terug  begin  verder

[p. 308]



illustratie

Padde stuit op een menseneter

Toen de jongens de volgende morgen merkten dat ze temidden van bloemen lagen en Dolimahs slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.

‘Wat moeten we nu doen?’ vroeg Harmen.

‘Niets,’ zei Rolf mat. ‘Ze wilde het zo. En we kunnen haar toch niet meer inhalen.’

De jongens waren even stil. ‘Wat een schat van een meid, hè?’ viel Harmen ineens uit. ‘Om die bloemen neer te leggen!’

Rolf haalde diep adem. ‘We gaan hier gauw weg,’ zei hij. ‘Ik hou het hier niet meer uit!’

‘Rolf!’ snikte Padde. ‘Ik óók niet!’

Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer stilzitten!

[p. 309]

Verwoed gingen ze verder met de bouw van het vlot. Het was of hun strijd ineens grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden werkten ze. Ze moesten Bantam bereiken, - de handen ineen, jongens! Geef de moed niet op! Padde ging weer vissen in de kreek, om proviand op te doen; Hajo sneed rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en snoerden ze vast op het houten geraamte.

Tegen de middag kwam het vlot klaar. Achterin was een opening gelaten om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. ‘Nu moeten we het in het water zien te krijgen!’ zei Rolf. ‘Kom jongens!’

Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan de oever. Toen de jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te zinken.

‘Ziezo, dat is gelukt,’ zuchtte Rolf. ‘Heb jij nog wat gevangen, Padde?’

‘Een heel zootje,’ zei Padde. ‘Ze zitten er wel, als je ze maar vangen kunt.’

‘Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!’ riep Harmen. Voor op het dek werd een laagje klei in het bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als afzetbomen te gebruiken.

‘Alles klaar?’

‘Ja! Kom, Joppie!’

Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, Hajo en Rolf achterop, zo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en Joppie keken toe, of alles wel ging zoals het moest.

De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen rotsblokken in het water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien wanneer het in een stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.

Maar nu gleed het snel en veilig voort op de rivier, die zich bij een bocht nog meer verbreedde. Zonnehitte zengde de jongens rug en schouders.

Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te nemen van de plaats waar ze gisteravond nog met Dolimah hadden gezeten. Ze wilden immers ook niet omzien? Vooruit! Naar Bantam! Naar de zee!

De rivier bood een grootse aanblik. Machtige oerwoudreuzen torenden aan beide oevers op; van hun breed uitgespreide takken hingen als feestelijke guirlandes de bloemranken van de slingerplanten.

Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, die half over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan zich maar plat op het dek te gooien of vlug over de takken heen te klauteren. Allemaal, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór het onder de boom was doorgegleden. Allemaal - behalve Padde. Die kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak op. Het vlot gleed met de anderen verder. Die stuurden het naar de kant en meerden het.

[p. 310]

Padde, zenuwachtig van schrik, ontving Harmen met schimpscheuten. ‘Daar!’ zei hij verwijtend, ‘daar zitten we nou! Kon jij dat vlot niet even tegenhouden?’

‘Ik geloof dat jij het water weer in wilt, lelijke pepernoot!’ schold Harmen. ‘Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond alweer uren op het vlot!’

‘Ik wou, dat je d'r nog stond!’ mopperde Padde. ‘'k Heb die hulp van jou niet nodig. Ik kom wel alleen aan wal.’ - Padde snoof de lucht op. ‘Vind je niet dat 't hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?’

‘'k Ruik hier niks. Maar 'k mag lijden dat 't daar bij jou zo stinkt dat je van katterigheid de boom uitrolt. - Wat heb je?’ vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag dat Padde met ontzette ogen naar iets staarde.

Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting die Paddes blik aanduidde en...! Op een dikke tak, behaaglijk achterover geleund, zat een roodbruine staartloze aap, zo groot als Harmen niet geloofd had dat een aap ooit kon worden. Het dier, dat in zijn harige arm een doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had de kauwende, griezelig menselijke kop naar de jongens gekeerd, alsof hij wilde zeggen: ‘Zo zijn jullie daar óók weer?’ In zijn zwarte leerachtige vingers hield hij een roomwit stuk doerianvlees.

