Toen Joppie de volgende morgen een paar slokken van het frisse rivierwater binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, duidelijk van een innige afkeer blijk gevend. ‘Wat zou hij hebben?’ vroegen de jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van het vlot en stak de lippen in het water. ‘'t Is brak!’
De anderen proefden er ook gauw van. En terwijl zij het slecht smakende water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend aan. ‘'t Is brak, jongens! We zijn bij de zee!’ - Hajo gooide het vlot los en Harmen pakte al een boom om af te stoten, toen Rolf hen tegenhield. ‘Jongens, laten we niets hals over kop doen. We moeten eerst zelf weten wat we willen.’
‘Nou, dat weten we toch? We willen naar zee!’
‘Zonder zeilen? Zonder proviand?’
‘Wat...? Wou jij dan met dit vlot in zee steken??’
‘Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we bij niet al te slecht weer wel zee kunnen houden.’
‘Toe maar...!’ stamelde Harmen - Maar het avontuur kittelde hem.
‘En als er nou storm komt?’ vroeg Padde.
‘Er komt geen storm,’ besliste Harmen.
‘Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?’ stelde Hajo opgewonden voor.
‘Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn,’ zei Rolf. ‘Dan doen we goed, het vlot zolang met takken te bedekken - we liggen hier zo in 't zicht!’
Ze gooiden flink wat takken op het vlot, tot het aan het oog onttrokken was; daarna kapten ze zich een weg langs de oever om aan zee te komen.
‘We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhogen!’ bedacht Rolf. ‘Een mast kunnen we gemakkelijk zelf maken. Maar een zeil?’
‘Ik zal er een gappen!’ beloofde Harmen.
‘Gappen? Waar?’
‘Kijk dan. Daar in die kampong!’
Tussen de bomen zagen ze de daken van een paar kleine huisjes schemeren. Een vissersdorp! Daar zouden ook wel zeilen te drogen hangen.
In een wijde boog slopen ze om het dorp heen. Tot Hajo ineens het hoofd ophief. ‘Luister eens goed? Ik hoor... de zee!’
Toen baanden ze zich als dollen een weg door de struiken, schramden zich aan de dorens, dat het bloed langs hun huid droop, stonden hijgend stil en staarden...
Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze de zoute wind
in, bedwelmd door het heerlijke geweld van de blinkende schuimende branding.
Kijk, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, vloeiden weer terug in de armen van de zee, die nieuwe krachten schonk, altijd weer nieuwe golven opstuwde...
Lang stonden de jongens stil en lieten hun blik dwalen over hun grote, vertrouwde vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen veilig dragen. Hij zou hen naar Bantam en dan weer naar Holland voeren... - Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!
‘We zijn hier in een baai,’ stelde Rolf vast. ‘Zover je zien kunt, loopt het strand in een boog. En dat komt ook uit: aan de zuidkant van Sumatra liggen twee grote baaien.’
‘En wanneer zouden we in Bantam kunnen zijn?’ vroeg Hajo.
‘Als we de wind mee hebben... misschien in een week.’
Ze moesten het even verwerken. In een week...! In een week zouden ze hun schipper misschien weer de hand drukken?’ Dat Bontekoe met zijn mannen allang in Bantam was aangekomen, stond voor hen vast. ‘Maar... dan mogen we toch wel voor twee weken proviand meenemen, Rolf!’
‘We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: kokosbomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben de hele dag nog voor ons!’
‘Ik ga vissen!’ zei Padde. ‘Bij die zijkreek van de rivier, waar we langs zijn gekomen. Dat zijn altijd goeie plekkies.’
‘Leg een paar zethaken uit,’ raadde Harmen hem aan. ‘Dan vang je misschien nog paling ook!’
‘Ik weet nog beter,’ zei Padde. ‘Ik loop de holletjes langs de kant af. Daar zitten ze. Als je je handen er van beide kanten tegelijk insteekt, kunnen ze 'm niet smeren.’
‘'t Is anders zo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen,’ meende Rolf.
‘Dat is zeker zo dom nog niet!’ vond Harmen zelf ook. ‘Maar als je tegen Padde erwtensoep zegt, dan zegt Padde: rooie kool. En zeg je rooie kool, dan zegt Padde: bonen met spek.’
Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.
‘We zullen een opslagplaats maken bij dat kreekje!’ zei Rolf. ‘Hajo en ik zorgen voor noten. Padde gaat vissen, en jij, Harmen, zou hout kunnen kappen om het vlot te versterken, - dan schieten we flink op.’
‘Ja,’ zei Harmen. ‘Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou Hajo nog niet wat kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan vis en kokosnoten.’
‘Best,’ zei Rolf. ‘Dan zorg ik wel alleen voor de noten.’
Harmen, Hajo en Padde trokken dus naar de kreek af.
Rolf klauterde de ene boom na de andere in, gooide de noten omlaag en liet ze voorlopig liggen. Tenslotte dwongen hitte en vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze naar de kreek.
Daar wilde Harmen juist met hakken beginnen. ‘Ik heb drie zethaakjes uit-
gezet,’ zei hij. ‘Vette pieren, dat hier in de grond zitten! Allemaal blauwkoppen! Niet van die gele, uitgetrokken dooie dienders als bij ons achter de bleek, waar geen vis in bijt.’
