De volgende morgen vloog Harmen met een schreeuw overeind: ‘De zon! De zon schijnt!!’
Daar stond ze, net boven de bergen. Laaiend goud. Haar koesterende warmte vulde het dal, waaruit de dampen opstegen. De hele hemel was blauw gepenseeld, glansde nog van de natte verf. Over de bomen was een kwastje fris groen gegaan; de bloemen stonden als gemorste spatjes rood en wit en geel en blauw op de struiken. - En hoor het schetteren in de bomen! Daar duikelen ze, de groene parkieten met hun grijze kopjes en kromme snaveltjes; daar fladderen ze en koekeloeren ze, de bronsgroene glansduiven, de koekoekoerrr... roepende tortels, de vruchtduiven met de parelgrijze onderkanten van de vleugels en met de roodbruine manteltjes waarover een purperglans ligt. Als ze van de ene tak op de andere fladderen, druppelen er diamanten van de bomen. En een honingdiefje zwiert in een boog naar zo'n fladderend edelsteentje en vangt het in de vlucht...
Grote vlinders dwalen van bloem naar bloem, maken voor elke kelk een révérence op vlindermanier - door het even neerslaan en daarna statig weer rechtop zetten van de prachtig getekende, oneindig tere vleugels, spreken - om de bloem genoegen te doen - kwaad over andere bloemen, koketteren met het zonlicht op hun wieken en kussen het bloemenhart.
Hoe weldadig brandt de zon op de natte kleren! De jongens staren in verrukking over het ravijn. Hoe mooi zijn nu die groene hellingen met de grote grijze steenvlekken die gisteren nog zo triest schenen. Hoe mooi is het nu ook op het plateau! Waar komt ineens al dat leven vandaan? Waar scholen al die vogels en vogeltjes die nu de wereld vullen met hun zang en gesnater? Waar scholen die bonte kevertjes en torren die nu in grote, snel en sierlijk getrokken spiralen voortsuizen? Kijk, daar zweeft een vliegend draakje onder de bomen door, de rode valschermen wijd open, de staart als een roer achter zich aan. Het diertje slaat plat tegen een stam neer en schiet dan omhoog.
De jongens rekken zich in de zon. Ook de bomen rekken zich; het is alsof hun wortels zich straffer spannen en hun takken zich uitstrekken naar de zon. Ook de bloemen, gisteren nog slap en met gebogen kelken, rekken zich; het is een strijd wie de meeste kevertjes en vlinders lokt.
Padde is naar buiten gekropen. De anderen schrikken als ze zien hoe bleek en mager zijn gezicht geworden is en hoe flets zijn ogen staan. - ‘Kom, ga wat in 't zonnetje zitten, Padde! Het is nu nog best te verdragen. Is het niet lekker zo?’
‘Fijn...’ zucht Padde. Dan sluit hij, vermoeid ademend, de ogen. Van verder trekken zal voorlopig geen sprake kunnen zijn.
Hajo en Harmen gingen weer naar hun strik kijken, maar vonden nog steeds geen gevangen hert. ‘Als ik dáár wat van snap!’ riep Harmen spijtig uit. Tegelijkertijd struikelde hij bijna over een argusfazant, die krijgsgevangen was vóór hij het zelf wist. Het was een haan, een prachtig dier; de twee zwarte staartveren maten wel anderhalve el.
Toen ze thuiskwamen, was Rolf druk in de weer, het hol wat bewoonbaarder te maken. Hij sneed droog gras en bedekte er de bodem mee, die nu veerde als een mollig tapijt, - spande de panterhuid voor het hol op een paar stokken uit: een zonnetent waaronder Padde beschut lag en toch de verkwikkende buitenlucht inademde.
Rolf bewonderde de vangst. ‘De fazant wordt straks de hoofdschotel. En Dolimah zoekt wat vruchten en kruiden; daarvan zal ze ook wel weer iets fijns weten te koken. Dan hebben we nog rijst, een paar gedroogde vissen, maïskolven, voor Padde twee eieren...’
Harmen sloeg zich van plezier op de knieën. Hè! die zon deed je ook zo goed, daar werd je weer een ander mens van!! Kijk, Harmens armen en nek begonnen al te vervellen.
‘Als we hier toch nog wat moeten blijven, konden we ook wel wat huisraad maken,’ zei Rolf. ‘Wat zou jullie zeggen van een paar bankjes en van een tafel?’
