
‘Waarmee zullen we beginnen?’ vroeg Rolf. ‘Kom, laten we eerst nog een stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi in de gleuven van de andere bamboes! Straks sjorren we de hele zaak stevig vast!’
Het vlot rees merkbaar toen er nog weer een stuk of tien zware bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden omheen, rukten ze goed vast - dat werkje hadden ze aan boord van de Nieuw-Hoorn geleerd!
Intussen was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.
‘Nu is het voldoende,’ meende Rolf. ‘Als we storm krijgen, worden we er toch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. 't Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen die we naar vier zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar op het vlot binden en wachten of Harmen werkelijk slaagt met z'n zeiltje.’
‘'k Ben er niets bang voor,’ zei Hajo. ‘Maar als hij het hele dorp erbij op de hielen heeft, zal het me ook niet verwonderen!’
‘In elk geval zouden we dan dadelijk kunnen vluchten: we zijn zeewaardig! Ga je mee aan land? Padde slaapt - hoor je hem snurken?’
Harmen volgde intussen het pad langs de oever. Het dorp lag aan deze kant, hij hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg door het geboomte banen - in de zwarte nacht een griezelig werkje, waarbij Harmens bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de polsen stond.
Eindelijk kwam hij bij een weggetje en vlak daarop zag hij tussen de bomen het dorp. Aan de oever lagen prauwen, wel twintig bij mekaar, de zeilen om de mast gesjord. Hoe het te naderen? Alles was hier open terrein: de kampong lag dicht aan de oever.
Harmen keek eens naar de lucht. Tussen de wolken waren lichte plekken,
waar de maan telkens doorscheen. Daar - nu was het weer even licht! Maar zometeen dekte die zware wolk wel het licht weer af, - daar zou Harmen partij van trekken. Toen het goede ogenblik er voor gekomen was, kroop hij vlug als een rat naar de naastbijzijnde prauw.
Hijgend bleef hij zitten. Ziezo: hier achter dit ‘sloepie’ was hij veilig!
Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; dat was makkelijk te kapen. Hij sloop er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het af. ‘Hm! Berentsz. moest het niet in z'n vingers krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.’ En Harmen wilde zich met zijn buit uit de voeten maken. - Verdikke! Daar kwam zo'n sloeber aanzetten! Wat moest die hier? Hij had een mes in z'n gordel zitten. Harremen ook.
De man kwam, met een lantaren in de hand, recht op hem af. Maar, al vlakbij, boog hij naar rechts om, zodat Harmen kon blijven zitten. Glurend langs de mast van het vaartuigje, waarachter hij zich verborgen hield, zag Harmen dat de man aan een van de prauwtjes morrelde en zijn lantaren op de grond zette.
‘Van die lantaren ben ik niet vies,’ dacht Harmen. ‘Die kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, blaast 't licht uit en is er meteen van tussen. Met 'n zeil en 'n lantaren!’ - En terwijl de Maleier, die op de visvangst scheen te willen gaan, de mast opzette, sloop Harmen naar de lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten dus. Dat die nou ook net moest gaan schijnen als Harmen... kwam er nou nooit een wolk voor? Ah! Eindelijk!
Hij sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de visser zich afwendde, blies Harmen het olievlammetje uit. Maar als de drommel trok hij zijn hoofd weer terug: de man had gemerkt dat de lantaren was uitgegaan, bukte zich er grommend over. Toen hoorde Harmen, die geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het lichtschijnsel van de lantaren weer. Hij deed zichzelf bittere verwijten dat hij niet ineens met de lantaarn was weggehold vóór de man zich weer had omgewend. ‘Nou, ergens is het goed voor geweest,’ troostte Harmen zichzelf, ‘ik weet nu dat ie een tondeldoos heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m'n zeiltje over hem heen - dan heb ik hem!’ En met meer haast dan voorzichtigheid sloop Harmen weer naar z'n zeiltje.
De Maleier hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en liep op het geruis af dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder z'n zeil weggescholen. De man zag hem niet, keerde weer terug, zette de lantaren op de voorsteven van zijn prauwtje en begon het lichte vaartuigje in het water te duwen.
‘Wacht, daar zal ik je bij helpen,’ mompelde Harmen. Hij richtte zich op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruisloos achter de Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend spook dat in de zwarte nacht achter hem stond.
De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen gemakkelijker, de man schoot ineens vooruit. En in dezelfde seconde wierp Harmen zich als een grote vleermuis op zijn rug, zodat de prauw van de wal werd gestoten en de visser voorover in het water sloeg. Harmen bovenop
hem. ‘Dat moest ik hebben!’ hijgde Harmen. ‘Onder water kan ie niet schreeuwen.’
