terug  begin  verder

[p. 260]

Si Kampret

Die middag togen de jongens aan het werk met de panter. Ze sloegen hem een paar dunne rotanstengels om de poten en hesen hem met hun drieën omhoog. Een vrachtje!

Het dier werd aan een lage boomtak opgehangen en nu begon Harmen zijn vilderswerk. Na een half uur hijgen, mopperen en trekken, vloog hij met huid en al tegen de grond, en de panter hing naakt, met puilende ogen, aan de tak te schommelen. ‘Mooier ben je er niet op geworden!’ zei Harmen, terwijl hij overeind krabbelde en zijn zitvak wreef. Hij sleepte het karkas een eind verderop naar de rand van het ravijn en liet daar het in de diepte tuimelen. De panter buitelde over de stenen, gleed over een met varens begroeid stuk helling en sloeg daarna weer over de kop. Tot hij tenslotte in het dichte groen verdween.

Harmen had hem in zijn val nageoogd, wendde zich nu om en zocht een open plek tussen de struiken, waar hij de huid uitspande, de binnenkant naar boven. ‘Ziezo,’ zei Harmen, ‘laat nu het zonnetje maar schijnen.’

Voorlopig leek het daar nog weinig op! Altijd maar door dreven uit het westen zware grauwe wolken aan, schoven de vage randen ineen, werden in die samenvoeging roeterig zwart, stortten hun waterlast uit en vloeiden weer uiteen zodat er een lichte plek door schemerde die de rest van de hemel nog triester deed schijnen. De bergen in het oosten bleven verborgen achter het regengordijn. Als er een paar wolken braken en er een blik op doorlieten, rezen de pieken zo dreigend zwart op dat hun aanblik beklemde.

Harmen dwaalde op zijn eentje wat rond, op zoek naar wild, maar vond niets van zijn gading. Met in zijn voet een grote doorn, die hij er pas na lang peuteren met zijn zakmes weer uitkreeg, daalde hij de ‘valreep’ af.

In het hol was het al donker. Padde lag te ijlen en gaf nergens antwoord op. Hoewel niemand er iets van verwachtte, probeerden ze vuur te maken met wat hout en kokosvezels die ze in het hol te drogen hadden gelegd. Het was te vochtig. Toen gingen ze voor de ingang zitten, staarden zwijgend over het ravijn.

Uit de diepte steeg de schemering op, tot de jongens tegen een hoge grauwe wand opkeken. Steeds dichter kwam de wand; er zat in die langzame nadering iets beklemmends. Nu konden ze nog twintig vadem voor zich uit zien, nu nog vijftien, nog twaalf, nog tien... 't Was net of je moeilijker ademde...

Een grote raaf werkte zich met lome wiekslag door de duisternis, gleed laag over de hoofden der jongens voort en kraste. Net een lijk-aanzegger, vond Harmen.

Achter, in de duisternis van het hol, zat Dolimah bij Padde. Het hoofd naar

[p. 261]



illustratie

hem toegebogen, vertelde ze een oud sprookje van de regen en de rijstkorrel. Onder de invloed van haar zacht, zangerig stemmetje kalmeerde Padde en sliep in.

De volgende dag regen, regen, regen.

Rolf zocht samen met Dolimah in de buurt naar wat kruiden.

‘Ziet u dit plantje?’ vroeg Dolimah. ‘Als je daar de stengels van eet, word je sterk! Het is de sidagoeri lelaki. En dat daar is de daoen tidoer-tidoeran! Als je niet slapen kunt, moet je daarvan een takje onder je hoofd leggen. - Maar ik ken maar weinig medicijnen. De doekoen kent ze allemaal! De doekoen kan ook de boze geesten op de vlucht jagen.’

Rolf luisterde met beide oren. Van alles wat Dolimah vertelde, ging een grote bekoring uit.

Harmen verveelde zich in het hol, trok er maar eens met Hajo op uit. Ze volgden het pad nu in de andere richting, kwamen aan een zijpaadje. Harmen liep het een eind in, hield stil en staarde aandachtig naar de grond.

Hajo kwam er bij. In de bruine modder stonden diepe voetsporen geprent van een tweehoevig dier. ‘Zou het een hert zijn, Harmen?’

‘Wat anders?’ vroeg Harmen. ‘Een duizendpoot? - Alsjeblieft!’ En hij liet Hajo een bosje zijig haar zien dat aan een doornstruik was blijven hangen. ‘Dit is hertehaar.’

