
Toen ze wakker werden, was de grootste hitte voorbij. ‘Wat gaan we nou doen?’ vroeg Gerretje, zich uitstrekkend en luidruchtig geeuwend. ‘Voor de pasar is het nog te vroeg.’
‘Nou, dat is niks,’ zei Harmen. ‘Dan gaan we eerst eens kijken wat er hier te kopen valt. We moeten broeken, hemden, sokken, een kist hebben, affijn: alle rommel, die je nodig hebt.’
‘Dan gaan we naar toko Bombay!’ stelde Gerretje voor.
‘Wat is dat: tokobombee? Kan ik daar ook een viool krijgen, dacht je?’
‘Krijgen: nee. Kopen: ja. Ze hebben er van alles.’
‘Vooruit dan maar!’ Harmen sprong overeind.
Daar verscheen, beminnelijk glimlachend, de handen op zijn ronde buik, Loa Hok Sen weer. ‘Tabé, toewan bázál! Toewan bázál tidol baik?’
‘Hij komt om zijn duiten,’ zei Gerretje. En tot de Chinees: ‘Barapa? Hoeveel?’
‘Oa... ah, toewan bázál!’ stamelde Loa Hok Sen verheugd. En tellend op de vingers, half zingend, begon hij een ellenlange berekening. Tot hij tenslotte een som van twee gulden bijeengezongen had en vriendelijk de hand ophield.
‘Wat een afzetter!’ raasde Gerretje.
Maar Harmen tastte in zijn broekzak als een tovenaar in zijn schatkist en wierp de eigenaar van het eethuis vol zwier de guldens toe. De man scheen, naar zijn verraste gezicht te oordelen, nog niet op de helft gerekend te hebben en bedolf Harmen nu onder zegenwensen.
‘Vooruit, lekas, patjakker!’ zei Gerretje. ‘Laat de wagen en de koeda's hier halen!’
Loa Hok Sen riep iets naar achteren en even later reed krakend de wagen voor. De Chinese gastheer boog zo diep als zijn dikte het maar veroorloofde; zelfs de plooien in zijn buik schenen te glimlachen. Toen Joppie bij zijn nekvel binnenboord gehesen was, ging de reis weer verder. Gerretje stuurde; Harmen klapte met de zweep en weerde de aanvallende straathonden af; Joppie was nauwelijks in bedwang te houden en kefte tot hij hees was.
Toko Bombay bleek een onooglijk winkeltje te zijn, niet ver van de haven. Met gebukt hoofd stapten de jongens het donker in. ‘Jij mag je wel dubbelvouwen, Hilke!’ zei Harmen.
In de winkel hing een bedwelmende geur van wierook, bloemen, reukwaters. Zo grauw het geval er van buiten uitzag, zo kleurrijk was het er binnen. Schitterende, glanzende, fonkelende zaken lagen op en naast elkaar gestapeld, en daar dook uit het halfduister een al even bont en zonderling wezen op: de koopman uit toko Bombay. Hij droeg een goudbestikt kalotje, een lang wit hemd en daar overheen een open vestje vol figuren van gouddraad. Onder het hemd kwam een wijde broek uit van dezelfde kleur, en de naakte voeten staken in zwartfluwelen sandalen, die ook al glommen van het gouddraad. Met een lichte buiging van het hoofd en een deftige armbeweging heette hij zijn gasten welkom en wachtte zwijgend, hen schrander aanziend met zijn glinsterend-zwarte ogen, hun wensen af.
‘Tabé, broer!’ zei Gerretje. ‘Ja, jongens, wat willen jullie nou kopen?’
Bevangen keken de jongens rond. Wat een prachtige dingen!
Harmen kreeg een waterpijp te pakken. ‘Wat is dat voor een ding?
‘Dat is een pijp!’ lichtte Gerretje in. ‘M'n vrind, die ik les geef, heeft er net zo eentje.’
