegen witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog. Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op. ‘'t Is me hier een land!’ gromde hij. ‘We komen d'r nooit weer uit.’

Langzaam kwamen de anderen overeind. Een kille windvlaag streek over het plateau. Met moeite hun bevangenheid overwinnend, zochten de jongens hun leger op. Ze kropen zo dicht mogelijk bij mekaar.

‘'t Veert fijn hè, Hajo?’ vroeg Harmen.

‘Ja, 't veert fijn,’ zei Hajo.

Ze zouden er wat liefs voor hebben gegeven, in een Hollandse bedstee et liggen en een deken over de oren te kunnen trekken. Nu hoorden ze de bomen

[p. 225]

boven hun hoofd een samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en hen te verpletteren; ze hoorden de sluipende gang van de tijger. De langs de bomen kronkelende lianen bleken opeens slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met de kop, waarin twee groengouden ogen fonkelden...

Tenslotte sliepen ze in.

terug  begin  verder