Het duizelde Harmen.

Hij wilde ‘tabé!’ zeggen, slikte het woord weer in en staarde, net als Padde, naar de genoeglijk smakkende mensaap.

Opeens scheen het dier vertoornd te worden; het trok grimmig de bovenlip op, zodat de zware tanden bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, schor gebrul uit, richtte zich in volle lengte op!... en twee Hollandse jongens tuimelden achterover het water in.

De aap klom met zijn doerian traag en log langs de zware takken omhoog naar de kruin van de boom.

‘Een orang-oetan!’ riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de drenkelingen op het vlot hees.

‘Gchoskrimmeneel!’ stamelde Harmen.

Paddes tong was van de schrik nog verlamd.

‘Wou hij jullie wat doen?’ vroeg Hajo.

‘Hij kwam een handje geven!’ zei Harmen.

Padde rilde.

‘'k Had hem nog wel even een mep kunnen verkopen voor ik naar beneden dook!’ hakte Harmen op, ‘maar ik was bang dat Padde dan het kind van de rekening zou worden! Wil je geloven dat ik hem eerst voor een vent hield?’

Padde vond zijn spraak terug. ‘Was 't dan geen vent?!’ stamelde hij. ‘Ik dacht... een m-menseneter!’

‘'n Menseneter!’ schimpte Harmen. ‘Een doodgewone rot-aap!’

‘Had ik dat geweten...!’ zuchtte Padde.

‘Als je het geweten had, wat dan?’ vroeg Harmen. ‘Had je hem dan je broek teruggevraagd?’

[p. 311]

‘Kom, jongens! We moeten verder!’ maande Rolf.

Ze stootten het vlot weer van de wal en voeren de rivier af tot de zon onderging en ze voor de nacht een geschikte ‘ankerplaats’ hadden gevonden. Terwijl de drie andere jongens hun krachten gingen wijden aan de vervaardiging van nog een paar vissnoeren, schrapte Harmen Paddes vangst van die morgen schoon.

Na het eten zaten ze als gewoonlijk nog even bij elkaar. Maar Dolimahs afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten wat gras bij elkaar tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en gingen liggen. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zo gonsden.

Pas laat sliepen ze in. Hoe ver zou Dolimah al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieve duit hadden ze er voor over om te weten, of hun kleine beschermelinge veilig en wel bij Saleiman zou belanden.

Hun hart schoot vol. In droevig peinzen vielen ze in slaap.

 

De morgen wekte nieuwe levensvreugde in hen. Er hing een lichte nevel over het water, het was nog wat fris. Maar na een fikse onderdompeling waren ze lekker warm geworden. Padde, die zijn vistuig in orde had gemaakt met de bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het minst zuiver van alle drie, maar haalde met zo'n kracht uit dat zijn speer dwars door de stam van een dikke pisangboom vloog.

Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij Padde, die rillend op de kant van het vlot was gaan zitten en, turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme vissen op het dek had laten spartelen. Schrappen en schoonmaken was het werk van een ogenblik. De boven het vuur geroosterde vis smaakte op de nuchtere maag alsof hij in de boter was gebakken. ‘Ze moeten van het water in ene in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!’ legde Harmen uit.

Toen gooiden ze het vlot los en stuurden naar het midden van de rivier.

De zon fonkelde al tussen de bomen; het was nu heerlijk op het water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit naar de hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde druipend weer op het dek en begon zich uit te schudden, waarbij Padde met een verwensing overeind wipte en hem een trap uitdeelde. Dit waardeerde Joppie zo, dat hij met dankbare oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. Toen was de vrede weer gesloten, en de twee vlijden zich als beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.

‘Zo'n vlot is je ware!’ verzuchtte Padde. ‘Je komt vooruit zonder dat je er wat voor doet. En 't ligt hier nog wel zo lekker als in die smerige draagstoel van jullie. Daar hing zo'n allerberoerdst luchtje aan!’

[p. 312]

De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu niet onder het oog brengen doordat ze tijdelijk geheel in beslag waren genomen: de rivier maakte weer een bocht en hier en daar lagen grote stenen die alleen met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.

‘'k Wou dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!’ zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar de wal koersen. ‘Ziezo!’ zuchtte hij, toen het veilig gemeerd lag, ‘kijk nu die kant eens uit!’