‘En wat moeten ze dan met die slang eraan?’
‘Weet ik het?’ vroeg Gerretje. ‘Misschien wel om die pijp op hun nek te nemen, als ze verhuizen.’ Padde begon zachtjes te grinniken.
‘Hij is gekocht!’ riep Harmen.
‘Als je daaruit rookt, vallen ze thuis in Hoorn dubbel!’ voorspelde Hilke.
‘Zolang ze maar niet op mijn pijp vallen, vind ik het best,’ zei Harmen, de pijp voor zich terzijde zettend. ‘Kijk er eens een mooie kwasten aan zitten! Nou moet ik nog een viool hebben!’ En hij duidde de koopman zijn wens door het hoofd schuin te leggen en met zijn armen door de lucht te fiedelen.
De man knikte, wendde zich om en riep iets in een scherp klinkende taal. Een klein jongetje met matgele huidkleur en hetzelfde Oosterse pakje aan dook uit het halfduister op en zette op de toonbank een zwarte vioolkist neer.
De man opende de kist, lichtte het doekje op en...
Harmen rolden dikke tranen over de wangen. Zwijgend, zonder de handen uit te steken, staarde hij naar het wonder daar voor hem. Toen lichtte hij de viool met bevende handen uit de kist, haakte de strijkstok los. ‘Nou, jongens...’ Harmen haalde diep adem, ‘wat zal ik spelen?’
‘Van die begrafenis...’ zei Hajo.
‘Wacht! ik weet al een mooi moppie!’ riep Harmen. Hij begon te fiedelen, eerst nog wat aarzelend en beverig, maar al gauw weer met de oude zwier, vol trillers en loopjes, en dan weer akelig droefgeestig slepend van de ene toon naar de andere.
‘Verduiveld mooi!’ prees Hilke.
‘Mag ik ook eens even?’ vroeg Hajo, zich verslikkend van opwinding.
‘Jawel,’ zei Harmen genadig. ‘Straks mag je! Je moet eerst luisteren! En geef Joppie eens een trap, dat ie ophoudt met z'n gegil.’ - Joppie werd tot kalmte gebracht, en nu wendde Harmen zijn krachten op de ‘Begrafenis’ aan. Voor de winkel bleven meer en meer belangstellenden staan. Harmen gloeide van trots en ondernam met vingers en strijkstok de meest gedurfde toeren - waarbij hij wel eens uitgleed.
Intussen sloegen de anderen aan het inkopen. Geen van hen ontkwam aan de bekoring die van al die wondere zaken uitging. Gerretje, die zelf geen centen te verteren had, hielp de koopman door uit hoeken en gaten glinsterende waren op te diepen, het ene al mooier dan het andere, en dit de in kooproes zwelgende jongens voor de neus te leggen, zodat ze zich, nog voor ze aan de aankoop van een stevige broek dachten, al bijna arm gekocht hadden aan bestikte muilen, verzilverde reukdoosjes met mooie figuren er op, waaiers, ringen, ivoren olifantjes, aardige poppetjes, zijden doeken, ponjaards, armbanden... Padde was juist aan het onderhandelen over een beschilderd zonnescherm met mooi gesneden stok, toen Rolf eindelijk op de goede gedachte kwam om eens te vragen wat een paar sterke scheepskisten kostten.
De man noemde de prijs en zei, dat ze in twee dagen klaar konden zijn.
‘Wanneer zeilt de Nieuw-Zeeland uit?’ vroeg Rolf de anderen.
‘Volgende week, als de wind goed is!’ zei Harmen, zijn viool afleggend. ‘'k Mag lijen dat we lekker in de winter aankomen: 't is mij nou lang genoeg zomer geweest, hè, Joppie? En jou, Hilke? Hè? Wat zal ze blij zijn, zeg!’
‘Schei d'r maar over uit!’ zuchtte Hilke.
