terug  begin  verder

[p. 331]



illustratie

In volle zee

‘Zo, jongens, nu de mast opzetten!’ riep Rolf.

‘Laat dat maar aan Harremen over’, zei Harmen. ‘Hier, Padde, pas jij op de palingen en laat ze niet wegglippen, of ik draai je nek om.’ Hij reikte Padde zijn drie troeteldieren, die nog met de snoeren van de zethaken waren samengebonden, en begon de mast klaar te maken.

‘Weet je wat ik wou?’ vroeg hij. ‘Dat we een katrolletje hadden, dan konden we reven en hijsen. Wacht, ik weet al wat: ik kap boven in de mast een gaatje, daar halen we dan een rotansnoertje door en aan die rotan knopen we de gaffel! Nietwaar?’

‘Als je maar zorgt dat de gaffel vrij draaien kan.’

‘Dat snapt een kind,’ zei Harmen.

Zo kwam de mast te staan. Het ‘lopende touwwerk’ liep gesmeerd, als je er een beetje goed aan trok.

‘Nou, zullen we de lantaren nou ook nog hijsen?’ vroeg Harmen.

‘Om er een prauw met vijandige Maleiers mee aan te lokken?’

‘Ik begrijp niet waarom die kerels allemaal zo woest op ons zijn!’ zuchtte Harmen. En hartgrondig geeuwend: 'k Heb maf!’

‘Dan ga je slapen, raadde Rolf aan.

‘Moet er dan niet een opblijven?’

‘Dat zal ik zijn.’

‘Waarom jij?’

‘Omdat jullie niets van de sterren af weten.’

‘Jij wel?’

[p. 332]

‘Ik wel.’

‘Welke koers vaar je?’ gromde Harmen.

‘Noordoost.’

‘Waarom noordoost?’

‘Omdat daar Bantam ligt.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Ga nou maar slapen,’ zei Rolf.

Harmen gooide zich neer en snurkte.

‘Zullen we de waterkokers nog even tegen de mast binden?’ vroeg Hajo aan Rolf. Samen bonden de jongens ze vast. De boom was gelukkig hoog genoeg, dat hij vrij rond zwaaien kon. ‘Ziezo,’ zei Rolf. ‘Ga jij nu maar slapen!’

‘Wek je me als het licht wordt? Dan neem ik het roer van je over.’

‘Ik zal het doen.’ - En terwijl Hajo en Padde zich op het dek uitstrekten, bleef Rolf zwijgend zitten en waakte, de schoot van het zeil in de ene hand en in de andere het roer, dat dank zij zijn lengte beter voldeed dan men zo denken zou. Hij zorgde er voor, het Zuiderkruis recht aan stuurboord te houden. Er woei landwind, net genoeg om het zeil te doen bollen.

Na een paar minuten was alleen Rolf nog maar wakker...

De anderen keken elkaar verrast aan toen ze de volgende morgen de ogen opsloegen en rondom niets dan zee zagen, behalve dan, nu al ver in het westen, de blauwe bergketen van Sumatra. Stil genietend, lieten ze de frisse zeewind om hun hoofden waaien.

‘Ben je moe, Rolf?’

‘Nou, ik wil nu wel wat slapen. Hou maar oost, of noordoost; het komt er niet zo op aan.’

‘Wil je niet eerst wat bikken vóór je gaat maffen?’ vroeg Harmen, die zijn vete vergat nu Rolf de hele nacht voor hen gewaakt had.

‘'k Heb alleen maar slaap,’ zei Rolf, liet zich op zijn beurt op het dek neervallen en sliep vrijwel ogenblikkelijk in.

Ik lust wel wat, verklaarde Harmen, kapte een paar kokosnoten open en reikte de stukken rond. ‘Ziezo! Als jij aan jouw kant een paaltje in het hek wringt, Padde, doe ik 't aan deze kant, en dan hangen we de vis weer keurig te drogen!’

