De jongens werden door een soort vuurkoorts bevangen: ze sleepten zoveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En toen voor de ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol gezellig bij elkaar zitten. Hoe veilig voelde je je achter die wand van vuur! Maar Padde lag hijgend te staren naar de spookachtige schimmen tegen de achterwand van het hol.
Dolimah keek dromend in de vlammen. Opeens begon ze weer te vertellen, en de jongens luisterden ernaar zoals ze naar muziek zouden hebben geluisterd. ‘Behalve in de kraters van de vulkanen was er vroeger op de aarde geen vuur. De mensen wisten niet, hoe het op te wekken en kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zo vroom leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Ze zeiden tot hem: ‘Omdat je zo vroom bent, zullen we je tot de rijkste van alle mensen maken. Wij zullen je het vuur geven.’ - ‘Het vuur?’ vroeg de man verbaasd, ‘wat is dat?’ - ‘Dat zul je wel zien,’ antwoordden de geesten. ‘Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen elkaar te tikken - en er deze toverspreuk bij te zeggen.’ En de geesten noemden de toverspreuk. - Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. ‘Nu zie je wat vuur is,’ zeiden de geesten. ‘Wend het ten goede aan: bereid er je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt, - dan vluchten de kwade gedachten.’ - Verheugd keek de vrome man naar de vlam die uit het hout opsloeg. ‘Hoe warm is hij! En hoe vrolijk! Kom, ik wil dit aan alle mensen laten zien!’ En hij ijlde naar zijn kampong. Daar kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, de arme, nauwelijks zien. - ‘Goedendag, Dajik!’ wenste de vrome man hem toe. Maar de rijke ging zonder groet voorbij. - Dat verbitterde de arme. En nu kwam hij op een boze gedachte. ‘Als dit bamboe branden wil,’ - zo dacht hij, ‘dan zal het huis van mijn rijke, trotse buurman óók wel willen branden! Ik zal de vlam onder het atapdak houden. En hij ging naar het grote mooie huis van Dajik en tikte haastig de bamboetjes tegen elkaar. Maar ditmaal kwam er geen vuur...! ‘Dat is waar ook,’ dacht hij, ‘ik moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt die nog maar weer? Bismillah... Was het niet: Bismillah... en dan? Hoe hij ook dacht, hij kon niet weer op de juiste woorden komen. ‘Dat is de straf voor mijn boze gedachte!’ zei hij tot zichzelf. ‘Nu hebben de geesten mij de spreuk weer afgenomen en ik ben even arm als voorheen. Maar Dajik zal óók weten wat ermoede beduidt! Ik wil vuur maken!’ En hij begon het hout te wrijven, te wrijven...! ‘Het wordt al warm!’ dacht hij na een poos, ‘het vuur kan niet ver meer weg zijn! Nu is het hout al zo heet, dat ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al zo moe, alsof ik de hele dag gespit heb in mijn kleine akker. Wacht... daar is het vuur!’ - Toen vloog een

vonk uit het bamboe op zijn sarong, de sarong vatte
vlam...! En de man verbrandde! - Maar de rijke had uit zijn venster gezien hoe
de arme het vuur verkregen had. En hij beval zijn dienaar twee bamboestokjes
net zo lang tegen elkaar te wrijven tot er een vonk uitsprong. Zo leerden de
mensen het geheim kennen. Maar de spreuk kent niemand...’
Dolimah was uitverteld.
Het werd stil in het hol. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en knetterde; de vlammen lekten tot aan de bovenrand van het hol. Daarbinnen smoorde je van de warmte.
‘Toch lekker!’ vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze in.
De volgende dag regende het bij vlagen, maar de lucht bleef nog zo grijs als een rattevel. Al vroeg in de morgen verscheen Saleiman boven aan het laddertje.
‘Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!’ nodigde Dolimah uit.
Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde aarden pot, een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een paar bananen.
‘Wat lief van je, Saleiman!’ prees Dolimah hem. ‘Kom je morgen weer terug?’
‘Eh-eh,’ beloofde Saleiman.
‘Heb je daar een soeling bij je? Een bamboefluit?’
Saleiman knikte.
‘Kun je er ook op spelen?’
Instemmende hoofdknik van Saleiman.
‘Fluit er dan eens op?’
