
En bij het eerste daglicht, de volgende morgen... Daar, valkbij, lag de kust! Java's lachende, zonnige kust! De jongens keken er als betoverd naar. Dit, dit was nu Java, waarover ze zoveel wonderen gehoord hadden. Op dit grote mooie eiland woonden de vorsten die onder gouden zonneschermen wandelden in hun lusthoven, door brede lanen vol bloemengeur. Hun kleren waren zwaar van edelstenen; zij droegen vlammende krissen met kostbare heften en... Wat had Vader Langjas hun niet alles verteld!
Kijk! daar gluurde de zon boven de bergen uit; ineens schoten er allerlei grillige, goudgekartelde vormen in de rotsen aan de kust, en een blauwe schaduw sloeg op zee neer.
‘Wat doen we? Gaan we aan land?’ vroeg Harmen.
Rolf schudde het hoofd. ‘We varen de kust af tot we op de Hollandse schepen stuiten.’
Zelfs Harmen zag daar deze keer het verstandige van in.
‘Kom, we gaan intussen een zonnetent maken,’ zei Rolf en begon er meteen aan, met Hajo's hulp.
‘Laat je wat bladeren voor een nieuw rokje over?’ vroeg Harmen, die aan het roer zat. ‘Met dat wat ik nou aan heb, durf ik geen mens meer onder de ogen te komen. Jij mag ook nodig wat nieuws hebben, Padde!’
‘Ja, 'k loop voor schandaal,’ gaf Padde toe. Hij wou net gaan vissen, maar
legde z'n hengel weer neer en zocht mooi groen palmblad uit om er een nieuw rokje van te maken.
De jongens zaten zwijgend bijeen en werkten.
Harmen, de roerstok in de arm gekneld, vlocht ijverig aan zijn rokje en hield toch koers. Zo volgden ze op veilige afstand de kust in oostelijke richting. Tot Harmen ineens riep: ‘Een prauw! Daar komt een prauw aan!’
Ja! Achter een in zee uitlopende rots dook een zeil op. Het was een grote prauw en er zaten vijf mannen in. Zouden ze te vertrouwen zijn?
‘Ze komen nu recht naar ons toe!’
‘We zullen ze ontvangen,’ zei Harmen strijdlustig. ‘Wij zijn óók met z'n vijven! Nietwaar, Joppie?’
‘Wouw!’ gilde Joppie.
‘Misschien is het alleen maar nieuwsgierigheid,’ dacht Rolf.
‘Valt er wat aan ons te zien?’ vroeg Harmen. ‘Hier, Hajo, pak een speer. En jij ook, Rolf!’
‘En ikke?’ vroeg Padde, met schorre stem.
‘Jij doet maar krek of je d'r niet bij hoort,’ rade Harmen hem aan.
Opgewonden wachtten de jongens de prauw af, bereid hun leven duur te verkopen. Maar toen het vaartuigje naderde en ze de vijf stomverbaasde, argeloze gezichten zagen, lieten ze de wapens zinken.
‘Tabé!’ riep Harmen.
Een gemurmel steeg uit de prauw op. De mannen reefden het zeil, stuurden langszij van het vlot, klemden er zich met de handen aan vast.
‘Is dit Java?’ vroeg Rolf.
De mannen knikten, keken nog ongelovig van de een naar de ander.
‘En zijn hier ook ergens Hollandse schepen?’
Ze wezen naar het oosten.
Rolf haalde diep adem. ‘Masih djauh? - Nog ver hier vandaan?’
Ontkennend hoofdschudden.
‘Kunnen... kunnen we er vandaag nog komen?’
‘Bisa, toean...’
‘Wat zeit ie?’ vroeg Harmen.
Rolf zaten de tranen in de keel. ‘Dat we... we vandaag nog bij de schepen komen!’
Eerst keken de anderen hem aan alsof ze hem niet begrepen. Toen steeg uit Harmens keel een schorre snik. Tabé!’ schreeuwde hij, trapte de prauw van het vlot los en voerde een dolle rondedans uit, zijn blote benen wijd uitzwaaiend. En dikke tranen rolden hem over de wangen. ‘Hè, Padde, lollig varken?’
Padde kreeg een grinnikbui waarin hij bijna stikte. ‘Harmen! Weet je wat jij bent? Oók een lollig varken!’ En de beide jongens vielen elkaar in de armen, rolden van de pret op het dek, tegen de mast aan, die ervan kraakte. Ook Joppie leek wel dol geworden; hij sprong keffend om de jongens heen en begon Padde aan zijn schortje te trekken, tot hij met zijn buit achterover in het water plonsde. Rolf hielp hem weer aan boord. Nu ging Joppie op zijn achterste zitten en gilde met open bek, de kop omhoog, zijn opwinding uit.
De Maleiers keken met wijd opengesperde ogen naar het gebeuren daar op het vlot. ‘Mabok... dronken!’ stelden ze vast.