‘Met Kerstmis zijn we wel thuis,’ dacht Harmen. ‘Wat zullen we 't gezellig hebben, jongens! 's Avonds bij het vuur een bakkie hete slemp en dan maar vertellen van je reis...!’
Gerretje was stil geworden, en Harmen merkte het. ‘Ja, stommerik, daar grijp jij naast! Laat jij je maar gaarstoven in dit nikkerland! Z'n kameraden in de steek laten - wat een vent!’
‘Hou je bek, jij!’ schold Gerretje.
‘Ssst!’ suste Rolf. En tot de koopman: ‘Maak de kisten maar voor ons. Vier stuks.’
‘Zeg hem dat ie plaatjes over de hoeken slaat!’ radde Padde aan.
Het was een zonderling groepje dat zich een half uur later in het rijtuig hees. Harmen, onder één arm zijn viool, onder de andere zijn waterpijp, had een rode fez op met een zwarte kwast er aan, droeg een kris achter in de broekriem en slofte voort op goudbestikte sandalen. De anderen waren al even schilderachtig bepakt en bezakt.
‘Alles maar onder het bankje!’ raadde Gerretje aan.
‘Goeie morrege!’ zei Harmen. ‘Daar kan net m'n pijp staan en meer niet.’
‘Nou,’ besliste Hilke, ‘dan nemen we de boel op schoot en brengen eerst alles aan boord.’
Zo gezegd, zo gedaan. Harmen wipte op de bok naast Gerretje; de anderen gingen met de gekochte spullen binnen in de wagen zitten. En toen alles goed was ondergebracht, nam Harmen z'n fiedel op en begon zo vurig te spelen dat de paardjes er een gestrekte draf inzetten.
‘Kijk ze eens lopen!’ zei Gerretje. ‘Ze zijn bang voor de muziek.’
Achter in de wagen deelde Hajo zijn vriend Padde mee hoe hij zijn schatten verdelen zou. ‘De pop krijgt Antje; Maartje de waaier, en de olifant is voor Doris. En die muilen geef ik aan m'n moeder! Zou het echt goud zijn wat er op zit?’
‘Wat dacht jij dan?’ vroeg Padde. En met een zucht liet hij er op volgen: ‘Ik ben thuis met zijn tienen! En m'n ooms en tantes willen óók wel wat hebben! Er eens kijken: voor Louwtje en Nelis en Heintje heb ik wat; Margje krijgt dat poppetje. Vind je die doek niet mooi? Die is voor m'n moeder voor 's zondags naar de kerk. En als 't regent kan ze er die paraplu nog bij opzetten - wat zullen de lui kijken! Annetje krijgt samen met Margje die pop, dan kunnen ze er om de beurt mee spelen. Nou zit ik nog met Jan en Gijs! Als ik ze die dolk geef, komen er ongelukken van.’
Rolf had er zwijgend, met afgewende blik bij gezeten. Nu keerde hij zich om, duwde Padde een paar ivoren olifantjes in de hand. ‘Hier, neem die maar. Die... die zullen ze wel leuk vinden!’
Padde keek Rolf verbluft aan. ‘Dat méén je toch niet?’
‘En hier!’ zei Rolf korzelig. ‘Neem dit poppetje maar mee voor... voor Annetje, dan hebben je zusjes er allebei een.’ En hij probeerde de bevreemde blik van de anderen te ontwijken.
‘Nou!!’ riep Padde verblijd uit. ‘Daar boffen ze bij! Zeg, als je nou toch aan het geven bent, heb je dan soms ook nog wat voor m'n ooms en tantes?’
‘Padde!’ berispte Hajo.
‘Nou, 'k maak immers maar een lolletje!’ zei Padde. ‘Of denk je dat ik hem de spullen wil afhalen die hij zelf gekocht heeft voor... voor... eh’ Padde wist opeens niet verder.
De kar ratelde over de stenen, en de jongens werden dooreengeschud op de houten banken. Harmen fiedelde onverdroten voort.
