terug  begin  verder

[p. 299]

Harmen en Padde op de visvangst

Toen ze wakker werden, was het droog. De zon scheen weer. Van de grond stegen opwekkende geuren op. De natte, nog glimmende bomen, de zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit; de lucht was vol vogelgerucht.

Kijk! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de stenen, dat het water hoog opschuimde, fel blinkend nu de zon er op scheen. De ingang van de grot, feestelijk getooid met bloemen en varens, zag er zo lokkend geheimzinnig uit dat je nog bijna lust zou krijgen er weer in te gaan. Brr!

Terwijl Dolimah bij Padde bleef zitten, keken de anderen naar iets als een pad uit waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar alles was met dicht struikgewas begroeid.

Harmen dacht voorlopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare vruchten en kwam daarmee dadelijk terug om een vuurtje te maken waarin hij ze zou kunnen poffen. Na veel moeite wist hij uit een paar splinters een vlammetje te toveren. ‘Hajo!’ riep hij, ‘zou je voor de kombuis niet een paar vette duiven kunnen provianderen? Ze zitten hier zat, je hoeft ze maar te fluiten!’

Hajo kwam juist met Rolf aanlopen. ‘Ik heb nu geen tijd!’ zei hij opgewonden. ‘Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de rivier afzakken! Met een vlot!’

Harmen vergat de duiven, sperde verrast zijn mond open. ‘Daar krijg je me voor!’ En meteen ging hij met de anderen aan het werk.

Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte van vijftien voet terugbrachten, nog evenveel stelen van tien voet, en maakten daaruit de onderbouw. Gelukkig tierde er welig rotan - waar eigenlijk niet? Ze ontdeden de buigzame taaie stengels van de dorens en gebruikten ze om de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.

Dolimah was komen kijken. ‘Bikin apah?’ vroeg ze. ‘Wat maken jullie?’

‘We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!’

Terwijl de jongens hijgend over het vlotgeraamte kropen en trokken en zwoegden dat het zweet hun onder de haren wegdroop, keek ze peinzend toe. ‘De rivier gaat naar zee,’ zei ze na enig zwijgen. ‘Alle rivieren gaan naar zee.’

‘Nu, dat willen we immers ook!’ zei Rolf.

‘En dan?’ vroeg Dolimah zacht. ‘Als u bij de zee is aangekomen...?’

‘Dan varen we naar Bantam! We zullen wel ergens een boot vinden.’

Dolimah zei niets meer, ging zwijgend weer bij Padde zitten.

Na een paar uur was het geraamte voor het vlot klaar. Drie vaardige scheeps-

[p. 300]

jongens die drie knopen sloegen in de tijd dat een landrot nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knopen nog even af, alsof hij de bootsman zelf was. ‘Als de boel gaat wrikken, is de schuit geen pruim meer waard!’ stelde hij vol vakkennis vast.

‘Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken,’ zei Rolf. ‘Als we er eens half gespleten bamboes overheen bonden?’

‘Je kan er voor mijn part net op binden wat je maar wilt,’ verzekerde Harmen. ‘Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen naar boven en de bijbel in de hand. Maar Harremen zal eerst eens zien of er niks te bikken valt!’

‘We kunnen wat gaan vissen!’ zei Padde vanaf de plek waar hij zat.

Padde was soms toch nog snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van etensproblemen.

‘Zou hier in het water vis zitten?’ vroeg Hajo.

‘In het water eerder as op de bomen.’ nam Harmen aan. ‘Je kunt eens een lijntje uitgooien, hè? En als 't niet wil bijten, spuug je maar eens naar je dobber, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, Padde, daar lig je goed.’

‘Hoe kom ik aan een simmetje?’ vroeg Padde.

‘Had ik m'n broek nog maar,’ zuchtte Harmen. ‘Daar zaten haakjes zat in; ik kon m'n hand niet in m'n zak steken, of er bleven er een paar aan m'n vingers hangen. 'k Heb altijd graag mogen vissen.’

