
De volgende morgen joeg de zon alle muizenissen weer weg. Kleine vogeltjes schommelden lustig aan de bloemkelken en vulden de lucht met hun vrolijk gesnater. De jongens ontwaakten met een gevoel van bevrijding.
Maar vlak erop volgde een ander gevoel: dat van een lege maag! Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de graat! Ze hadden de vorige dag vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat smaakte wel lekker, maar een hollandse jongen kon er toch niet op leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde trok, die ze in de bomen hoorden koeren, greep Harmen speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeren. Rolf ging ongewapend op ontdekking uit; Padde en Joppie begeleidden Hajo. Er was afgesproken dat allen zowat over een uur terug zouden zijn.
Hajo sloop met Joppie, op enige afstand gevolgd door Padde, door de varens. Zijn eerste schot was bijzonder gelukkig: een duif, belangrijk groter dan de ‘perkoetoet’, (zijn roep klonk meer als: tekoeroerr...) tuimelde neer, de pijl in de borst. Bij zijn tweede schot dwarrelden er alleen maar wat veertjes omlaag, de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal pijlen met een spijker als punt, maar deze zwaardere projectielen wilde hij liever voor groter wild bewaren. Wacht, daar zat op een lage tak weer zo'n grote duif! Hij mikte zorgvuldig en schoot het dier.
Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en gaven elkaar in de
duiventaal de raad, wat uit de buurt te blijven. Nu, twee vette duiven was ook al heel wat; Hajo zou zien, er nog wat eieren bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond twee nesten dicht bij elkaar; in een ervan zaten jongen, al helemaal in de veren, dus blijkbaar op punt van uitvliegen. Toen Hajo's bol zich vertoonde, rezen de soezende dikzakken - weinig jonge vogels worden door de ouden zo lang gevoerd als jonge duiven! - met verschrikte ogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn broekzak. Ziezo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten liggen! Beneden gekomen, liet Padde zijn buit zien, en de jagers keerden tevreden huiswaarts.
Rolf was er ongewapend op uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroene kever of bewonderde een grote gevlekte orchidee, of volgde een rode vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een langsnavelig lilliputvogeltje, half zo groot als de vlinder die het naar het leven stond. Bij dat alles vergat Rolf dat hij eigenlijk een geduchte eetlust had - de natuurvriend won het van de mens.
Opeens stapte hij met een kreet van bewondering achteruit. Voor zijn voeten lag op de grond een bloem, zo groot als hij in zijn leven niet gedacht had dat een bloem ooit worden kon. De open kelk was vleeskleurig, wit bespikkeld; toen hij er zich over heen bukte, vloog er met luid gegons een zwerm insecten uit op, en een sterke, bedorven geur steeg hem in de neus. Lekker ruiken deed de bloem allesbehalve! De insecten die er op afkwamen zouden dan ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde een van de zware kelkbladen op. Het was kil in de hand. Jammer, dat Vader Langjas er niet van meegenieten kon!
Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij dat het wel tijd voor terugkeren zou zijn; nu schoot hem te binnen dat hij toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu zijn lege maag weer! Dan nog maar even rond gesnuffeld! Geen honderd pas verder bleef hij staan. Wat hingen daarboven voor grote stekelige vruchten? Langs de dikke gladde stam omhoogklimmen zou niet meevallen, maar een dunnere boom kruiste zijn takken met die van de reus. Rolf werkte zich in die boom, klom een eind hogerop handig in de andere over en sneed met zijn zakmes twee vruchten af. Ze ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde hij naar de kleinere boom terug en daalde weer af, zocht de vruchten bijeen. Ze waren groter dan een mensenhoofd en met dikke kantige stekels bezet. - Zo belandde Rolf, in iedere arm een van de zware vruchten, op de plaats waar Hajo en Padde al vol toewijding bezig waren de duiven te plukken.
‘Wat heb je daar voor vruchten?’ vroeg Padde.
‘Dat weet ik niet, maar we zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?’
‘Nog niet. Kijk eens wat ik heb?’ Hajo hield zijn duiven op.
‘Die zien er goed uit! Jammer, dat we ze niet kunnen braden! 't Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang weg!’
‘Ja... die zit achter grof wild aan! Zometeen komt hij nog met een koningstijger aanzetten!’
‘Vast!’ lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een van de vruchten. Brrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, die aan uien en beschimmelde kaas herinnerde. Padde kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. ‘Hij zal bedorven zijn, Rolf.’
‘Onmogelijk!’ zei Rolf. ‘De bast is helemaal gaaf, en kijk eens hoe mooi fris het vlees er uitziet! - Wacht! Vader Langjas had het wel eens over een vrucht die allesbehalve lekker ruikt, maar toch goed smaken moet. 't Zal een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.’ - De vrucht was door een geelwitte tussenhuid in kamertjes verdeeld en in elk daarvan lagen een paar vlezige, blanke pitten ter grootte van een ei. Met een moed waarom Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak Rolf zo'n pit in de mond.