De anderen volgden met de ogen de aangeduide richting. Tussen de bomen, een eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en toen ze scherp toekeken, zagen ze een atap-dak tussen de bladeren schemeren.

Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? ‘Zullen we tot het donker wachten?’ stelde Rolf voor.

‘En hier de hele dag zitten koekeloeren?’ Harmen trok verachtelijk de neus op.

‘Als we het vlot eens op z'n eentje voorbij lieten drijven?’ vroeg Hajo. ‘Dan zullen ze het niet zo gauw opmerken! En als ze het zien, zullen ze denken dat het ergens hogerop losgeslagen is, en er verder niets achter zoeken. Het loopt vanzelf wel ergens vast. Ik ben alleen bang, dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, bedoel ik.’

‘Dat kunnen we van te voren zien!’ zei Rolf. ‘We zullen eens een tak in het water gooien!’

‘Ja!’ Op Padde na, doorzagen ze Rolfs plan. Harmen slingerde een stuk hout de rivier in. De jongens volgden het met de ogen. Het kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstroming, dreef dicht langs de kant en bleef tenslotte steken.

‘Niet ver genoeg,’ zei Rolf. ‘Gooi eens naar het midden van het water?’

Nu scheen het stuk hout de goede weg te zullen nemen - Maar opeens schoot het toch weer in dezelfde zijstroming. De rivier schitterde in het zonlicht; de ogen deden er pijn van. Harmen nam een derde stuk hout en gooide het uit alle macht tot vlak aan de overkant van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stoten, want zolang de ogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij van de kant. ‘Nou, dan zijn we klaar!’ zei Harmen. ‘We steken op het vlot over, laten het daar afdrijven en volgen het! Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er niemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!’

‘Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!’ zei Rolf.

‘Larie! 'k ben zo voorzichtig als m'n tante - die loopt de hele dag met haar slaapmuts op, uit angst dat ze 'm 's avonds vergeten zal.’

‘In elk geval wil ik bij je zijn!’ stelde Rolf als voorwaarde. ‘Ga jij met Padde langs deze oever, Hajo.’

Zo werd de afspraak. Joppie besloot na enig aarzelen bij Rolf en Harmen zijn diensten aan te bieden.

Die sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zodat het bij het oversturen ongeveer zou landen op de plaats waar het stuk bamboe zijn reis begonnen was.

[p. 313]

‘Als ze 't maar niet inpikken!’ zuchtte Rolf.

Harmen had in gepeinzen een ogenblik gezwegen. ‘Weet je wat?’ zei hij: ‘Ik ga met het vlot mee! Om het weer los te binden, als ze het soms 'ns zouden kapen!’

‘Harmen...?!’

‘Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruip er onder, dan zien ze me niet!’

‘Daar heb je immers geen lucht.’

‘Harremen heit geen lucht nodig,’ stelde Harmen vast. ‘Het vlot ligt hoog; als ik m'n kop tussen de onderste bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je mee, Joppie?’ Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een ferme zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook onder het vlot weg. ‘Ajuus!’ klonk het even later onder het afdrijvende gevaarte, en om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen door een spleet van het dek een straaltje water omhoog. Zodat Joppie, die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.

Terwijl Rolf de vierpotige schipper zag wegvaren, bekende hij zichzelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde van Harmens dolle inval had hem bekoord, en door het vlot nu nog na te springen en weer aan wal te brengen zou hij het gevaar van opgemerkt te worden alleen maar vergroten.

Joppie jammerde klagend. ‘Hou je bek, Joppie!’ klonk het onder het bamboezen dek. ‘Harremen is ommers bij je?’

Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpoten zitten, sperde de bek open en begon met omhooggeheven kop erbarmelijk te huilen in één langgerekte toon, zoals alleen een Indische kampong-gladakker in zijn droefste stemming huilen kan.

Verre van gerust, volgde Rolf met de ogen het vlot. Kijk, daar gleed het langs het dorp en... grote genade! achter de bomen aan de oever stak een prauw vol naakte jongens van wal. Ze pagaaiden, opgewonden schreeuwend, naar het vlot... en sprongen erop.

terug  begin  verder