Even later hing op het ‘voorschip’ het hele partijtje vis in de wind te schommelen. ‘Jongens, 't zal warm worden vandaag!’ voorspelde Harmen. ‘We gaan zometeen achterscheeps zitten, daar hebben we schaduw van het zeil. Zou er nog wat hout zijn voor m'n vuurtje? Om alles hebben we gedacht, alleen niet om hout voor het vuur! Wacht, ik kan ook wel een kokosbast nemen!’ - Al gauw vlamde, dank zij de tondeldoos, een vuurtje op. ‘Nou, waar zijn m'n palingen nou?’

‘In 't water,’ zei Padde.

Harmen verbleekte.

‘Vastgebonden!’ lichtte Padde haastig toe. ‘Ze zitten nog aan de haakjes, voor aan het vlot.’

Harmen haalde met een zucht de palingen binnen. ‘Ze konden twintigmaal

[p. 333]

gekaapt zijn! Waarom heb je ze niet in het drinkwater bewaard?’

‘Nogal lekker!’

Harmen was grenzeloos verbaasd. ‘Maar, akelige buikspreker, uit datzelfde water heb ik ze toch immers gevangen!’ En Harmen gooide twee palingen in de kokers met drinkwater. ‘Zo, deze ene zullen we maar in de maag laten verhuizen! Hou jij hem vast, Padde, dan zal ik hem stropen. Kijk hem nou eens kronkelen! Ik ken geen beest, dat zo de smoor gezien heeft aan doodgaan als een paling. 't Is een vette, jongens!’ - En weemoedig liet Harmen er op volgen: ‘Zo'n plekkie vind ik in m'n leven niet meer! Als ik in Hoorn zo'n plekkie wist, ging ik nooit meer varen!’

De paling smaakte heerlijk. ‘Zouden ze nou zelf weten hoe lekker ze zijn?’ vroeg Harmen, zich smakkend de vingers aflikkend.

Vanuit de schaduw van het zeil tuurden de jongens over het diepblauwe water, waarop geen schuimkop glinsterde. ‘We zitten in een zijstroming,’ zei Harmen. ‘Dat voel ik aan het schommelen.’

‘Dat zal de stroming al zijn van Straat Soenda!’

‘Ja, Pollepoenda,’ dichtte Harmen.

‘Rolf heeft het toch gezegd? Dat we in Straat Soenda zouden komen?’

‘O!’ zei Harmen. ‘Omdat Rolf het heeft gezegd! Als Rolf morgen zegt: Harmen krijgt schubben, dan is het ook zo! Hij is nooit in dit Chinezenland geweest en toch wil ie alles weten. Luisteren naar ouweren,’ Harmen sloeg zich op de borst, ‘die wèl in Indië zijn geweest - ho maar! 'k Zal een Arabier worden als dit Straat Soenda is.’

‘Nou, wat is het dan?’

‘Lig me niet te vervelen,’ zei Harmen. ‘Kijk daar eens, jongens! Een eilandje!

Hajo sprong overeind. Aan de horizon doken vage omtrekken op. ‘Wat zullen we doen, Harmen?! Er op aanhouden?’

‘Natuurlijk! 't Ligt trouwens in de koers!’

Allengs werden de omtrekken minder vaag en gingen van blauw in groen over. De ogen deden op het laatst zeer van het turen over het blinkende water.

Tegen de middag was het eilandje zo dichtbij gekomen, dat ze duidelijk bomen onderscheiden konden. De jongens stelden vast dat het vlot nog vrij veel gang maakte. De wind zat dan ook vlak achter in het zeil! Nu en dan piepte de mast, en de rotankoorden, die naar de achtersteven liepen, stonden strak als vioolsnaren.

‘We gaan aan land,’ zei Harmen. ‘'k Heb hout nodig voor het vuur.’

‘Als we proberen te landen, komen we in gruzelementen op de rotsen terecht,’ voorspelde Hajo.