‘Een bamboe haakje is ook hard genoeg,’ meende Rolf.

‘En ik heb nog wat pikdraad in m'n zak!’ zei Hajo.

‘Hier d'r mee!’ beval Padde, die kwam aansukkelen en ineens weer vrij aardig ter been scheen te zijn. Vissen was altijd zijn lievelingswerkje geweest. ‘Ziezo. Gaan jullie maar door met dat vlot, dan zal ik wel voor een lekker maaltje vis zorgen.’

‘Laat mij eerst 't goede plekkie zoeken,’ zei Harmen. ‘Anders vang je nog niks.’

‘Ik weet de goeie plekjes zelf wel te vinden!’

‘Ja, om te maffen,’ schimpte Harmen. ‘Kom mee!’

Terwijl Padde en Harmen ter visvangst togen, Padde zich mopperend verwerend tegen Harmens bazigheid, spleten Hajo en Rolf dunne bamboetjes doormidden en legden die met de bolle kant naar boven over het vlotgeraamte. Met rotanstengels werden ze vastgesjord.

Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het vlot bekleed. ‘Kom,’ zei Rolf, ‘de zon gaat al onder! Zullen we eens gaan kijken, wat de visserij heeft opgeleverd?’

‘Padde kan het goed,’ verzekerde Hajo. ‘Hij kwam altijd met de meeste vis thuis.’

‘Nou, m'n maag kriebelt al!’ zei Rolf. Samen liepen ze naar de kreek, waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobber zaten te turen. Padde was kletsnat.

‘Wil 't wat bijten?’ vroeg Hajo.

Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: ‘Als Harmen zijn vingers maar thuis hield!’

[p. 301]

‘Wil je 't water weer invliegen?’ vroeg Harmen.

Padde zweeg, woest.

 

Toen de beide vissers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst een hengelstok gesneden, er een fijn ‘simmetje’ aan gemaakt, met aan het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit de grond hadden geklopt. ‘Ziezo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je goed: onder een boom lig je altijd goed,’ zei Harmen.

Ik wil vissen,’ verklaarde Padde. ‘Ik ben op de gedachte gekomen!’

‘Zien, dat je er weer afkomt,’ raadde Harmen hem aan. ‘Jij kunt met je knipogen ommers geeneens zien of je tuk hebt?’

‘Misschien beter dan jij!’ zei Padde verontwaardigd. ‘'k Ben al eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!’

‘Dan had je zeker een fuikje gelicht,’ meende Harmen. ‘Nou, hou je gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep en tegen de kant - daar zitten ze.’

Er werd enige tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar de dobber, Padde stug, jaloers dat Harmen de hengel hield; Harmen vol rustig vertrouwen dat hij wel gauw ‘tuk’ zou krijgen.

Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen de oever. Harmen trok hem weer wat van de kant, gooide een handjevol zand en kiezel in het water. ‘Daar komen ze op af,’ lichtte hij toe.

‘Of ze zwemmen er voor weg,’ zei Padde.

‘k Wou, dat jij ook maar wegzwom!’

Zwijgen. De dobber dreef weer langzaam tegen de kant.

‘Spuug eens in het water?’ vroeg Harmen. ‘Om ze te lokken?’

Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.

‘Spuug nog eens?’

‘'k Heb geen spuug meer,’ zei Padde, onwillig om bij te dragen tot Harmens succes.

‘Wat een vent!’ smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, zodat de vissen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welke kant zij zich gelokt voelden.

‘Weet je wáár vis zit?’ vroeg Harmen.

‘Jawel,’ zei Padde, ‘daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.’

‘Nee, bij Lubbes. Achter 't dijkje, bij de molen van Stoppel.’

‘Zal ik niet weten! Wurmen zijn er daar ook zat. Laatst was ik m'n flessie verloren, en toen moest ik daar verse wurmen zoeken. Zoveel als je maar lustte, hoor!’