Maar Harmen stond alweer nuchter op z'n benen, rukte het roer om, haalde de schoot aan. ‘'k Wou dat ik vliegen kon!’ zei hij, nog hijgend. ‘Rolf, ik ben smoor van je!’
Rolf kon zijn lachen ook niet inhouden.
‘Jongens!’ schreeuwde Harmen. ‘Leve Rolf! Leve de pennelikker! - 'k Zou je wel kunnen uitwringen van lol! - Hè, Joppie? Ouwe uitgebakken Chinees? Hou je snoet nou dicht, kammelejon!’ En Harmen begon mee te gillen: ‘Hauw! Au... au... auw! Oeh... oeh... wauw!’
De anderen vielen om van plezier; Padde stemde met Harmen in. Toen werd het Joppie te kras; hij staakte zijn gejeremieer en keek verbaasd en gevleid naar de twee jongens, die nog met het hoofd in de nek als onvervalste kamponggladakkers zaten te jammeren. Van louter pret gaf Harmen Padde een geweldige mep in het gezicht; Padde had een ferme bloedneus en Joppie was er ijlings bij om hem de wangen schoon te likken. Met krachteloos geworden arm weerde Padde hem af.
‘Kom, jongens, het hoofd bij elkaar houden!’ zei Rolf. ‘Ik zie nog niets van die schepen en we hebben nog een snikhete dag voor ons. Als over een uur de tent niet klaar komt, zitten we in de barre zon.
Padde hield het hoofd achterover om zijn bloedneus te stelpen.
‘Wil ik je nóg een mep geven, om het gat weer dicht te slaan?’ vroeg Harmen.
‘Heb het hart er eens toe?’ zei Padde. ‘Dan ga ik straks naar de bootsman!’
‘Daar zul je geen plezier van beleven, lelijke klikspaan!’
Toen begonnen ze allemaal weer te lachen. Hè, zoveel geluk ineens was ook niet te omvatten!
Een uur later hadden ze een ‘zonnetent’ van twee el in het vierkant. Ze zetten de mat op vier staken neer, zo konden ze er net mooi onder zitten.
De middag kwam; de hitte werd haast onverdraaglijk. Met trage handen aten de jongens een visje. In slapen had niemand behalve Joppie die middag enige zin. Ze tuurden in oostelijke richting over het water naar de sidderende horizon.
Harmen en Padde waren met hun schortje klaar, ze voelden zich net zo trots als wanneer ze vroeger een nieuwe broek voor het eerst aan hadden. Dat straks iemand er iets vreemds aan zou kunnen vinden, kwam niet in hun hoofd op. - Harmen liet zich bewonderen. ‘Hè? Da's andere koek dan dat smerige rokkie van daarstraks! Valt het van achteren ook goed?’
‘Puik!’ prees Padde. ‘En bij mij?’ Ook Padde draaide zich om.
‘Buk je eens wat?’ vroeg Harmen.
Padde bukte en... pats! vloog hij door de lucht naar de andere kant van het vlot. ‘Hè! M'n hand gloeit ervan!’ grinnikte Harmen.
‘Lammeling!’ schold Padde, overeind krabbelend. Maar meteen lachte hij ook alweer. Wie kon er vandaag boos worden?
In de namiddag betrok de lucht. De jongens gingen voor op het vlot zitten. Joppie en Padde hielden de wacht bij het roer.
‘Wat zit jij te koekeloeren, Hajo?’ vroeg Rolt.
Hajo antwoordde eerst niet en zei toen, moeilijk sprekend: ‘Ik gelóóf... dat ik... een schip zie!’
‘Waar?!’
Met bevende hand wees Hajo naar voren.
De jongens waren overeind gesprongen, tuurden ademloos in oostelijke richting. Padde had het roer losgelaten en kwam, struikelend over een rotan, naar voren. Spannend zwijgen...
Toen stootte Harmen een schreeuw uit. ‘Ik zie het!’
De anderen rekten hun halzen.
‘Ja!’ riep Rolf. ‘Nu zie ik het ook! Jongens!!’
Padde knipte zenuwachtig met zijn oogjes. ‘Waar dan?’ vroeg hij. En op het laatst begon hij te huilen en driftig met de voeten te trappelen. ‘Ik zie niks! Ik zie niks!!’
‘Kijk dan uit je doppen!’ zet Harmen.
Padde sloeg zich met de vuisten tegen het gezicht en schreeuwde: ‘Ik kijk uit m'n doppen! Maar ik heb zulke... zulke rotogen!’
‘Wacht maar, Padde,’ troostte Rolf. ‘Zometeen zie jij het ook en je moet maar denken: we komen er allemaal tegelijk aan!’ - Ook Hajo had medelijden met Padde. ‘Hè, Padde?’ vroeg hij. ‘Als we straks samen weer aan boord klauteren?’