‘Wel ja,’ zei Harmen. ‘En een paar kasten in de muur waarin ik 's avonds m'n japon kan uithangen!’ De laatste woorden waren galbitter uitgesproken.
‘'k Zal er voor zorgen,’ beloofde Rolf glimlachend. ‘Help je me een handje, Hajo?’
‘Nou,’ zei Harmen, ‘dan ga ik er nog eens alleen op uit! Zien of ik nog niet wat bij de pluimen kan pakken!’ En met zijn speer gewapend, ging Harmen op pad. De onrust had hem te pakken - dat deed 'm de zon!
Op goed geluk af baande hij zich een weg. Rits! daar schoot een hagedis weg. En daar... een soort patrijs dribbelde onder de lage struiken weg. Harmen liet er zich bovenop vallen. Ja, goeie morgen! Schrammen in zijn gezicht, een doorn in zijn vingers. En de patrijs? 't Nakijken had Harmen!
Hij kwam aan een open plek. Wat was het hier stil! Als in een kerk! Wacht, zat daar geen duivennest? Hatmen de boom in. Wel ja, mevrouw zat zelf op 't nest! De duif merkte het naderend onraad, vloog met veel misbaar op. Twee eitjes! Zouden ze vers zijn? De duif had er al op gezeten...! - Harmen bekeek de eieren tegen het licht. ‘Ik gelóóf... Maar laat ik ze straks even in het water leggen, dan weet ik het.’ Hij borg de eieren in zijn mond en daalde met bolle wangen af. Kra...k! daar knapte een tak; Harmen greep zich net bijtijds aan een andere, hing even in de lucht, sloeg toen zijn benen weer om de stam, braakte een gele vloed eierstruif omlaag.
‘Tóch bedorven!’ gromde hij en belandde al spuwend weer op de begane grond, rukte de eerste de beste vrucht af die hij maar zag hangen - een groen langwerpig vruchtje dat onderaan in een punt eindigde - en hapte erin, om de smaak van vuile eieren althans kwijt te zijn. Maar de tranen sprongen de arme jongen in de ogen, en vol afkeer spuwde hij het groene goedje uit.
Spaanse peper!
Stil! Wat hoorde hij daar? Een schaap?? Harmen drong omzichtig door in de richting waar het geluid vandaan kwam. Daar...! - tussen de bomen glurend kon hij het zien - een geitje! En... 't zat vast! Aan een paaltje. En... in een soort gangetje stond het! Aan beide zijden waren zware balken in de grond gedreven. Als Harmen dáár wat van snapte... een vastgebonden geitje hier in het bos, waar het om zo te zeggen aan de tijgers was overgeleverd...? Waar diende dat gangetje voor? En waarom was het touw zo kort? Het diertje kon nauwelijks grazen! Wacht! Het zou... het zou toch geeh tijgerval zijn? Ja hoor, naar boven kijkend, zag Harmen tussen het groen een valdeur! En aan het eind van het gangetje nóg een! Als de tijger binnenkwam om het geitje op te peuzelen, zeiden die deuren: klap! en de tijger zat veilig opgeborgen!
‘Mè-è-è-èh!’ blaatte het geitje.
‘Stil maar, ik kom bij je!’ zei Harmen medelijdend. ‘Harmen zal je niet door de tijgers laten verslinden, hoor! Wacht maar, je mag met Harremen mee naar het hol, en als de nood aan de man komt... Sjonge-jonge, wat een dikke valdeuren! Als die dichtslaan...! Stil nou maar, ik kom ommers al!
‘Mè-è-è-èh!’ begroette het geitje Harmen met een vreugdevolle trilling in de stem.
‘Goeiemorgen!’ zei Harmen. ‘Tja, kameraad, hoe bind ik je nou los, zonder zelf in de fuik te zwemmen? - Wacht!’ Harmen stak zijn speer naar voren en begon met het scherpe lemmet het touw door te zagen. Nietwaar? Zo kon er niets gebeuren!
Het geitje hielp, door - waarschijnlijk uit angst voor de speer! - de rotan strak te spannen waaraan het vast gebonden zat. Maar toch wilde het doorzagen nog niet vlotten.
‘Sta dan toch stil, sik! Je ziet ommers zelf wel dat ik er zo nooit doorkom!’ mopperde Harmen.
