terug  begin  verder

[p. 255]

De regen

‘Hoe komen we nou weer bij de anderen?’ vroeg Hajo.

‘We zullen dat weggetje maar eens verder opkruipen,’ zei Harmen. ‘En dan mag ik lijjen, dat we niet wéér zo'n beessie tegen het lijf lopen, want zonder m'n spies bij me zou ik niet weten wat ik tegen 'm zeggen moest.’

‘Ja,’ zei Hajo bezorgd, ‘ze zijn gewoonlijk met z'n tweeën, hè?’

Harmen grinnikte. ‘Nou zijn ze in elk geval niet meer met z'n tweeën! - Hierlangs, Hajo, en hou wat bakboord aan.’

Zo kropen ze voort, zich vastklemmend aan wortels en steenpunten. En na veel geklauter belandden ze met geschaafde handen en knieën weer op het plateau en zochten de anderen op, die triest bijeenzaten in de stromende regen. ‘Een fijn hol gevonden!’ schreeuwde Harmen. ‘Er lag een tijger in, maar die doet niks. Waar, Hajo?’

‘Een tijger?!

‘Een tijger met vlekkies! Maar ik en Hajo hebben 'm even bij z'n staart gepakt en nou zegt ie geen ba meer en geen boe. Kom maar gauw mee. 't Is er kurkdroog en lekker warm!’

Rolf sprong overeind. ‘Kom, Padde! Harmen heeft een droog hol gevonden.’

Padde richtte zich loom op en huiverde. ‘Is 't hier ver vandaan?’

‘Vlak bij,’ zei Harmen. En terwijl Hajo in geuren en kleuren het verhaal over de panter opdiste, begaf het troepje zich naar de plek waar Harmens speer in de diepte gevallen was. ‘Ziezo, we zijn er,’ zei Harmen. ‘Als het bliksemt, spring ik naar beneden.’ - Meteen zette het weerlicht het dal alweer in felle gloed; Harmen berekende vliegensvlug zijn sprong en dook de diepte in.

‘Harmen...?!’

‘Ja, 'k leef nog,’ klonk het van omlaag. ‘'k Ben alleen maar op m'n billen gevallen! Spring maar, Hajo!’

Hajo, die voor Harmen niet wilde onderdoen waar Dolimah bij was, sprong. Harmen ving hem.

‘Nu ik,’ zei Rolf. ‘Maar vang je eerst de noten op?’

‘Gooi ze maar naar beneden,’ zei Harmen. ‘Maar niet allemaal tegelijk: ik héb al een buil op m'n kop.’

Een voor een gooide Rolf de noten omlaag. Harmen had katteogen: hij ving ze allemaal. ‘Nog meer?’

‘Nee. Nu kom ikzelf.’ En Rolf sprong in Harmens armen. ‘Nu jij, Padde!’

‘Springen?’ vroeg Padde.

‘Nee, vliegen!’ zei Harmen. ‘Kom maar: we vangen je met z'n drieën.’

‘En als ik nou te ver spring?!’

‘Dan springen we je na. Kom!’

[p. 256]

Padde gromde wat. Maar tenslotte sprong hij. - ‘Au! O, Au!’

‘Gaat wel over,’ troostte Harmen, ‘Denk je soms dat ik zo lekker terecht ben gekomen? M'n billen branden als helse steen. - Nou jij, Dolimaatje?’

Na enig aarzelen sprong het meisje omlaag. ‘'k Heb 'r!’ riep Harmen verrukt. En voorzichtig zette hij haar neer. ‘Nou Joppie nog. Kom, gil niet als een mager varken! Joppie!’

Piepend en jankend zocht Joppie langs de rand naar een geschikte plaats om af te dalen.

‘Hij durreft niet, de smakker!’ smaalde Harmen. ‘Nou, die komt wel na, hoor. Kom mee, jongens! En voorzichtig-aan! Er staat beneden niemand om je te vangen!’

Zo kropen ze naar het hol. ‘Zie je? zei Harmen, ‘hier zijn we thuis! De hond ligt voor de deur, maar bijten doet -ie niet. Veeg je voeten - d'r is pas gestoft.’

Met een huivering stapten de jongens over de dode panter. Er hing een doordringende bloedlucht in het hol. ‘Ja... dat 't hier lekker ruikt, heb ik niet gezegd,’ verontschuldigde Harmen zich. ‘Maar droog is het wel! En warm!’

Zwijgend zochten de anderen een zacht plekje op, stonden Dolimah de beste plaats af, het diepst in het hol.

‘Als er nou nóg een tijger komen mocht, moet hij eerst over ons heen,’ zei Hajo.

Als er nóg een tijger kwam... - Met een vaag gevoel van onrust luisterden de jongens nog even naar de regen, daarbuiten. Het ruisen klonk nu vaag en ver. Hierbinnen zaten ze droog; het vocht verdampte ook al uit hun kleren. Daar bliksemde het weer. Door het paarsglanzende regenfloers konden ze het ravijn helemaal overzien. Voor de grot lag, als een op zijn post gestorven schildwacht, de panter. Een gebroken speerschacht stak uit zijn gevlekt lichaam omhoog.