Harmen wilde nog tegensputteren, maar hij was zeeman genoeg om in te zien dat Hajo gelijk had. ‘Best, je zult je zin hebben!’ knorde hij daarom. ‘Maar als je denkt dat ik m'n palingen rauw eet, vergis je je! Dan kap ik nog liever een stuk van het vlot af!’ Hij loerde in de bamboekokers. ‘Ze zijn er nog, hoor, m'n palinkies! En tierig! Terug jij!’ Hij tikte er een op de kop, maakte van zijn handen een bekertje en dronk. ‘'t Is warm! - Kijk die smerige wolken daar eens!’

[p. 334]

Hajo keek om. In het westen doken achter de bergen vuilzwarte wolken op.

‘'k Zal er eens niezen!’ zei Harmen, die met vochtige ogen en een ontzaglijk dom gezicht naar boven keek. ‘Hatsjie...! Daar schrikken ze misschien van.’

Maar de wolken schrokken niet. Over het hele westen staken ze hun sombere koppen op.

Het eilandje waaraan de jongens voorbijvoeren baadde nog in zonnige weelde. Het was klein, kon misschien in een half uur worden omgelopen. Hier en daar vielen de grijze rotsen steil neer in het nog blauwe water, dat blank opschuimde.

Toen ze het eilandje voorbij waren en er nog eens naar omkeken, stond het als een groot en kleurig brok erts te fonkelen tegen de dreigend zwarte hemel, en de zee er achter leek ook in inkt gedrenkt. Nu gleed een zwarte schaduw over het eilandje, roofde het zijn bonte pracht, en vóór de jongens het wisten, zaten ze zelf ook al in het donker.

Hoor! daar stak de wind op! Hij rukte aan het zeil dat de mast er krakend van doorboog en het vlot een schok kreeg. Rolf sloeg verbaasd de ogen op.

‘Rotweer,’ lichtte Harmen hem in.

‘En dat eilandje daar?!’

Kunnen we nu niet meer bij komen! We hadden daareven moeten landen, maar Hajo eet paling liever rauw dan lekker gepoft!’

‘Er stond te veel branding,’ verklaarde Hajo.

Een nieuwe windvlaag rukte aan de mast, en van achteren sloeg het water over het dek. Het klotste hol onder het vlot.

‘Zouden we het zeil niet neerhalen?’ vroeg Rolf.

‘Ben je gaar?’ zei Harmen. ‘Hij loopt juist lekker. Kijk eens wat een zog we maken?’ Harmen wreef zich vergenoegd de handen. ‘Krimmeneel, wat zie jij witjes, Padde! Heb je weer verlet om 't zeeziekvrije plekkie?’

Nog vóór Padde ‘knap maar!’ had kunnen zeggen, rukte de wind geweldig aan het zeil; de schoot glipte Hajo uit de vingers, zodat de boom met een zwaai naar voren uithaalde en een paar maal heen en weer wrikte; toen sprong een bakboordtalie los, en de mast sloeg naar stuurboord over, bleef schuin hangen.

‘M'n palingen!’ schreeuwde Harmen. De schrandere dieren hadden zich het schuin vallen van de mast ten nutte gemaakt door uit de kokers te glijden, die mee overhelden. Harmen schoot toe, maar de klappende boom van het zeil sloeg hem tegen de borst, zodat hij op zijn zitvlak belandde, en toen hij weer overeind was gekrabbeld, zag hij nog juist hoe de beide palingen, kronkelend over het dek, in het water een goed heenkomen zochten.

De tranen schoten hem in de ogen. ‘Daar gáán ze!’ jammerde hij. En zich woedend omkerend: ‘Wie heeft die achterste rotan zo allerbelabberdst beroerd vastgeknoopt!’

‘'k Heb er een ouwe-wijvenknoop opgedaan...’ stamelde Padde.

‘Je bent zelf een oud wijf! raasde Harmen. ‘Wat doe jij eigenlijk op een schip!’

‘Wie zegt je dat ik op een schip wou! 'k Zou bij m'n oom in de bierbrouwerij!’

‘Kon ik je er maar heenboksen!’ schreeuwde Harmen, nog met een spijtige

[p. 335]

trilling in zijn stem, terwijl Padde weemoedig verzuchtte: ‘Dan weet je wat je hebt...!’

