terug  begin  verder

[p. 295]

De dans ontsprongen

Al vroeg in de volgende ochtend werden de zwervers wakker door het verwoed gekrijs van een paar dozijn kleine apen, die de rotswand aan de overzijde op- en afvlogen, met handen en voeten steun vindend bij de steenpunten. Ook in de bomen daarboven krioelde het. De jongens schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.

De zon was nog niet op. Tegen de lichtblauwe hemel gloeiden een paar roodgrijze wolkjes. In het zuiden trokken kalongs voorbij in de richting van de kust. Nog trager dan 's avonds, wanneer ze op plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, naar hun dagslaapplaatsen terug. Nog een paar achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet hadden kunnen scheiden! - voorbij was de stoet.

Nu kwamen van het westen, in tegenovergestelde richting, donkere wolken aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter de rotswand aan de overzijde op, tot er langzaam een zware, zwarte wand over de kloof neerzonk, die nu iets van een lange, griezelige grafkelder kreeg.

De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden nog wat slaperig naar boven. Alles was even duister en geheimzinnig: die zwarte lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu en dan een licht buikje van een aap glansde, die donkere bomen daar heel in de hoogte... Het schuimende water schitterde hel op uit al die donkerte, en het geruis scheen sterker te worden naarmate de druk in de natuur de andere geluiden deed verstommen. De aapjes krijsten nu niet meer, sprongen haastig op en neer, soms vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes naar de jongens loerend met vinnige ogen, of de bek opensperrend, zodat de hoektanden geheel bloot kwamen.

Onverwachts, alsof er ineens een reusachtige dievenlantaarn geopend werd, sloeg een vals goud licht van onderen tegen de zwarte wolken op. Het werd nog stiller. Het ruisen van het water kreeg zo'n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit meer iets anders horen zouden; in de ban daarvan lagen ze futloos neer.

Maar daar begon het uit de hemel te lekken. Warme regendroppels vielen op hen neer en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het apenvolkje haastig naar z'n nesten hoog in de bomen vluchtte, sprong Rolf overeind en keek de anderen verschrikt aan. ‘Jongens! het gaat regenen! En de rivier... zal vollopen!!’

Harmen, Hajo en Joppie waren meteen op de been. Ze moesten hier weg, dat begrepen ze, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen - Harmen vond nog juist even tijd de

[p. 296]

biawak van de roof te verdenken en in het algemeen zijn mening over biawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en daar ging het...!

't Zou niks lollig zijn als we verdronken!’ vond Harmen. ‘Alle moeite en kosten voor niks geweest hè?’

Uit de vallende druppels werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide het water omlaag.

Na een half uur was het pad naast het riviertje al overstroomd; de jongens moesten goed uitkijken waar ze hun voeten neerzetten.

Joppie plaste met grote sprongen door het water, dat hem al bijna tot aan de borst reikte. En ineens dreef hij af, probeerde nog tegen de snelle stroom in te zwemmen, maar werd meegesleurd. Tot hij zich op een hoge steen in veiligheid wist te brengen. Zacht jankend, wachtte hij de jongens op.

‘Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!’ jammerde Padde. ‘Ik hád al zo iets gedacht!’

De anderen luisterden niet naar Paddes wijsheid achteraf. ‘Kom dan maar hier, mormel!’ zei Harmen en nam Joppie onder de arm. ‘Jij bent ook een mens!’ Joppie begon Harmens gezicht dankbaar te likken, waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks verwensingen kon verweren, want hij had beide armen vol.

Dolimah waadde zwijgend tussen de anderen voort, nu en dan angstig omhoogkijkend.

De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën en Paddes draagstoel dompelde onder, telkens wanneer Hajo of Rolf in een kuil trapte: Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om dát althans boven water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.

Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedogenloze stenen wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan de buik te reiken, zodat Padde rechtop moest gaan zitten.

‘'k Heb zo'n honger...’ klaagde Harmen. Geen der anderen leed in dit hachelijke ogenblik aan honger.



illustratie

[p. 297]

Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig. Onstuimig danste het water tussen de stenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo's vingers, en Padde ging samen met Rolf kopje onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water voort. Rolf tornde tegen een steen op, wist zich erop te werken en keek verward naar de anderen uit. Padde dreef door, ploeterend met armen en benen...! - Maar op hetzelfde ogenblik had Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, met krachtige armslagen. Hij won terrein, kreeg de spartelende Padde bij zijn benen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook op de been. Hulpeloos, zich nog moeilijk staande houdend, klemde Padde zich aan zijn makker vast.

‘Pak ons maar bij de arm, Padde!’ zei Rolf, die hijgend kwam aanwaden. ‘Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is weggedreven.’

De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.

Ze gingen een bocht om, en Harmen stootte een verschrikte kreet uit... de kloof sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot binnen. Wat te doen?! Nergens konden ze naar boven; er was maar één uitweg... ‘De grot in!’ beval Rolf.

‘Ik durf niet...!’ snikte Padde.

‘Kom mee!’ zei Rolf onverbiddelijk.

Hij werd gehoorzaamd. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de stroom haar vanzelf de grot in. Joppie in Harmens armen kreeg het te kwaad van angst. ‘Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!’ mopperde Harmen. ‘Dan ga je meteen overboord, begrepen?’

Joppie begreep.

De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend zwart van het water dat er langs neervloeide; hier en daar was de grot zo laag dat de jongens met gebukt hoofd moest lopen. Overigens scheen hij als vergaderzaal voor vleermuizen te dienen, die piepend protesteerden tegen het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze nauwelijks op, schrokken hoogstens even wanneer er hun een vlak langs het gelaat fladderde. Verder! Gejaagd, nu en dan het hoofd stotend in de duisternis, strompelden ze door het water, de blik star vooruit: of nog geen lichtschemering het einde van de grot zou aankondigen. Padde kon zich niet meer op de been houden, werd half gedragen. Hij leunde zijn hoofd op Hajo's schouder en verzette nauwelijks meer zijn benen, toen...!

‘Licht!’ riep Hajo. ‘Het wordt weer licht!!!’

Dat staalde de spieren. Met opgetrokken schouders, als drukte de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige grot met z'n muffe lucht en z'n vleermuizen. Ja! daar was het daglicht weer, heerlijk, heerlijk daglicht!

Ze kwamen de grot uitwaden, keken om zich heen en haalden diep adem. De steile rotswanden waren verdwenen; de rivier verbreedde zich, stroomde

[p. 298]

tussen zacht glooiende oevers. Met een vreugdesnik wierpen de jongens zich voorover in het water en zwommen naar de wal, Rolf en Hajo met Padde aan de hand. Harmen hield Joppie in zijn nekvel voor zich uit.

Ze kropen aan de oever, hielpen Dolimah op de kant. Toen zochten ze, nog wankelend, een zacht plekje op en lieten zich neervallen.

‘Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?’

Joppie lag met de kop op de voorpoten. Hij zuchtte diep, kroop naderbij en vlijde zich tegen Harmens dampende lichaam aan.

Oververmoeid sliepen de jongens in.

De regen ruiste neer.

terug  begin  verder