Saleiman aarzelt, veegt over zijn neus.
‘Durf je niet?’
Saleiman wendt zich af en kijkt naar de lucht.
‘Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?’
‘Eh-eh,’ stemt Saleiman toe. En hij klimt het laddertje weer op, de sarong netjes tussen de benen. Even tekent zijn bol zich daarboven tegen de lucht af: een bos rommelig haar op een schraal halsje. Terzijde twee flaporen. Ze zijn doorzichtig.
Harmen en Hajo gingen die morgen vol verwachting naar hun strikken kijken, en hun teleurstelling was groot toen er niets bleek te zijn ingelopen.
In het hol terugkerend, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze had uit vastgestampte klei een fornuis gemaakt, dat door het vuurtje daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze de aarden pot geplaatst waarmee Saleiman de grondslag voor het huisraad der zwervers had gelegd. Zo kookte ze een soort soepje van allerlei kruiden, gooide er de rijst in, die nu groengeel van kleur werd, sneed er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het hele geval voor zijn neus.
Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.
‘Padde dan toch!’ zei Hajo. ‘'t Ruikt zo fijn! Jij doet maar niets dan drinken... je moet toch ook wat eten!’
Padde greep Hajo's hand. ‘Hajo... Het is zo slecht met me, Hajo... Ik weet het wel: jullie wilt verder en moet om mij hier blijven... 'k Wou dat ik maar dood ging - dan konden jullie... dan konden jullie...’ De tranen smoorden Paddes stem. ‘Ik ben lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest...’
‘Wat een onzin, Padde!’ gromde Hajo, wie de tranen nu ook in de keel schoten. ‘Jij bent niemand tot last en mij vast en zeker niet! Hoe vaak zijn we samen geen appelen gaan rapen in 't Sinte Clarens? En denk je dat ik maar half zo'n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was geweest?’
Padde kuste Hajo's hand. ‘Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in dit vreselijke land, hoor ik niet thuis. Ik wil terug naar Hoorn... Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m'n moeder en m'n zusjes en broertjes. Als m'n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij... 'k Had ook gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is alles de lucht in...’
‘Welnee, Padde!’ zei Hajo. ‘Op de terugweg verdienen we wel weer geld, dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantam zijn! Als Dolimah zo aan het vertellen is, is het net of we hier nooit weg zullen komen; dan wordt alles zo groot, en je voelt jezelf zo klein en zo vreemd in dit land... Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar niet, hoor! Samen uit, samen thuis!’
‘Hajo,’ snikte Padde, ‘zoals jij is er maar één! Dat heb ik altijd gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen heb ik op z'n gezicht getimmerd!’
‘Nou, heb je nou weer wat moed?’
‘Ja, hoor!’ zei Padde. ‘Wij komen wel weer in Hoorn, hè?’
‘Wees daar maar zeker van!’
Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten te kapen: een paar eieren, nog een aarden potje, drie gedroogde vissen en acht maïskolven.
‘Doe het maar niet weer, Saleiman,’ zei Dolimah. ‘Ik wil niet dat ze het merken en je een dief noemen.’
Saleiman keek beschaamd een andere kant uit.
‘Heb je je soeling weer bij je?’
‘Eh-eh.’
‘Speel dan wat voor ons, wil je?’
Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor de dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes erin gebrand: het mondstuk was gevormd door een van de schotjes uit het bamboe, waarin een smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, die er omheen waren komen staan.
‘Ja, speel maar, Saleiman,’ zei Rolf vriendelijk, de anderen duidend te gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht en zette toen vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken lippen.
Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte toon uit het instrument. Op de toon volgde een wat hogere, even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit terug op de eerste toon, ging weer omhoog, liep met een weke stap over de tweede heen en zong de derde geheimzinnig uit, met een korte zucht na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zo geleidelijk weer omhoog. Ineens... tiereliet! tiereliet! tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk vals. Toch weer niet vals... kan een vogel vals zingen, ook al schettert hij nog zo hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Nu toverde hij tedere roepen uit de nevel en... hoor! een wijsje, zacht wiegend, vleiend... een wijsje, maar toch zou geen van de jongens het kunnen nafluiten. Zo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er geen van grijpen kon - ze verstomden meteen weer. Toen een lange droeve triller, een olijk loopje omlaag en weer een doffe eindeloze toon, waarin een trilling als een lichtveeg op een nachtelijk meer... Saleiman hield op.