‘En...??’
‘Mm’, zei Rolf. ‘Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?’
Aarzelend, met opgetrokken neus, stak Hajo een pit in de mond en moest toegeven dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. ‘Wil jij niet ook eens proeven Padde?’
‘Dank je feestelijk,’ zei Padde. En hij ging een heel eind verderop met het plukken van de duiven door; beweerde dat hij zelfs dáár nog omviel van de stank.
Waar Harmen toch wel zolang bleef?
Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij als een echte menseneter de kant uitgegaan waar het plateau langzaam tegen een berghelling opliep. Door stekelige struiken en rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes gekropen en over dode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij de vleet opliep en honderdmaal wegzakte in vermolmd hout. Een pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar de lange staart, greep mis, viel in de dorens, schold de pauw uit voor al wat lelijk was, raapte droefgeestig een veer op die tussen de struiken was blijven hangen en stak ze in zijn woeste, al geducht lang geworden haren. Hij kwam voor een bamboebos te staan, hakte er met zijn kapmes op los dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem een slangetje op de blote schouder. Hij slingerde het kille monstertje van zich af. Brrr!
En tenslotte was Harmen al hakkende gekomen bij de gedenkwaardige plek waarvan hij later naar waarheid verklaarde dat hij er van verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tussen hoge bamboestelen lagen op mos en bladeren een drietal... katten! Nee maar, dat had Harmen nou nooit gedacht! De katten waren al vrij groot, hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarstrepen; om de staart zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje meenemen, niet om op te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden ze aardig! Ze kropen over elkaar heen, sloegen elkaar met de pootjes. Wat een dikke zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vlugge greep pakte hij er een op. Wat zouden ze daar wel van zeggen zomereen!
En opgewonden zocht Harmen de terugweg. Hij had de richting nog wel in het geheugen, maar de last die hij droeg hinderde hem erg bij het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het geringst verzette - niks
eenkennig dus, zoals die gemene kater van Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden - en in de gordel bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk ontdekte hij tussen de bomen zijn vrienden weer. ‘Hallo! 'k Heb wat, jongens! 'n Kat! Hou Joppie eens vast!’ En voorzichtig uitkijkend naar dorens, naderde Harmen tussen het struikgewas. ‘Alsjeblieft! Daar heb je 't beessie!’
Joppies haren vlogen steil overeind.
‘Maar... dat is een tijger!!’ riep Rolf.
Harmen keek hem verbluft aan. ‘Goeiemorrege...!’
‘Een jonge koningstijger!!’
‘'n Jonge... wát?! Grote griebus! Dan heb ik voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!’ En Harmen liet zijn ‘poes’ met een rilling op de grond vallen. Naar kattenaard kwam het dier op z'n vier poten terecht, blies en liet zijn tanden zien. ‘Laat hem lopen, Hajo!’ waarschuwde Rolf toen die het weer oppakte. ‘We moeten hier als de drommel vandaan, vóór de ouden komen!’ Maar Hajo liet zijn buit niet los. ‘Vooruit, Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die grote vrucht; ik draag de tijger.’
‘Wat wou je met het mormel doen?!’ vroeg Harmen ontzet.
‘Temmen!’ zei Hajo. ‘Hij is nog jong! En dan gaat ie mee naar Hoorn.’
‘Of hij vreet ons over een maand alle vier op!’ gromde Harmen. Hij raapte de doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. ‘Vooruit dan maar!’
Padde volgde bibberend met de duiven, een behoorlijke afstand bewarend tussen zich en het geelzwarte monster dat Hajo in de arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Tot ineens... daar sprong uit de struiken, geen twintig pas van hen af...!
De jongens hoefden er niet naar te raden wie ze voor zich hadden. Daar was hij, de wrede trotse keizer van het nachtelijke Indische woud, geheel onverwachts, terwijl de zon hoog aan de hemel stond. Zelf blijkbaar even verrast, wendde hij zijn zware stompe kop naar de jongens... Die stonden verlamd van schrik; Harmen hief onwillekeurig de doerian op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Rolf greep instinctief met beide handen zijn speer vast; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.
Er was een aarzeling. De tijger trok de lippen op, ontblootte zijn vervaarlijke hoektanden, gromde. Toen richtte hij zijn lichtgroene roversogen op Hajo - waarschijnlijk op wat deze in de armen hield, sloeg driftig de dikke ronde staart over de grond, stootte een kort gebrul uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen...! Hajo kreeg een ingeving en gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een ferme zwaai de tijger zijn jong toe.
Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de tanden in de nek en sprong er in prachtige, soepele boog mee weg in het struikgewas. ‘Besjoer...!’ stamelde Harmen met nog lijkwitte lippen.
Toen holden de jongens het pad af, zo hard ze maar konden, Harmen voorop, benen makend als een beroepshardloper; Padde als laatste, telkens angstig omziend en gillend: ‘Niet zo vlug! ik kán niet zo vlug...!’