‘Zeg, zouden we het niet kunnen vangen?’

‘Daar zit ik al over te prakkizeren,’ zei Harmen, in diepe gedachten.

[p. 262]

Langzaam slenterden de jongens weer terug. Vóór ze de ladder afdaalden, sneed Harmen een paar dunne rotans af.

De stemming in het hol was die avond verre van rooskleurig. Paddes voorhoofd gloeide koortsig; zijn adem ging kort en hijgend. Rolf en Hajo staarden triest naar buiten in de grauwe regensluiers. Zelfs Joppie zat met een droevige uitdrukking in zijn glanzende hondeogen bij de ingang van het hol, huiverde en ging naar binnen, waar hij zich met een diepe zucht neervlijde, de kop tegen Hajo's knie. Dolimah wreef op een platte steen wat kruiden tot een papje en legde dat Padde op de borst. Harmen was de enige die er de vrolijkheid inhield. Tevreden neuriënd, was hij bezig, uit zijn rotanstengels een paar strikken te vlechten.

‘Wat wil je strikken?’ vroeg Rolf.

‘Kleine kindervraag,’ zei Harmen met een knipoogje naar Hajo: om er zijn mond over te houden.

Rolf zweeg, wat geprikkeld.

‘Je zult het wel zien,’ begon Harmen na een tijdje.

‘Niets nieuwsgierig,’ stelde Rolf hem gerust.

Harmen gromde wat. Maar even later begon hij weer zachtjes te zingen. ‘Daar waren drie matroosjes...’

Het werd Hajo week om het hart bij die vaderlandse wijsjes. En toen Harmen weer een strik klaar had, vol zelfvoldoening voor zich uithield en zei: ‘Steek er je kop eens door, Hajo, dan kan ik zien of ie goed aantrekt!’ kon Hajo geen antwoord geven. Hij stond op en ging naar Padde. ‘Padde... slaap je?’

‘Hajo!’ snikte Padde. ‘Ik ben zo ziek, Hajo...’

Hajo ademde diep. ‘Flink zijn, Padde! Als de zon weer schijnt...’

‘Die zie ik nooit meer,’ snikte Padde.

‘Zeg toch niet zoiets onzinnigs.’

Alom zong de regen. Soms leek het ruisen wat minder te worden, ging in tikken over. Maar dan sloeg het water weer fel neer, en de hoop dat morgen eindelijk de zon weer stralend aan de kim zou rijzen, werd weer vernietigd. - Ze gingen nu allemaal slapen. Maar midden in de nacht sprong Harmen overeind en wierp zijn kapmes naar een glinsterend ding, dat over de grond kronkelde en sissend een goed heenkomen zocht. Joppie vloog, de haren steil overeind, tegen de achterwand.

Een slang was het hol ingeslopen.

 

Vermoeid stonden de jongens de volgende morgen weer op: geen van hen had na de ontdekking van de nachtelijke bezoeker nog erg rustig geslapen.

‘Ja, die slang zocht hier natuurlijk de warmte,’ zei Rolf. ‘Wat zou er tegen te doen zijn?’

‘Doodslaan,’ stelde Harmen voor. ‘Dan krijgen ze de aardigheid er wel af.’

De anderen keken bezorgd voor zich uit.

Na een pover ontbijt van kokosnoten, gingen de jongens er weer op uit. Rolf wilde wat knollen en vruchten en eetbare wortels zoeken, en Hajo zou Harmen helpen bij het zetten van zijn strikken. Bij het zijweggetje gekomen,

[p. 263]

slaakte Harmen een kreet van verrassing. ‘Hij is er weer geweest! Kijk maar! En hij wees op hoefsporen, die nog niet eens geheel vol water waren gelopen. ‘Geen minuut geleden moet ie hier langs zijn gekomen! Had ik m'n strikken maar een kwartiertje vroeger uitgezet - dan zat ie er nou al in!’

‘Jammer!’ zuchtte Hajo. ‘Hoe wou je de strikken hangen?’

‘Een voet of vijf van de grond,’ zei Harmen. ‘Dan moet ie zelf weten of ie er in wil lopen!’ En Harmen volbracht zijn stroperswerk met een vaardigheid, die vermoeden deed dat hij dergelijke zaken al eens eerder had opgeknapt.