‘Mè-è-è-èh!’ blaatte het geitje.
‘Ja, met mè-roepen komen we er niet!’ zei Harmen.
‘Mè-è-è-èh!’ Het dier zette zich schrap, rukte uit alle macht. Toen opeens vloog het met de kleine horen knopjes tegen de houten zijwand. Het touw was gebroken.
‘Da's mijn kop niet,’ zuchtte Harmen voldaan. ‘Kom, sikkie?’
Het geitje lag op de knieën tegen het houten beschot, krabbelde overeind en nam in zijn beduusdheid een aanvallende houding tegen Harmen aan, de kop gebogen, de horenstompjes geveld. Toen draaide het zich onverwachts om en wilde ervandoor gaan.
‘Hier!’ schreeuwde Harmen verontwaardigd, sprong uit zijn geknielde houding overeind en ging achter het geitje aan. Maar eenmaal in de kooi, zakte een plank onder hem weg; Harmen struikelde en twee zware slagen volgden. Toen hij verward en nog niet begrijpend opkeek, waren de deuren dichtgevallen.
‘Smerige sik!’ schreeuwde Harmen met tranen in de stem het buiten de kooi weghuppelende geitje na. ‘Daar wil ik 'm helpen en...!’ Woedend nam hij zijn speer op, slingerde die uit alle macht in een van de deuren. Er vloog een splin-
tertje af; de speer viel neer. De deuren waren van djati - het hout waarop zelfs de witte mieren vergeefs hun krachten beproeven.
Daar stond Harmen, hijgend, met trillende lippen. De tranen stroomden over zijn bruine wangen. Hij moest er uit, dat stond vast. Maar hoe? De wand was aan alle zijden wel vijf ellen hoog; de grond was, evenals de wanden, uit dikke planken gevormd, waarvan de uiteinden onder de zijwand lagen, zodat er van uitlichten geen sprake kon zijn. Harmen wierp zich op de knieën en begon in het hout te kerven. Maar na een half uur razend werken zag hij het hopeloze er van in en liet zich luid grienend in een hoek neervallen.
Toen hij zo'n beetje was uitgehuild en het hem zelf begon te vervelen, keek hij weer op. Iets moest hij doen! Als hij eens ging schreeuwen? - ‘Hoy! Hèllep!’ klonk Harmens schorre stem. Hoor, hoe het geluid echode in het stille woud.
Geen antwoord. ‘Ja, toch, heel uit de verte: ‘Mè-è-è-èh!’
Hij schreeuwde opnieuw. Toen vlug achtereen, om zijn eigen echo niet te horen. Eindelijk zweeg hij, hees geschreeuwd. ‘Hoy...’ klonk het van alle zijden. ‘Hèllep! Op-ge-sloten...’
Harmen stopte de vingers in de oren. Hij ging met de rug tegen een van de deuren staan en duwde uit alle macht. Geen beweging te bespeuren. Tegen de andere deur! Zat al even rotsvast. In dolle woede begon Harmen met de hielen te schoppen, tot ze paars en blauw werden. ‘Ik wil er uit! Ik wil hier uit!’ gilde hij.
‘Uit-uit-uit-uit-uit...’ klonk het van alle zijden.
Harmen verbleekte. Hij baadde in het zweet. De zon flonkerde tussen de bladeren boven zijn hoofd.
Wacht! Hij zou de speer als polsstok gebruiken en met een ferme sprong...! Kalm nu! Harmen stelde zich aan het einde van de kooi op, de rug tegen de deur om een zo groot mogelijke aanloop te hebben. Bij die spleet daar zou hij de speerpunt planten en dan, met een geduchte afzet, boven op de andere deur belanden.
Daar ging Harmen! Hij klemde de handen om de top van de speerschacht, zwaaide met wijde boog de lucht in...!
Toen brak de speerschacht. Met een doffe smak kwam Harmen op de planken terecht. Duizelend stond hij op, trachtte zich ergens aan vast te grijpen, wankelde, viel weer neer en bleef liggen...