‘Ziezo, mannen, we zijn er!’ riep Gerretje.
‘Hoe komen we nou aan boord?’ vroeg Hilke, z'n hoofd naar buiten stekend.
‘Met een prauw! Daar ligt er al een met een zeil!’
‘En als de baas van het spul nou komt?’
‘Die komt niet,’ zei Gerretje. ‘Laten Harmen en ik het zootje maar even aan boord brengen, want we kunnen niet met z'n allen in die smerige prauw. - Leg die fiedel nou eindelijk eens af, Harmen!’
Harmen staakte zijn spel, sprong in de prauw.
Even later zeilden de twee in de richting van de Nieuw-Zeeland weg. Harmen fiedelde weer.
De anderen gingen een warong binnen, die aan de kade stond, en aten wat zoetigheden in pisangblad gevouwen. De zon gleed juist in zee weg; de korte Indische schemering viel in.
Het duurde wel een uur voor Gerretje en Harmen terugkwamen. Al van verre klonk Harmens vioolspel weer over het water. De anderen betaalden hun vertering en gingen naar buiten.
De rede bood nu een prettige aanblik. Overal werden prauwtjes losgegooid; een paar Javanen sprongen erin, staken een flambouw op de voorplecht en voeren ter visvangst. De spiegeling van de lichtèn danste over de golven.
‘Jongens, ik heb een nieuwtje!’ riep Harmen al van uit de prauw. ‘Gerretje heeft aangemonsterd bij de Bruinvis!’
‘Vooruit, lig niet te zaniken!’ gromde Gerretje, aan wal springend. ‘We gaan naar de pasar malam!’
‘En m'n viool gaat mee, jongens!’ schreeuwde Harmen. ‘Bij kerremis hoort muziek!’
Opgewonden werkten allen zich weer in de wagen. Op naar de pasar malam! Ze reden de brug weer over en toen de laan in van daarstraks. Hier onder de hoge zware loofbomen was het pikkedonker, zodat je geen berm kon onderscheiden, maar verderop dansten de brandende vetpotjes van wandelende winkeltjes, en op die lichtboeien stelde Gerretje zijn koers. Hij was bij Harmens gefiedel gaan zingen, klapte met de zweep en gilde zijn vreugde over zijn aanmonstering uit. ‘We gaan naar Holland, wie gaat er mee?’
‘Gerretje gaat mee!’ brulde Harmen.
‘Hiep-hiep-hiep, hoera!’ riepen de anderen, en Gerretje verstomde opeens van aandoening.
Zo belandden ze bij de pasar malam. Toen het marktgeroezemoes tot hen doordrong, staakten ze hun gezang en gluurden uit het rijtuig naar het bonte schouwspel.
‘Zo! Hier leggen we de kast voor anker, besliste Gerretje. En toen dit gebeurd was, stapten ze met z'n allen uit en gingen de markt op. Overal stalletjes met walmende oliepitjes en flambouwen, voorbijschuivende gestalten in bonte baadjes en sarongs, grillige schaduwen afwerpend naar drie, vier kanten tegelijk. Merkwaardig: nergens werd geschreeuwd of gezongen of ruziegemaakt. De marktventers zaten zwijgend, een strootje rokend, bij hun waren en spraken alleen maar een paar woorden wanneer een kooplustige bij hun stalletje bleef staan.
‘Wat een dooie boel!’ zuchtte Harmen. ‘'k Hoor nog geen draaimolen, 'k zie geen paardenspul - niks.’
Wacht, daar in de verte klonk lallend, brullend gezang. Janmaats! ‘Die kant maar uit, jongens!’ beval Harmen. Hij had nogal bekijks met zijn rode fez, zijn kris en zijn viool.
De jongens liepen door, vonden op het midden van de markt onder een reusachtige waringin het gezelschap zangers. Een kring Javanen keek meesmuilend toe.