 

Toen de jongens wakker werden, regende het nog. Joppie lag tussen hen in te snurken, scheen dus een weg te hebben gevonden. Erg mooi kon die weg niet zijn, te oordelen naar de modder waar Joppie tot achter zijn oren mee vol zat.

Ze kropen naar buiten om de panter bij daglicht te bekijken. Daar lag de rover. Met de staart mee mat hij ruim twee ellen. Harmens speer was hem in de zijde gedrongen en kort bij de punt afgebroken. De andere speer was dwars door het lichaam gegaan en stak er achter het rechterschouderblad weer uit. De bek met de vervaarlijke tanden stond half open was vol gestold bloed; de zware poten lagen krampachtig van het lichaam gestrekt, de gebroken ogen staarden de grauwe regenhemel in.

‘We zullen hem maar in de diepte gooien,’ stelde Hajo voor. ‘Dan zijn we hem kwijt.’

‘Dan zijn we hem zeker kwijt,’ zei Harmen. ‘Daarom zullen we het dan ook maar niet doen. We zullen hem z'n jasje uittrekken: daar heeft ie maar last van, en wij kunnen zo'n stukkie leer best gebruiken! Waar, Rolf?’

‘Al was het alleen al om op te slapen!’ zei Rolf. ‘Daar dringt geen vocht door!’

[p. 257]

‘Dan krijg je ook geen rimmetiek,’ merkte Harmen op. ‘Weet je waar ie ook best voor is! Om een broek uit te snijden. In dat rokkie van mij lijk ik wel een pias.’

‘Die zou je wel staan, zo'n panterbroek,’ lachte Rolf. ‘Kun je goed brullen.’

Harmen brulde dat het hele dal ervan sidderde.

‘Nou, we zullen mosjeu eens uitkleden,’ zei hij daarna. ‘Geef me je mes even Rolf?’

‘Weet je hoe je hem stropen moet?’

Harmen nam werktuiglijk het mes, staarde Rolf met grote ogen aan. ‘'k Zal nog nooit een konijn gevild hebben!’

‘Ja maar dit is geen konijn!’

‘Nee!’ zei Harmen. ‘Een tijger is geen konijn! Maar in 't villen zal het toch wel gelijk blijven! Een rits om z'n achterpoten, één door 't kruis...’ Grimmig trok hij de panter beide speerpunten uit het lichaam.

‘Kon ik z'n achterpoten maar ergens aan vastbinden!’

‘We zullen hem straks wel naar boven slepen,’ zei Rolf. ‘Hier zou je nog met vel en al in het ravijn tuimelen.’

Harmen gaf zwijgend toe.

Toen de jongens het hol weer inkropen, maakte de lucht hen bijna onpasselijk. ‘Zodra de regen ophoudt, gaan we er uit!’ zei Rolf. ‘Hoe voel jij je, Padde?’

‘'k Heb koppijn,’ zei Padde flauw.

‘We hebben nog niet gebikt,’ stelde Harmen vast. ‘'k Val om van de honger.’ Hij hakte een paar noten open, en allen - op Padde na - smulden of ze veertien dagen hadden gevast. Rolf voelde Paddes hoofd eens. Zijn gezicht werd zorgelijk. ‘Padde heeft koorts,’ zei hij. ‘Geef me je pols eens, Padde.’

Steunend reikte Padde hem zijn pols. ‘En... wat heb ik?’ vroeg hij angstig.

Rolf moest tegen wil en dank weer lachen. ‘Ik denk dat je kou hebt gevat, Padde. 'n Geluk dat het hier tenminste droog is.’ Rolf keek naar buiten. ‘Ik geloof niet dat de regen gauw zal ophouden. Dan moeten we aan de lucht hier maar zien te wennen.’

‘Welja,’ zei Harmen, ik ruik er nou al niks meer van. Kom Hajo, we gaan op wat eten uit, voor straks.’

‘Zullen jullie voorzichtig zijn?’

‘We zullen mekaar bij 't handje houden,’ beloofde Harmen. ‘Neem je kapotte speer mee, Hajo, daar steken we wel even een nieuw eind hout in. 'k Heb de mijne ook bij me.’

En samen klauterden ze het paadje weer op. Hun eerste werk was een paar stevige bamboestengels te snijden en die in de ijzeren speerpunten te wringen.

‘Nu naar die kampong!’ zei Harmen. ‘Zien wat er te graaien valt.’ - En in de plassende regen liepen de twee het pad af naar het dorpje. Bij het dal met de sawahs gekomen, waar aan de overzijde de geelgrijze bamboehuisjes met de donkerbruine daken stonden, omgeven door bananenbomen met van de regen glimmendgroene bladeren, zagen ze dat uit het beekje daar beneden een bruine modderige rivier geworden was en dat het bruggetje was weggespoeld. Er bleef hun niets anders over dan om het dal heen te lopen, langs de bosrand.