Rolf was opgesprongen, bond het zeil op. Hajo liep naar het voordek, waar de losgeschoten rotan in de lucht slierde, en trok de mast weer overeind. ‘Ziezo, deze knoop laat niet meer los!’ En hij rukte ook de andere knopen stevig aan. Het vlot gleed een ogenblik zo schuin tegen de helling van een golf op, dat ze zich alle vier moesten vasthouden om niet weg te glijden. Harmen bond de arme Joppie, die op zijn schrale poten te bibberen stond en hulpeloos rondkeek, aan de mast.

‘Toch zit ik liever op dit vlot als met z'n zeventigen in een jol!’ zei Harmen. ‘Als je je goed vasthoudt...’ Meteen gooide Harmen zich schrap op het dek, de benen uit mekaar, de handen om de dekspijlen geklemd. Padde rolde tegen hem aan; Hajo en Rolf sloegen neer en grepen de mast stevig beet. Toen kwam het vlot weer zowat vlak te liggen. en Harmen beëindigde zijn zin: ‘...dan kan je niks gebeuren!’

De jongens dropen van het water. Toen ze weer overeind stonden, begon het te regenen: een dichte sluier streek over het eilandje achter hen en onttrok het aan het oog; van alle zijden kwamen regensluiers en vouwden zich boven het vlot ineen. De regen ratelde op het dek, en zo zwaar drukte hij op het zee-oppervlak, dat het water meteen veel kalmer werd. Waar de spokende duivels hun gladde bultige ruggen toonden, striemde hij ze dat ze ineen krompen van pijn.

De wind worstelde zich nog wat door de regen heen, zeeg toen hijgend, afgemat neer.

‘Hoe moeten we nou koers houden?’ vroeg Harmen. ‘Je ziet geen zon, geen sterren...’

‘Dan houden we koers op de wind,’ zei Hajo.

‘De wind, die er niet is. 'n Mooie koers zal dat worden!’

Hajo en Rolf zetten het zeil op. Het bleef slap hangen.

‘Zullen we wat bikken?’ stelde Harmen voor.

‘Geef maar op,’ zei Padde.

‘Wat wil uwes hebben?’ vroeg Harmen. ‘Gebraje kip? Warme oliebollen?’

Kauwend op een vis waar het zeewater nog afdroop, zaten de jongens in triest zwijgen bij elkaar op het stuurloos dobberende vlot.

Zachtjes spon zich de schemering.

 

In de nacht rukte de wind ineens weer aan het zeil. Rolf en Harmen - het was Hajo's beurt om op te blijven - schrokken er wakker van.

Het regende nog bij vlagen. Ook de wind was niet meer dan een vlaag geweest. Alleen daarboven, hoog in de lucht, scheen hij vrij sprel te hebben, zweepte de zwarte wolken tot woeste galop.

‘Laat mij nou maar eens koers houden,’ zei Harmen. ‘Ik neem koers op de wolken.’ Hij rekte zijn verkleumde leden en ging huiverend bij het roer zitten. ‘'k Zal eens fluiten. Dan komt de wind! Gaan jullie maar weer maffen.’

De zee was nog woelige maar het vlot deinde regelmatig, in brede slingering,

[p. 336]

zonder schokken. Langzaam-aan kwam er wat wind opzetten en stuwde het voort over de golven. Het water vloeide over het dek tot aan de plaats waar de andere jongens sliepen. Ze merkten het niet. Maar Harmen knikte tevreden. ‘Er zit weer vaart in de kast! 'k Zal 't zeil nog wat aanhalen, dat ik geen zuchtje wind verlies!’

Zo, langzaam-aan, zwol de wind, en toen de morgen grauwde, stond hij met gebolde rug in het zeil te duwen. Harmen hing, de armen over het roer, te snurken. Maar koers hield hij - dat kon Harremen maffende nog wel, en zonder sterren!

terug  begin  verder