De maats brulden en tierden en klapten in de handen, en in hun midden waren er twee aan het rondhuppelen met zonderlinge lichaamswendingen.
‘Schip ahoy!’ schreeuwde Gerretje. ‘Wat halen jullie daar uit?’
‘We zijn aan het dansen! Op z'n Javaans! Heila, speel jij er eens wat bij, zeg?’
Harmen werd in hun midden geduwd, bij de ‘dansers’, en sloeg aan het fiedelen.
‘Jongens!’ schreeuwde Gerretje boven het gebrul en gejoel uit, ‘Gerretje heeft weer aangemonsterd en centen zat!’ En hij rammelde met de pas ontvangen zilverstukken in zijn broekzak.
‘Leve Gerretje! Hoera!’ brulde de schare. Een van de dansende omes kreeg het met een Javaan te kwaad, tegen wie hij op botste. ‘Kun je niet uitkijken, stommeling?’ schold hij.
Hilke trok Rolf, Hajo en Padde met zich mee. ‘Laat ze schieten, jongens, het wordt hier een bende. Ga met mij mee: daarginds kunnen we écht Javaans zien dansen.’ En Hilke ging voorop, wandelde als een Goliath tussen de kleingebouwde Javanen en de lage stalletjes door.
De jongens verbaasden er zich over hoeveel verschillende rassen oosterlingen ze zagen. De Javanen waren in hun beste kledij. Kinderen droegen zilveren enkelbanden; om de bruine vingertjes glommen ringen. De vrouwen hadden hun zwartglanzend, geolied haar onberispelijk naar achteren gekamd en in hun wrong prijkten witte melatibloempjes. Overal hing een zoete geur van bloemen, lekkernijen, vruchten, vermengd met de lucht van kokerij, van vis en doerian. Het licht van de duizenden oliepitjes gaf het geheel een feestelijk en sprookjesachtig aanzien.
Tenslotte - Harmens vioolspel en de zang van de janmaats waren intussen in de verte verstomd - vonden ze de plaats waar gedanst werd, en een tijd lang stonden ze verwonderd en dromerig toe te kijken bij het sierlijk bewegen van de ‘ronggengs’ - zo heetten de Javaanse danseressen. Wat een mooi omgebogen gouden helm droeg die ene - dat was zeker een prinses...! Hoe vreemd klonk die muziek...
Ze zagen die avond ook nog een schaduwspel met poppen, die grappige gezichten hadden en wonderlijk dunne armen, en achter het scherm zat een oude man die de poppen liet spreken. Hu! dat was de duivel zeker! En dat daar de koning! Jammer, dat ze niets verstonden!
En van de ‘wajang koelit’ dwaalden de jongens naar de plaats waar een hanen-gevecht gehouden werd. Driftig, de borstveren opgezet, vlogen de dieren tegen elkaar op en brachten elkaar bloedige wonden toe met de scherpe stalen sporen die men hun had aangebonden. Zwijgend zaten de Javanen toe te zien; op de grond lagen hoopjes koper, die er op duidden dat op de hanen werd gewed. De jongens voelden zich door het wrede spel afgestoten en gingen weer verder. Wat was dit toch voor een eigenaardig volk, dat zoveel beschaving te paren wist aan zulke wrede neigingen.
Het was laat geworden en ze besloten nu maar terug te gaan. Hilke en Padde voorop, en achteraan Hajo en Rolf, slenterden ze weer in de richting van Harmens vioolspel.
‘Nu, Hajo,’ zei Rolf plotseling, ‘over een paar dagen is het afgelopen...’
Hajo haalde diep adem en keek naar boven, waar tussen de boomtoppen door de sterren fonkelden. Toen zei hij: ‘Rolf, ik weet niet of ik je ooit nog terugzie, maar vergeten zal ik je nooit! Jij bent...’ Hajo kon niet meer uit z'n woorden komen. ‘Jij bent...’