‘Als ik zo strikken zet,’ begon Harmen in gedachten, terwijl ze weer terugslenterden, ‘dan moet ik ineens weer denken aan m'n strikkies achter de dijk bij Hoorn. Eenmaal had ik er zeven op één dag! 'k Zal 't nooit vergeten: 't was herfst 1616, de zevende van Slachtmaand - zeg nou eens dat zeven geen geluksgetal is. Zeven vette konijnen, en Harremen centen op zak! De volgende dag een haas van twaalf pond, die had zich meteen doodgelopen! Ja, je moet de loopjes kennen, hè? Een ander zet ook strikken en vangt er nog geen pier in! Lange Lijs heeft me eens een strikkie gelicht! De haas er keurig uitgelicht en 't strikkie weer netjes recht gezet. Jawel! Goeiemorrege! Op tien pas zei ik al: daar heeft me die uitgetrokken pijpesteel van een Lijs met z'n wrattige gapjatten aangezeten! De hele grond onder de wol en 't strikkie netjes open, ja, Harmen is gaargestoofd! Ik heb hem zijn ogen dichtgeslagen en hem laten betalen voor een haas van twaalf en een half pond. Later zei Roeffie dat hij m'n strik gelicht had. “Nou,” zei ik, “die uitgezemelde Lijs kan zo'n pak op z'n falie toch best gebruiken, dan weet ie tenminste wat ie krijgt als ie ooit eens trek mocht hebben met z'n mottige fikken aan mijn strikkies te komen!” Van Roeffie kun je wat velen, nietwaar, maar als ik dat platgemangelde tronie van Lijs maar zie, word ik al kriebelig. Laatst ging ie met vissen vlak naast me liggen. “Ga je weg, hoepelstok!!” zeg ik. En hij smeert hem. Haalt ie me aan het andere eind van de sloot niet de snoek op waar ik op lag te loeren?! - Nou, ik kom zo eens achter hem staan. “Mooi snoekkie heb je daar!” zeg ik. “Nou!” zegt die kaaswurm. Meteen geef ik hem een douw dat ie de sloot in vliegt. “Dat heb jij gedaan!” zegt ie woest. “Kan ik me niet herinneren,” zeg ik. “Lijs, moet ik je nou nog leren dat je met vissen niet vlak naast een ander gaat liggen?” - “'k Lig toch ommers niet naast je?” vraagt de slampamper. “Nee, nou niet,” zeg ik, “maar die snoek heb je eerst bij mij weggehaald.” - “Bewijs dat eens,” zegt die lintwurm. “Dat hoef ik niet te bewijzen,” zeg ik, “zo'n vis zwemt achter jou aan, omdat jij net zulke visseogen hebt! Geef hier m'n snoek! En als je nog praatjes maakt, is het ineens uit met de vrindschap, begrepen?” - Nou, toen smeerde ie 'm, de zandloper!’

De jongens waren weer op het plateau aangeland. Rolf kwam hen tegemoet. ‘Heb jullie Dolimah gezien?’

Hun verbaasde gezichten maakten elk antwoord overbodig.

‘Begrijp ik niets van,’ zei Rolf. ‘Daareven kwam ik terug en vond Padde alleen. Misschien is ze wel weer op kruiden uit, maar dan snap ik niet waarom ze me niet even heeft gewaarschuwd. Ik was hier toch in de buurt...’

Zwijgend, de handen om de knieën, zaten de jongens die hele middag voor

[p. 264]

in het hol en staarden naar buiten. Zou Dolimah hen werkelijk verlaten hebben? Dat zou vreselijk zijn. Vol weemoed dachten ze aan Dolimahs zangerig stemmetje, aan haar fijn kopje met de grote glanzende ogen...

Met elk uur zakte hun moed. Dolimah was weg en daarmee alles wat hun in dit land lief was. Waren ze maar weer aan het strand! De zee kende ze! Ze zouden een prauw gappen en weg waren. Waarheen? Het deed er niet toe, maar weg, weg uit dit land!

Ineens!... Wie was dat? De jongens vlogen naar buiten. Dolimah! Dolimah! - En wie had ze bij zich? Daar stond een tenger kereltje met grote uitstaande oren. In zijn wijdopengesperde ogen lag nameloze verbazing uitgedrukt toen hij de jongens zag. Hij maakte een beweging van het op een lopen te willen zetten.