[p. 258]

Dat viel niet mee; ze haalden zich de voeten open aan wilde ananasplanten en schramden hun handen aan de doornstruiken. Zo duurde het een hele tijd vóór ze bij de kokostuin kwamen. Door het ruisen van de regen heen klonk, klagend, droefgeestig fluitspel. Harmen liet zich tegen de pagger vallen. ‘Wil je wel geloven dat ik nog geen muziek kan horen, of ik denk weer aan m'n viool?’

‘En ik dan?’ vroeg Hajo en ging naast hem zitten. ‘Ik kon het ook al goed!’

‘Dat van die begrafenis kon je nog niet goed.’

‘Daar waren ook zoveel van die moeilijke lange trillers in.’

‘Die maken juist het treurige eraan! 't Heet niet voor niets begrafenis! Of dacht jij dat een begrafenis zo iets lolligs was? Misschien voor de lijk-aanzegger - die z'n broodje is 't, hè? Maar voor de fermilie is het een duur grapje, hoor! Je moet een natje en een droogje geven en...’ Harmen keek eens omhoog. - ‘Zal ik die mooie grote noten daar boven eens plukken?’

‘Harmen!!! Ze zien je vast!’

‘'k Wou dat ze blind waren,’ zei Harmen. ‘Nou, misschien liggen er op de grond wat noten!’ Harmen wipte op de schutting, maar liet zich weer neerploffen. ‘Er komt juist zo'n nikker de tuin in!’ fluisterde hij.

Hajo gluurde door de bamboes. ‘'t Is een jongetje! Hij is alleen.’

‘Zouden ze het horen in 't dorp, als dat knulletje gaat gillen?’ vroeg Harmen.

‘Wat wou je dan doen?’

‘Niks. 'k Ga eens met hem praten.’ En met een ferme sprong was Harmen de pagger over.

Tegen Harmens verwachting in, begon het jochie niet te gillen. Het drukte zich met beide handjes tegen de pagger aan de overzijde, werd vaalbleek in het bruine gezichtje en maakte van zijn ogen rijksdaalders.

‘Tabé!’ zei Harmen. ‘Haal me eens als de weerlicht een paar noten! Makan! Daar!’ En Harmen wees in de bomen en daarna op zijn maag. Het kereltje begreep. Bevend over al zijn leden, maar vlug als een eekhoorntje vloog het tegen een stam op, rustte halverwege even om zijn angst uit te hijgen en klauterde verder, de voetzolen plat tegen de bast. Nu zat hij al boven, leek zelf wel een kokosnoot.

De eerste vrucht tuimelde omlaag. ‘Goed zo,’ prees Harmen. ‘Vang ze maar op, Hajo, en bind ze met de stelen aan mekaar. We zullen wel zien hoeveel we ervan kunnen dragen.’ En hij begon de noten over de pagger te gooien.

De door Harmen aangewezen boom leverde ruim een dozijn noten op. Toen er onder de kruin niets meer te ontdekken viel, kwam het ventje aarzelend weer omlaag, maar Harmen had slechts even te knikken en de ijverige plukker zat alweer in een andere boom. ‘Dat mag ik zien,’ zei Harmen.

Hajo bond de noten intussen bijeen. Toen er drie bomen leeggeplukt waren, vond Harmen het genoeg en wipte weer over de pagger. ‘Ben je klaar, Hajo?’

De noten vielen nog smakkend neer. ‘Hij zal de hele tuin leegplukken!’ grinnikte Harmen. ‘'t Is een handig mormel, hoor, hij verstond me direct. Kom, pak op die noten!’

Een paar uur later waren ze op het plateau. Toen ze weer omlaag wilden

[p. 259]

springen, viel hun oog op... een touwladder! ‘Daar hangt een valreep!’ stotterde Harmen.

‘Hallo!’ klonk het van omlaag. Rolf stond in de ingang van de grot.

‘Hoe komt dat ding daar, Rolf??’

‘Bevalt ie jullie?’

‘Heb jij 'm gemaakt?!’ vroeg Harmen vol ontzag. ‘Da's nog eens werk! Hoe heb je 'm in mekaar geflanst?’

‘Dat zie je. Stukjes bamboe, met rotan verbonden. Met de stok halen we de ladder 's avonds binnen, dan valt geen mens ons lastig. - Waar hebben jullie die noten vandaan?’

‘Heb ik voor me laten plukken,’ grinnikte Harmen. ‘Waar of niet, Hajo?’ En samen vertelden ze het avontuur.

‘Jij bent brutaal als de beul, Harmen!’ zei Rolf. ‘Vandaag of morgen vlieg je weer tegen de lamp!’

Harmen trok een leep gezicht. ‘'t Is met Harremen als met een vlooi! Kom je d'r aan - wip! zegt ie. En de beet heb je te pakken!’

‘Hoe is het met Padde?’ vroeg Hajo.

Rolfs gezicht betrok. ‘Hij ijlt. Dolimah zoekt kruiden. Misschien helpen die.’

Zwijgend, ineens weer bedrukt, gingen de jongens het hol binnen. De regen ruiste.

terug  begin  verder