Zelf half in het water zittend, drukte hij zijn knieën op de naar voren gestrekte armen van zijn slachtoffer. Zijn eerste werk was, de man het mes uit de gordel te rukken en het op de wal te werpen. Daarna liet hij zijn gevangene opstaan, want zo was het niet eerlijk, vond Harmen. De Maleier sprong meteen overeind en op het strand ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het niet gemakkelijk had. Het zag er een ogenblik lelijk voor hem uit: de Maleier beet hem als een razend dier in de hand. In stomme woede drukte Harmen hem achterover, bevrijdde zijn hand door de man met de andere vuist een paar geduchte slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een grote prop zeildoek in de mond. ‘Daar lig je nou!’ zei Harmen bitter, zijn bloedende pols aflikkend. ‘Bijten, hè, dat kun je? 'k Had je daarnet onder het water moeten houden, dan had je zo'n praats niet gehad!’
Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zodat de man zich niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw van een andere prauw en raapte het mes op, vond in het zand ook nog de tondeldoos, die hij bij zich stak.
‘Ze hebben niks gemerkt,’ stelde Harmen vast. ‘Nou wou ik maar, dat de slaapkop zijn bootje niet zover had weggeduwd. - Wacht! daar ligt het ommers!’ Het prauwtje was een eindje verder weer tegen de kant gestoten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te schreeuwen.
‘Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wilt,’ troostte Harmen, sloop op handen en voeten naar de prauw met de lantaren op de steven, kroop er in, stootte van wal en hees het zeil.
‘Nou! Nou vaar ik als een radja!’ Harmen grinnikte, keek met welbehagen naar de vrolijke lichtschijn van de lantaren, voorop. ‘Ze zullen opkijken!’
Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het bootje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.
Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, sprong aan de wal. ‘Sta op, jongens!’
‘Harmen...! Zitten ze achter je aan?!’
‘Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed onze biezen te pakken. 'k Heb niet alleen een zeil, maar een hele prauw gekaapt!’
‘Een prauw? Kunnen we dáár dan niet beter mee in zee te gaan?’ vroeg Padde.
‘Ja, goeie morrege!’ zei Harmen verachtelijk. ‘Eén golf, en de hele boel slaat om!’
‘Ja, ik geloof ook dat het vlot wél zo stevig ligt! meende Rolf. ‘En we moeten ook niet meer stelen dan nodig is. Kom jongens, aan 't werk!’
Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan boord; de kokosnoten, de wapens, het vistuig en de halfgedroogde vis volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.
Halverwege stokte Harmen, keek verschrikt naar de oever. ‘M'n zethaakjes!’ stamelde hij.
‘Maak dan voort!’
Die raad was overbodig; Harmen holde met grote sprongen naar de plaats waar hij de zethaken had uitgelegd. ‘'k Heb er al een!’ gilde hij. ‘Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit er ook een an! En aan m'n derde haak... zit er ook een!! Jongens, we blijven hier nog! Tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zo razend van paling!’
‘Kom je, of kom je niet?’
‘Nee! Ik kom niet!’
‘Stoot af, Hajo,’ beval Rolf.
‘Wacht!’ schreeuwde Harmen, kwam aanrennen en belandde met een geweldige sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: ‘Je weet, dat je in Bantam nog een pak rammel van me te goed hebt, hè?’
‘Wie breng je mee?’ vroeg Rolf.
‘Harmen bromde wat. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het vlot naar het midden van de rivier te krijgen.
De maan brak weer door. Zachtjes gleed het vlot voort. En zo kwam het op de plaats waar de oevers zich openvouwden en aan beide zijden het zeestrand blonk.
‘Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan zullen Hajo en ik...’
Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, onderdompelend in het schuim; een andere zeereus zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in de ondiepe bodem, en opeens gleed het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme deining.
‘Een beste kast!’ prees Harmen. ‘Zullen we hem dopen?’
‘Hij is net gedoopt!’ lachte Rolf.
‘Maar een naam moet hij toch hebben,’ meende Hajo. ‘Dolimah is een mooie naam!’
De jongens knikten zwijgend. Dolimah...! Ze keken naar het land dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bossen, de bergen in de verte baadden in het maanlicht.
En nu ze die groene bossen, die bergen vaarwel zeiden, voelden ze dat ze daarmee pas voorgoed Dolimah verlieten. In hun verbeelding zagen ze Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken. Saleiman zijn betoverde bamboefluit bespelend, Dolimah angstig denkend aan wat haar thuis te wachten stond. En tussen de struiken gluurden de kantjil, de olifant, het stekelvarken, de boze en goede geesten, en lieten haar eerbiedig voorbijgaan, als een prinsesje, dat onaangeraakt moest blijven...
Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en een kleine, wakkere raadgeefster.
Het vlot was Dolimah gedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantam brengen? Waterduivels, boze stroomgeesten, weet het allen: dit is de Dolimah!
Zachtjes wiegend op de golven, dreef de Dolimah voort in de oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.