‘Je flessie verloren?’ vroeg Harmen na enig turend zwijgen, (de jongens spraken met grote pauzen en staakten het gesprek zodra er enige beweging in de dobber scheen te willen komen) ‘je flessie verloren? Bewaar jij je wurremen in een flessie?’

‘En jij dan?’ vroeg Padde.

Pauze. Zwijgen. Turen.

[p. 302]

‘In m'n mond natuurlijk,’ zei Harmen. ‘Dan blijven ze lekker vers. - Weet je wat me laatst overkomen is?’

‘Nou?’

Lange pauze.

‘Toen is me zo'n mormel in m'n strot gekro...’ Pauze.

‘In m'n strot gekro...’

Lange pauze.

‘In m'n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte ik de anderen ook nog in. 'k Had juist een reuze-tuk, anders had ik 't natuurlijk wel gemorken. - Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein pestdingetje. Maar meteen dat ik opsla, zit er een snoek bovenop. Ik laat vieren...’

‘Harmen! Je hebt tuk...!’ fluisterde Padde.

Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar ogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.

‘Zal ik niet merken als ik tuk heb!’ smaalde Harmen na een diepe zucht. ‘Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet vieren...’

Maar Harmens snoekverhaal had geen geluk: weer scharrelde het dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.

‘Haal op!’ gilde Padde met onderdrukte stem.

Harmen schudde het hoofd zonder één ogenblik zijn blik van de dobber af te wenden. ‘Hij zuigt ommers pas!’

‘Haal op!’ raasde Padde. ‘Hij vreet je hele haak schoon!’

‘'t Is geen vreten,’ verklaarde Harmen, koppig. ‘'t Is zuigen.’

Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje bijna onmerkbaar. De ogen deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zover gevierd, minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging het langdradige verhaal nog verder te vieren en hij de snoek dus maar zwemmen liet. - Het dobbertje roerde zich nu helemaal niet meer en lag weer tegen de kant.

‘Wat een sjagrijn was dat!’ zei Harmen. ‘Zuigen maar, anders kon ie niks.’

‘Wedden dat ie je haak heeft schoongevreten?’

Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensing een ‘schone’ haak op.

‘Zie je nou wel?’ vroeg Padde zegevierend. ‘Ik zag het wel dat ie 'm schepte! Als je hem had opgehaald toen ik het je zei, hadden we hem gehad.’

‘Vooruit, vang jij 'm dan!’ Harmen reikte Padde de hengelstok.

Padde zweeg, wurmde een pier aan de haak. ‘Ik ga daarginder liggen!’ verklaarde hij. ‘Waar jij lag, is 't een rotplekkie.’

‘Jij zoekt zeker weer naar 't zeeziekvrije plekkie?’ hoonde Harmen.

De jongens waren op Paddes uitverkoren plekje aangeland. Met overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte boven de grond ‘liggen’. De jongens wachtten enige tijd. In de dobber viel nog geen beweging te bespeuren.

‘Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste nog tuk,’ merkte Harmen op.

‘Ik heb liever helemaal geen tuk als zo'n smerige tuk als jij had!’ verklaarde Padde.

[p. 303]

‘Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?’ vroeg Harmen beledigd.

‘Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?’

‘Wel allemachies!’ stamelde Harmen. ‘En daarnet zei je...’

‘'t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn,’ zei Padde, ‘omdat je veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige vis, die naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zo slecht!’

‘Toch wou je dat je hem had, die katterige zuigvis!’ zei Harmen.

Zwijgen. Turen.

Eindelijk... daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het dobbertje, de hengel beet.

‘Laat je los!?’ beet Padde hem toe.

‘Ssst! Ik help je alleen maar wat.’

‘Je zei dat ik alleen mocht vissen!’

‘Nou goed dan, we vissen allebei alleen!’ En Harmen rukte Padde de hengel uit de handen. ‘Nou heb je je zin. Vis nou maar alleen.’

Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. ‘Die is voor jou!’ verklaarde Padde ten overvloede.

