terug  begin  verder

[p. 347]

Bij de Bruinvis aan boord

‘M'n jongens...! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, dat jullie altemet naar de weerlicht waren!’ En de tranen sprongen Hilke zo maar in de ogen.

‘Mannen, haal Bolle eens op!’

Daar kwam Bolle aanhollen. ‘Grote genade, jongens, zijn jullie daar weer?!’ Hij veegde z'n vette handen aan zijn witte voorschot af. ‘Hoe hebben jullie 'm dat gelapt?’

‘Tja, Bolle,’ zei Harmen, ‘als ik daar over begin te vertellen, mag ik eerst wel een bord bruine bonen met spek achter de kiezen hebben, anders val ik onderweg van m'n stokje.’

‘'k Zal gauw wat klaarmaken! Lusten jullie een bord pap na?’

‘Schei maar uit, Bolle!’ zuchtte Harmen. ‘Pap...! Grote genade!’

Bolle verdween al naar de kombuis. Harmen schreeuwde hem na: ‘Denk je om de basterdsuiker?’

Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend aan. ‘Nee maar, nee maar. Ik kan het nog niet geloven! Daar staan jullie weer in levende lijve voor me en... wat voor rokjes hebben jullie aan?’

‘Geef me straks maar een broek van jou, Hilke,’ zei Harmen. ‘Op wat voor schuit sta ik?’

‘Je bent op de Nieuw-Zeeland, bij de Bruinvis.’

‘Op die rotschuit?’

‘Heila!’ schreeuwden er een paar. ‘Zachies an!’

‘Vraag ik jullie wat?’ informeerde Harmen. ‘Zeg, Hilke, waar is de schipper? Onze schipper bedoel ik natuurlijk.’

‘Bontekoe heeft een nieuwe schuit: de Berger Boot. Die ligt een eind verderop. Voor Batavia.’

‘En jij en Bolle zitten hier?! Jullie hebben de ouwe toch niet laten schieten?!’

‘Wat konden we anders doen?’ vroeg Hilke. ‘Als de schipper niet teruggaat...?’

‘Nou valt m'n hoedje af!’ zei Harmen. ‘Waar gaat ie dan heen?’

‘Weet ik het? Tegen de Chinezen bakkeleien.’

‘Nou, kom nou maar eerst mee naar het logies,’ suste Hilke. ‘Dan krijg je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!’

‘Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je gif op nemen, Hilke!’ verzekerde Harmen.

‘Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten,’ zei Rolf.

‘In m'n rokkie zeker?’ vroeg Harmen.

[p. 348]

‘De Bruinvis is er niet!’ gromde er een. ‘Anders had hij jullie al lang in de gaten gekregen.’

‘Is de stuurman dan aan boord?’

‘De opperstuur is met de Bruinvis mee. En de onderstuur ligt in zijn kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvis, dan zouden we van de kust afzeilen, want 't is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor hij de kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.’

‘Hij is naar de Maegt van Dordregt bij Jan Coen op bezoek,’ lichtte een van de omes hen in.

In optocht daalden ze nu in het vooronder af - eerst de jongens. ‘Alle duivels, die hond die jullie daar hebben...’ riep Hilke ineens, ‘da's immers geen ander mens als... als Joppie!

‘Wauw!’ gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen ving.

‘Joppie! Zat je daarom zo aan me te snuffelen! Heb jij dat hele tochtje ook meegemaakt, ouwe rakker? - Kom, jullie moeten eerst wat ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?’

‘Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen...’ weifelde Harmen. Zijn bezorgheid bleek gerechtvaardigd: de kniebroek die Hilke hem geoffreerd had reikte hem tot op de enkels. ‘Nou, een broek is het,’ troostte Harmen zichzelf. ‘En 'k hoef er niet mee naar m'n meisje. We zullen de pijpen eens wat omslaan!’

Zo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige ome stond er hem een af - ‘Veel zaaks is het niet,’ zei Padde.

‘Toch beter als zo'n rokkie,’ excuseerde de ome zich.

Padde bekeek de broek van achteren. ‘Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!’

‘Wacht maar,’ troostten de maats, ‘als je hier bij de Bruinvis aan boord blijft, zal het nog wel meer slijten! Juffer Driestreng ligt altijd klaar.’

‘Dacht je dan dat ik op die smerige schuit van jullie wou?’ vroeg Padde. Hij trok de broek aan; ze bleek om het midden wat nauw, maar hij priemde een paar gaatjes in de boord, trok er een touwtje door - toen kon zijn buik er wel in.

‘Nou,’ zei Harmen, ‘nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en Diede Doedes en...’

‘De meesten zijn bij de schipper gebleven. Hilke keek er wat verlegen bij. ‘Ik had ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je...? Nou, en de Schele is dood.’

‘D-dood?’ stamelde Padde.

‘Dood,’ zei Hilke triest. ‘Toen tegelijk met... Wacht, dat weten jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus en...’

‘Schei maar uit...’ zuchtte Harmen. ‘Wij hebben ze begraven, Hilke!’