Toen hij met een loodzwaar gevoel in zijn hoofd de ogen weer opsloeg, was het laat in de middag, en de vogels, die daarstraks in de uren van de grootste hitte gezwegen hadden, schetterden nu alle dooreen. Harmen was aanvankelijk alleen maar verwonderd. Zéér verwonderd. Daarna kwam onverwachts een vaag gevoel van onrust in hem op; hij greep met de handen naar zijn hoofd, probeerde zich iets te herinneren. Hij krabbelde overeind, leunde met gesloten ogen tegen de wand, hoorde het vogelgerucht heel heel ver weg. Toen werd het wat beter. Hij opende zijn ogen, zag de balken van zijn hok.
Opgesloten zat hij. Aan zijn pijnlijke ogen voelde hij, dat hij gegriend had.
Dat hielp dus niet veel. Straks, of anders morgen, zouden ze wel komen, die smerige kannibalen die de val hadden neergezet, en hem oppeuzelen.
‘Hèllep!’ schreeuwde Harmen. ‘Hèllep!’ En luisterde met ingehouden adem. De vogels in de buurt hielden verbaasd met hun geschetter op. Toen gingen ze weer door, overstemden de echo van Harmens roep.
Harmen vond dat alles zich tegen hem keerde. De bomen in hun harteloos zwijgen, de vogels in hun inhoudloze schettering. Hij nam de afgebroken speerschacht op en mikte ermee op een papegaai die, zich vastklemmend met bek en poten, langs een twijgje naar een langwerpige vrucht scharrelde. Verschrikt krijsend fladderde de papegaai weg.
Harmen ging zitten, staarde naar de wand tegenover hem. Zouden zijn vrienden hem zoeken? Hij dacht eens na hoe ver hij wel van het hol was. Hij was in westelijke richting gegaan: eerst had hij achter de patrijs aangezeten en toen... Natuurlijk zouden ze hem nu missen en op zoek gaan. Onwillekeurig dacht hij er al over na hoe hij dit avontuur zou kunnen opsmukken met allerlei tierelantijntjes. Een tijger was over de houten wand heen pardoes in het hok gesprongen en met Harmen een gevecht op leven en dood begonnen. Natuurlijk overwon Harmen, anders zou-d-ie het niet kunnen navertellen, nietwaar? Hij had het monster bij z'n strot gepakt en het de slagtanden uitgebroken. Toen was het zo mak als een lammetje geworden. Het had Harmen een poot gegeven en gezeid: ‘Dat lap je 'm, Harmen! Tegen jou kan ik niet op...’ - Harmen sprong overeind, haalde diep adem. Was het mogelijk dat hij er zich nu mee bezig hield hoe hij later dit bitter ernstige geval met fraaie krulletjes zou opsieren? Had hij niets beters te doen? Ach, de wereld was een poppenkast; de mensen wisten zelf geen ernst van zotheid te onderscheiden...
Het was wel ver met Harmen gekomen, dat hij er de mensen en de wereld de schuld gaf dat hij, Harmen, zo dom was geweest in een val te verzeilen, die niet eens voor hem was neergezet.
De schemering viel in, en nieuwe angst bekroop hem. Zijn verbeelding toverde hem de gruwelijkste dingen voor. Hij kroop in een hoek, borg het hoofd in zijn arm weg.
Toen hij de ogen weer opende, was het donker geworden. Maar boven de andere deur, aan de overzijde, keek de maan door de stelen van het bamboe. Bleek, nog zonder glans. De rust die er van uitstraalde maakte dat hij wat kalmer werd.
Na er een tijd lang naar te hebben gekeken, begon Harmen te dichten. Hij maakte er overeenstemmende gebaren bij, stelde zich met het gezicht naar de maan als een declamator op.
De maan werd vloeibaar zilver. Krekels tsjirpten. Muskieten gonsden om Harmens hoofd.
Rikketikketikketik! Een boomkikvors. Het krekelconcert nam gedurig in toonsterkte toe; steeds nieuwe muzikanten stemden in. Stilletjes zat Harmen te luisteren naar de dromerige zingzang van de Indische nacht, weerde nu en dan met de hand de muskieten af. Soms deed een windvlaag de bomen zuchten.
Opeens spitste Harmen de oren, richtte zich overeind. Daarbuiten werkte zich... een dier... tegen de houten wand op! Rillend over het hele lijf greep Harmen het stuk schacht met de speerpunt en wachtte...
Daar stak iets boven de palissade uit. Een bruin kindergezicht met grote, verschrikte ogen en wijd uitstaande flaporen stond als een uitgeknipt portretje in de omlijsting van de maan.