‘Hajo!’ snikte Padde en viel zijn vriend om de hals.
‘Vooruit!’ riep Harmen. ‘We schieten niet op! Waarom blaast de wind niet wat harder!’
‘Wees maar stil,’ zei Rolf, ‘straks krijgen we nog storm! Kijk eens, wat een wolken!’
‘Wat heb ik aan wolken? Wind moeten we hebben! - Ziezo! dat gaat een betere kant uit,’ prees Harmen, toen een sterke windvlaag het vlot een schokje voorwaarts gaf. Hij laadde de armen vol kokosnoten en gooide ze overboord. ‘Weg met die rommel! Dat scheelt in de vaart! En van dat tentdak maken we een fok!’
De jongens zetten de zonnetent als een zeil op het voordek. De wind was geleidelijk aan naar het westen omgezwaaid, blies nu recht van achteren en nam in kracht toe.
‘Voor mijn part gaat hij razen als de hond van Lubbes,’ zei Harmen.
Heel langzaam-aan werd het scheepsomtrekje duidelijker. De schuit lag voor anker, ze konden duidelijk de kale masten onderscheiden.
In het westen was de zon vertroebeld door vuilpaarse wolken. ‘'n Vieze beweging daar!’ zei Harmen. ‘Afijn, 't brengt wind...’
Het zeil bolt met een slag uit; de mast buigt krakend door. De golven spoelen weer over het dek.
Harmen wrijft zich de knuisten. ‘Nou gaat ie gesmeerd!’ Maar dan betrekt zijn gezicht. ‘'k Ben maar voor één ding bang, jongens! Dat ze daarginds met dit weer niet voor anker durven blijven liggen en van de kust afzeilen!’
De anderen weten geen antwoord. Ze hijsen de lantaren in de mast, want het
zal over een half uur donker zijn. Jongens, wat schiet het vlot door de golven!
Een plotselinge windstoot rukt het matten ‘fokzeil’ los; het vliegt draaiend de lucht in, slaat over de kop en schiet in het water weg.
‘Wel verduiveld!’ roept Harmen spijtig uit en gaat na of de mast en het ‘grootzeil’ goed vastzitten.
Het vlot vaart zonder ‘fok’ niet langzamer. Fors dompelt het de kop in de golven.
‘Licht!!’ roept Hajo ineens.
‘Ha! - Trek de schoot aan, Rolf! 't Ligt bijna in de koers!’ En Harmen begint alvast te brullen: ‘Schip ahoy! Ahoy! Schip ahoy!!’
Zó snel vaart het vlot, dat het licht met het kwartier groter en helderder wordt. Daar, aan bakboord is nog een licht! En aan stuurboord nog een!
Nu zijn ze er geen vijfhonderd ellen meer af. Duidelijk zien ze de donkere omtrek van een Oostinjevaarder. ‘Zullen we roepen, jongens?’ vraagt Harmen.
‘Ja. Allemaal tegelijk. Een-twee-drie...’
‘Schip ahoy!!’ schreeuwen ze met hun vieren. Joppie gilt mee.
‘Nog eens! Een-twee-drie...!’
‘Schip ahoy!!!’
‘Het ligt met de zijkant hier naar toe! We lopen er vierkant tegen op!’
‘Trek het zeil dan neer! Doe jij het, Hajo; ik moet het roer houden...’ - Met een scherp geluid scheurt het zeil van de boom af; klappend in de lucht rukt het de gaffel mee en vliegt als een witte meeuw weg.
‘Ik zie mensen!’ roept Rolf. ‘Jongens!!’

Hoog rijst het schip voor hen op, deinend op de golfslag, die klotst en schuimt onder de spiegel. Nu stoot het vlot tegen de houten wand van de Oostinjevaarder.
‘'n Valreep!!’ schreeuwt Harmen dringend omhoog.
Boven schemeren vage koppen. Daar vliegt een touwladder overboord. Met een wilde kreet grijpt Harmen het ding beet, wil er de voet in zetten, bedenkt zich. ‘Padde, jij eerst! Nou, vooruit dan!!’ En Harmen duwt hem in het laddertje, geeft hem nog een zetje na. ‘Nu jij, Hajo! Geen praatjes! Kerel dan toch...!! - En nou jij, Rolf!’
‘Nee. Ik ga het laatst,’ zegt Rolf, alsof hij al schipper is en zijn bodem verlaten moet. ‘Maar hoe krijgen we Joppie mee?’
Harmen weet raad. Hij grijpt Joppie, die deemoediger dan ooit is, in het nekvel en draagt hem als een hondenmoeder tussen de tanden de valreep op.
Als laatste verlaat Rolf het vlot. Zo komt hij boven, waar Harmen de nekharen uit zijn mond spuwt.
Wie staat daar en sluit hen alle vier in zijn zevenmijls-armen?
Hilke Jopkins.