‘Is 't waarachtig...? - Dat was me wat, jongens! - Nou, de Schele is dus dood, hij kreeg een giftige pijl in z'n schouder; we hebben hem later over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.’

‘Getr...?! Wát zeg je?’

‘Met een Javaans meisje.’

‘En z'n meisje in Hoorn dan?’

[p. 349]

‘Tja...! Ik weet ook niet hoe we het dat arme kind straks moeten vertellen. Hij zegt dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou Floorke er niet meer is.’

‘Wedden dat ik 'm weer op een schip krijg?’ vroeg Harmen. ‘Schamen moest ie zich!’

Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine bonen en een kommetje vet met uitgebakken stukjes spek erin. En de jongens smulden...!

De schuit begon al aardig te dansen, maar zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje te gaan zoeken. - ‘Hè, Joppie, ouwe smulpaap?’ vroeg Harmen, wiens wangen, neus en kin blonken van het vet, ‘dat is wat anders als zo'n half gepekeld stukkie vis?’

‘Wat zul je daar een gelijk aan hebben!’ antwoordde Joppie. ‘Krak!’ En hij brak met de tanden een dikke korst zwoerd middendoor.

Een groot bord pap besloot het koningsmaal. Vol aandacht strooiden de jongens er basterdsuiker over, en Padde schepte zo lang door dat de pap helemaal bruin was. Maar Bolle keek vandaag zo nauw niet.

‘Ziezo,’ zei Harmen, ‘als jullie me nou een pijpje en een blaadje tabak geeft en wat brand erin, dan zal ik jullie er 's gaan vertellen wat we alzo beleefd hebben!’

Zijn bescheiden wens werd met spoed ingewilligd.

‘Nou, luisteren jullie?’ vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan z'n pijpje gedaan te hebben. En toen begon hij te vertellen. Te vertellen...!! Ze hadden, samen met Joppie, hele kampongs bestormd; Dolimah bleek tot achter de oren op Harmen verliefd te zijn geweest; het avontuur met de panter werd in zo felle kleuren opgedist, dat de maats de rillingen over het lijf liepen. Toen Harmen merkte dat zijn verhaal indruk maakte, deelde hij de panter nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de monsterachtige grote beesten met een dubbele ouwewijvenslag aaneen, zodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en...!! - Harmen stokte. ‘Dat laatste was gelogen,’ bekende hij onder de ongelovige blikken van alle kanten. ‘Laat Hajo het dan maar vertellen.’

‘Nee, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?’

Harmen schudde ontkennend het hoofd. ‘In het begin wel, maar later niet meer. En als ik aan jullie tronies zie dat jullie het niet meer geloven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer. - Vertel jij het maar, Hajo!’

Hajo nam het verhaal over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om het wat aan te vullen en vroeg dan: ‘Niet waar, Rolf?’ Voor Rolf wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.

Nu en dan sloeg Hilke Hajo op de schouder dat zijn botten kraakten en zei, zegevierend rondkijkend: ‘Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie een Fries!

Zo werd het elf uur. Toen pas gingen de mannen naar hun kooi; nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van die dag, voor wie een paar fijne kooien waren vrijgemaakt. Terwijl de omes zich stonden uit te kleden,

[p. 350]

schrap staande op beide benen om niet om te slaan, klonk buiten opeens een stem als een kanon. ‘De Bruinvis!’ stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer aan. Ook de jongens, die het met uitkleden gemakkelijk hadden en al hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.

‘Blijf liggen!’ raadde Hilke. ‘Jullie liggen immers goed? Als je bij hem mocht aanmonsteren, kun je nog genoeg hollen: 't is hier werken aan boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!’ En Hilke stapte met grote passen achter de anderen aan.

In het uitgestorven vooronder lagen de jongens te luisteren naar de donderende bevelen van de Bruinvis. ‘Haal in de ankers! Zet de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de kast aan gruzelementen gelegen!’

Verdraaid! ze dansten flink - dat was waar. Hoor! de ankerspillen ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! Pang! - Hilke kwam kletsnat weer binnen. ‘'k Ben door een zeetje gelopen,’ lichtte hij toe. ‘We gaan eerst een eind buitengaats en zeilen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen meteen de ouwe schipper. Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!’

‘Dag Hilke!’ - Maar ze konden maar zo niet inslapen. Zwijgend lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer onder vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken - die lag met zijn schip voor Batavia... Wat ging hij doen, had Hilke gezegd? Tegen de Chinezen bakkeleien? Wat moesten zij dan doen? Ze wilden wel met hem mee, maar... Zou het lang duren vóór hij weer terugvoer naar... naar Hoorn...? De jongens zuchtten. Drommels, wat vloog de lamp heen een weer, wat kraakten de masten!

Bij groepjes daalden de maats weer in het vooronder af. De helft moest die nacht opblijven. De Bruinvis zelf bleef ook aan dek. Mijmerend dachten de jongens er over na wat Bontekoe eens van de Bruinvis had gezegd: ‘Toch een goed zeeman!’

 

Rolf lag het langst wakker. Hij dacht er aan dat hij straks van Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenlopen - daar was Rolf nu zeker van.

terug  begin  verder