‘Hak eens een jonge noot open?’ vroeg Rolf. ‘Ik verga van dorst.’
Harmen hakte met een ferme slag het bovenstuk van een bast af, zodat Rolf met de vingers de weke plek onder de steel kon induwen en de koele flauwzoete melk in zijn keel laten klokken.
Harmen bediende zichzelf ook. ‘Lekker!’ Hij smakte met de lippen, begon toen opeens te grinniken.
‘Wat heb je?’ vroeg Rolf.
‘Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen! Padde was daarginds de holletjes aan 't afzoeken. Hap! Had ie een krabbetje aan z'n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang was, dat ik het zou horen. Maar hij stond te dansen, en niet van plezier!’
Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te vissen.
‘Al wat gevangen, Padde?’
‘Al twee. Ze liggen daar in het gras.’
‘'t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes mee vangt,’ zei Harmen. ‘Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar zitten grote.’
‘Och...’ meende Padde, ‘zo krijg ik ze ook wel.’
‘Als je maar lang genoeg wacht,’ zei Harmen. ‘Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?’
Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.
‘Ja, 'k zou het anders niet vragen,’ legde Harmen uit, ‘maar als Padde de holletjes nog mocht willen afzoeken, mag ie wat oppassen met die mormels! Ze bijten gemeen!’
Padde keek grimmig naar zijn dobber.
‘Je hebt tuk!’ zei Harmen. - Inderdaad: er zat leven in de dobber. Padde sloeg op; een visje ter lengte van een vinger spartelde aan de haak. ‘Wallevis!’ hoonde Harmen.
‘'k Wou dat je nou maar ophoepelde!’ beet Padde hem toe.
‘Geheel tot uwes bevelen,’ zei Harmen. En terwijl hij met Rolf weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje verder weer in.
‘'k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen,’ zei Harmen. ‘Die dragen het beste.’
‘Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.’
Tegen middagtijd lag er al een hele stapel noten; Padde had acht grote en twaalf kleinere vissen gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee duiven terug.
‘Dat zet geen zoden aan de dijk,’ vond Harmen. ‘Dan kan je vanmiddag beter met Padde gaan vissen. En dan hangen we ze straks te drogen - de jasjes open, dat de wind er in blaast.’
Rolf stond op. ‘Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen?’
‘Zeker, bootsman,’ zei Harmen beleefd.
En het werk werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om die als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil dat nog gekaapt moest worden.
Toen ging hij de vissen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een stokje tussen, hing ze zo ‘met open jasje’ aan een lijntje op en legde daaronder een vuurtje aan, zodat de vis rondtolde in de rook.
Toen kwam Hajo aanhollen. ‘Trap dat vuur uit! Vlug!’
‘Ja, goeie morrege!’ zei Harmen.
‘Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zometeen zien ze de rook!’ En Hajo schopte het vuur uiteen, waarbij hij zich lelijk de voeten brandde. ‘Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te vissen! - Padde!’
‘Ssst! Ik heb tuk!’ fluisterde Padde.
Harmen pakte de ijverige visser in zijn nek en sleurde hem mee.
Een prauw kwam de stroom afzakken. Het was een klein hulkje met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met de rug naar de boeg, een man een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wie alleen de benen te zien waren, hoog tegen de mast opgestrekt. De derde man zat aan het roer half te knikkebollen. Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.
‘Als we ze eens aan wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?’ vroeg Harmen. ‘Wil ik eens fluiten?’
‘Harmen...?!’
‘Nou, laat ik het maar niet doen ook,’ zei Harmen. ‘'t Is een rotzeil, dat zie ik van hier wel.’
Hij oogde het schuitje na. ‘Ze gaan naar zee. 't Zijn vissers, zie je wel?’
‘Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!’ zei Padde. ‘'t Is doodzonde van m'n tuk!’
‘Doe tegen die vis net of je niet bent weggelopen!’ raadde Harmen hem. Hij stak zijn vuurtje weer aan. Hajo en Padde visten. Ze hadden nu een gunstig plaatsje gevonden, bij de ingang van de kreek. De ene vis na de andere liet zich door een ‘fijne’ blauwkop verleiden, en er waren kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel kunst en vliegwerk aan wal kregen.
Toen de schemering inviel, hadden ze voor lange tijd proviand: meer dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf stuks, en ruim zestig ferme vissen. Er waren kokers voor drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en voor ‘het want’...
En nu maakten de jongens zich op om, gebruikmakend van de duisternis, het vlot naar de kreek te brengen, waar de proviand was opgeslagen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hogerop met zoet water te vullen. In optocht ging het langs het pad, dat ze zich die morgen hadden gebaand, terug naar het vlot. In een ommezien waren de takken opgeruimd, en ze stootten van wal. De lucht was vanavond bewolkt - dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de bamboekokers met water, ze konden de zware dingen nauwelijks meer optillen. Een kwartier later koersten ze stilletjes de kreek binnen.
‘Nou,’ zei Harmen, ‘als jullie nou het vlot klaar maken, ga ik even op m'n zeiltje uit.’
‘Zul je geen gevaarlijke dingen uithalen?’
‘Dat kan ik niet beloven,’ zei Harmen. ‘Maar als jullie me weer zien, heb ik een zeiltje bij me - of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.’
‘Nou, kras dan maar op!’ lachte Rolf.
En Harmen kraste op.