Harmens ogen rolden. Hij kon vanwege de tuk zijn hengel niet loslaten en daaruit maakte Padde wat voorbarig op dat Harmen de mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening hem de keel snoerden. Paddes eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn boosheid geweken.’ ‘'t Is een grote!’ fluisterde hij Harmen vertrouwelijk toe. ‘Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk dat het een grote is!’

Harmen zweeg, staarde naar de dobber als naar een doodsvijand.

Floep! daar schoot het ding omlaag. Harmen sloeg op, trok een grote vis te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste weer terug in zijn element, en de jongens hadden het nakijken.

‘Veel te woest opgehaald!’ stelde Padde vast. ‘Je had...’

Het was Harmens eigen schuld dat hij niet meer vernam wat hij had moeten doen om de vis aan de wal te krijgen. Want nog vóór Padde was uitgesproken, gooide Harmen de hengel neer, sprong op Padde toe, hief hem half boven het hoofd en slingerde de arme, zich van de prins geen kwaad bewuste jongen achter de vis aan. Ellenhoog spatte het water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward tussen zijn lange haren door, die voor zijn gezicht hingen, en krabbelde toen naar de oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs naar een kledingstuk zocht om uit te wringen.

Ditmaal was het Harmen die zijn gemoed gelucht voelde. ‘Ja, Padde, als jij in het water gaat spartelen en alle vissen de stuipen op het lijf jaagt, moeten we wel een ander plekkie zoeken!’ verweet hij hem vriendelijk, terwijl hij een verse dauwpier een bamboe ruggegraat schonk. ‘'k Had 'm anders op een haartje na, zeg! Zou het een karper zijn geweest?’

Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. ‘'t Was geen karper!’ snauwde hij. ‘'t Was een doodgewone rot-blei.’

[p. 304]

‘Nou, jij kunt het weten!’ zei Harmen. ‘Jij hebt hem van dichtbij gezien, hè?’ En Harmen begon te grinniken. ‘Kijk, zo heb ik met Lange Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het niet zo goed als jij: 't was midden in de winter, weet je, en dan heb ik liever warme soep als slootwater in m'n maag. Was jij je 's winters? Ik alleen als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!’

Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde teruggaan naar de anderen, maar zijn vissershart maakte hem zwak: hij ging triest zwijgend bij Harmen zitten.

Zo vonden Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan de haak spartelde een grote karperachtige vis.

‘Voorzichtig inhalen!’ raadde Padde, in hoogste opwinding. En zo belandde de vis onder algemene hoede op het droge.

En half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen wat te braden had, won de kok het van de visser, en Padde kon op zijn eentje rustig doorhengelen.

‘Zo,’ zei Harmen, ‘nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet van worden, maar als de maag maar weet dat we 'm niet vergeten, is ie al half tevreden, de slobber.’

‘Misschien vangt Padde er nog wat bij,’ hoopte Hajo.

‘Laat ie maar oppassen,’ zei Harmen bezorgd. ‘Straks valt ie 't water nog in!’

Maar even later kwam Padde met twee zware vissen aanzetten.

‘Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!’ zei Harmen, pakte de vissen aan en woog ze in de hand. ‘Samen wel acht pond!’ En de schubben vlogen al in het rond, plakten hem op de polsen, in het gezicht, op de wangen, in de wenkbrauwen. Tot Harmen tenslotte zelf veel van een vis had.

‘Ze smaken fijn!’ stelde hij vast toen de vissen even later ‘op tafel’ kwamen. ‘Ze smaken net als... fijne, dure vis, als...’

‘Als zalm, bedoel je?’ vroeg Rolf.

‘Dat ken. De schipper en de heren hebben het gegeten, toen we uitzeilden.’

Rolf keek hem lachend aan. ‘Zeg, Harmen, hoe wreet jij nou hoe die vissen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?’

‘Nou, als je het nou weten wilt,’ zei Harmen, ‘deze vis smaakt zoals die van de schipper rook!

Ze lachten allemaal. Harmen brulde er boven uit.

terug  begin  verder