‘Was dat de maan?’ vroeg Dolimah.
‘Eh-eh.’ Saleiman keek peinzend in de regenlucht.
‘Kun je het beekje ook nafluiten?’
‘Eh-eh.’
‘En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?’
De kleine kunstenaar dacht even na, bracht de fluit toen weer aan de lippen.
Hoor! Daar komt de slang! Met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten voort; Saleiman beweegt op de maat zijn mager ruggetje heen en weer. - De slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, gespleten tongetje, wendt een paar maal spiedend de kop, kronkelt dan langzaam ineen...
‘Daarmee kun je de slangen lokken, nietwaar, Saleiman?’ vraagt Dolimah.
‘Eh-eh.’
‘Maak nu het vuur eens na?’
Saleiman richt zijn ogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen en... hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag doet ze wat hoger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de vlammen worden kalm. De fluit volgt. - En dan gaat Saleiman fantaseren. Hij houdt zijn ogen star in het vuur
gericht; zij puilen naar buiten en het oogwit blinkt in het bruine gezicht, dat van inspanning nog donkerder wordt. Saleiman roept een woeste brand op. Rode vlammen laaien omhoog, worden helgeel en eindigen in een lange kronkelende punt. Hoei...! Hoei...! Hoei...! - Eindelijk houdt Saleiman op, een triomfantelijke glimlach om de lippen. Dan slikt hij iets weg, kijkt schuchter naar zijn fluit.
‘Nu de twee vogels!’ zegt Dolimah. ‘Ken je de twee vogels ook?’
‘Eh-eh.’
Hoor! daar zingt de ene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere triller. Een lange, lokkende roep... Er gaat een betovering uit van dit magere lelijke jochie met zijn flaporen en zijn littekens. - Nu de andere vogel! O, die wil de eerste nadoen... maar het lukt niet! Hij krabbelt van de ene noot naar de andere, zwelt van eigenliefde als de triller hem zowat gelukt, maakt er nog een fraai haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.
Dolimah lacht. ‘Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?’
Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.
‘Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?’
Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit aan de lippen, sluit de ogen. Zacht en droevig zet hij in; moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en opeens klimmen de tonen omhoog, als om naar iets uit te zien. En nu volgt een tere melodie, met zachte lichte schreden voortgaand, hoger, steeds hoger, tot in de wolken van Saleimans verbeeldingskracht. Saleiman houdt van dit wijsje; hij laat het weer vallen en dan weer klimmen... Onverwachts stokt het wijsje in een schrille toon; Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep adem, brengt hem dan weer aan de lippen en zet weer de droeve wijze van daarstraks in. Steeds weker en zachter, tot eindelijk de laatste klank wegsterft... Dan opent Saleiman de ogen en staart de hemel in.
Dolimah vraagt zacht: ‘Wat was dat, Saleiman?’
Saleiman zwijgt. - Een grote traan welt in zijn ogen op.
‘Nu, hoe heet het wijsje?’ dringt Dolimah aan. ‘Heet het... Saleiman?’
Saleiman krabbelt haastig overeind.
‘Moet je weg?’
Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong een doosje op en schuift het open. Op de bodem zit een vuurvliegje gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de boze geesten beschermen.
De jongens zien de kleine flapoor nu met heel andere ogen vertrekken. Als hij zijn sarong opslaat, om het laddertje te bestijgen, ritselt een slang tussen de struiken omlaag, de helling van het ravijn af. ‘Eh, tjilaka!’ roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn soeling en dievenlantaarntje omhoog.
Harmen heeft een diepe zucht geslaakt. ‘Had ik m'n viool maar, dan konden we samen eens een mooi moppie spelen.’ Maar geen van de anderen loopt erg warm op die wens. Gelukkig merkt Harmen het niet.
Joppie ligt tegen Padde aan te snurken. Hij wou daarstraks met de fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht zoals gewoonlijk in de slaap vergetelheid en vond die ook.
‘Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?’ vraagt Harmen. ‘Door die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.’
Niemand heeft eetlust.
De jongens gooien nog wat hout op het vuur - en gaan slapen.