‘Ikoet sadjah, Saleiman,’ zei Dolimah.

‘Eh-eh, mari,’ viel Rolf haar bij. ‘Djangan takoet... Wees niet bang.’

Het bruine ventje met de trotse naam Saleiman aarzelde, snoof zo er eens en daalde toen omzichtig, na zijn sarong naar binnen te hebben geslagen, het laddertje af.

Mooi was Saleiman niet: zijn schale armen en benen waren als uit donker hout gehakt en zijn knieën en ellebogen leken wel dikke knoesten in dat hout. Ook zijn ruggetje was hoekig en bottig, en voor de rest zat Saleiman van top tot teen vol littekens.

Rolf keek Dolimah vragend aan.

‘Saleiman is met me mee gekomen om vuur te maken,’ legde ze uit.

De kleine broodmagere vuurgod wrong bedeesd een paar houtjes uit zijn sarong.

De jongens knikten het manneke vriendelijk toe. Alleen Joppie gromde wantrouwend, een wantrouwen dat nog aangroeide toe hij Saleiman besnuffelde en die hem met zijn mager, knokig been een schop toedeelde waarop Joppie bij zo'n ventje allerminst gerekend had. Saleiman had het trouwens als vanzelfsprekend gedaan, zonder er een blik aan te verspillen, en de ogen waarmee hij nog even schuchter als tevoren de witte mensen aankeek, hadden zelfs niet geknipt.

‘En Saleiman heeft me beloofd, ons wat eten te brengen, niet waar, Saleiman?’ vroeg Dolimah.

‘Eh-eh,’ bevestigde Saleiman.

‘Nu, maak dan eerst maar vuur,’ zei Dolimah.

‘Eh-eh.’ Saleiman bukte zich over de kokosvezels die de jongens de vorige dag nog vergeefs getracht hadden te doen ontvlammen, en begon te wrijven. Zijn neus raakte daarbij zowat de grond en zijn mager en bottig zitvlak stak fier omhoog.

Na een paar minuten hard weren begon Saleiman te blazen - er gloeide iets. ‘'k Zal helpen blazen!’ riep Harmen en bukte zich naast Saleiman. Saleiman stokte; een seconde lang keken de twee elkaar zwijgend in de ogen. Toen ging Saleiman haastig weer door met wrijven. Daar sprong een eerste vonkje over. Saleiman en Harmen bliezen elkaar zowat weg, maar... uit het zaagsel

[p. 265]

lekte een vlammetje! Blazen, jongens! Nog een stukje droge kokosbast erop; een wolkje blauwe rook steeg op tussen de hoofden van de blazers en bleef er als een zegekrans om hangen... Er was vuur!

De jongens keken ernaar alsof ze een schat hadden gevonden. Hè, wat een vrolijkheid brachten die vlammetjes opeens! Hou er je hand eens boven! Lekker warm, hè? Het hol was nu in eens tot in de verste hoek verlicht.

‘Dank je wel, Saleiman!’

Uit deze woorden maakte Saleiman op dat hij nu wel weer kon opstappen. Hij stak de houtjes weer in zijn sarong, sloeg zijn gebatikt kledingstuk naar binnen en klauterde het laddertje op.

‘Kom je morgen terug, Saleiman?’ vroeg Dolimah.

‘Eh-eh,’ beloofde Saleiman. En na nog een schuwe blik naar achteren te hebben geworpen, verdween hij in de regen.

‘Hoe kwam je dááraan??’ vroeg Rolf aan Dolimah.

Het meisje glimlachte. ‘Hij was met zijn vriendjes aan het spelen. Toen heb ik hem gevraagd, even met mij mee te gaan om vuur te maken. Ze zullen er allemaal over zwijgen. - Weet u hoe ze hem noemen?’

‘Saleiman heet hij toch?’

‘Ja, maar ze noemen hem: Si Kampret! De Vleermuis! Omdat hij zulke grote oren heeft, net als een vleermuis. Maar dat wil hij natuurlijk niet horen! “Hoe heet je?” vroeg ik hem. “Si Kampret!” riepen de anderen. Maar hij zelf zei: “Saleiman”. Toen deed ik net of ik de anderen niet hoorde. - Ja... voor een meisje wil hij natuurlijk flink zijn!’

‘Eh-eh,’ zei Rolf.

En Dolimah lachte.



illustratie

terug  begin  verder