‘Een pennelikker,’ zei Rolf met een half ondeugende, half droevige glimlach.
Hajo omklemde Rolfs arm.
‘Wacht maar,’ zei Rolf. ‘Als jij hier over een paar jaar weer terugbent in Indië, monsteren we op hetzelfde schip aan en zeilen samen naar Holland terug. Dat zal leuk zijn, hè?’
‘Nou...!’
‘En dan ga ik op een scheepstimmerwerf werken; dat heb ik altijd al gewild.’
‘Ja,’ zei Hajo, ‘dat weet ik nog van toen, op de Italiaanse zeedijk...! Had je toen wel gedacht dat we nog eens zulke dikke vrienden zouden worden?’
Rolf knikte. ‘Ik zag je en meteen mocht ik je al lijden. Als ik je een lamme vent gevonden had, zou ik je met vechten toen heel anders hebben aangepakt. En Padde vond ik ook al dadelijk zo'n gezellige sukkel. Toen wij nog zouden gaan vechten, droeg hij m'n emmertje met bot al!’
‘Zeg, Rolf,’ zei Hajo. ‘Misschien... misschien word ik nog wel eens stuurman’ (hij sprak het woord haastig uit) ‘op een schip waarop jij schipper bent!’
‘Of jij wordt nog eens schipper op een schuit die ik gebouwd heb!’
Hajo was blijven staan. ‘Méén je dat, Rolf...? Zou ik nog wel eens... nog wel eens schipper kunnen worden?’
‘Waarom niet? Als je maar aanpakt! Kijk zo'n Bruinvis nou eens aan. Zou jij niet kunnen leren wat hij geleerd heeft?’
‘Rolf...?!’
De jongens zwegen. Hajo moest nog eens rijpelijk overdenken wat Rolf gezegd had. Hij, Peter Hajo, zou nog eens schipper kunnen worden?! Schipper met een opper- en een onderstuurman, een bootsman onder zich? Een eigen schip hebben, een eigen schip met een bemanning?!
Schipper Haio... Wat klonk dat! - Daarvoor moest gewerkt worden. Hard gewerkt, jarenlang. Welnu! Hajo zou werken, de tanden opeengeklemd. Hij zou lezen en schrijven leren, hij zou het ene boekje na het andere verslinden, regel na regel, tot hij het van buiten kende. Hij zou over sterrenkaarten gebogen zitten, avond aan avond, tot er geen olie meer in de lamp was. Hij zou wachten tot hij een man was en dan zijn baard laten staan, net als schipper Bontekoe; nu, op deze reis al, zou hij de bootsman vragen hoe de Bruinvis zijn koers bepaalde... of het erg moeilijk was, schipper zijn...
Daar klonk Harmens fiedel weer. Ze keken op en zagen de wagen aankomen, die geducht zwaaide, naar het licht op de bok te oordelen. Gerretje mende.
‘Zometeen kantelen ze nog! zei Rolf.
‘En m'n centen die zijn op en wat is me dat 'n strop. En m'n centen ben ik kwijt - is me dat een narigheid!’ zong Gerretje.
De jongens gingen eerbiedig een beetje opzij. Gerretje klapte met de zweep; Harmen zat naast hem te fiedelen. Binnenin lag een stel omes bij elkaar op
schoot; het was een wonder dat de bodem het uithield. Eén maat had zich achterstevoren op een biekje geslingerd, steunde zich op de andere paarderug om niet te vallen en schreeuwde: ‘Hou op! Ik val er af!’ Maar Gerretje luisterde niet naar de smeekbeden van de onervaren ruiter en zong onverdroten voort: dat zijn aanmonsteringscenten op waren en dat hij dat zo'n strop vond. En daarbij klapte hij lustig met de zweep.
Harmen merkte Rolf en Hajo aan de wegkant op. ‘O, mannen, daar hebben we de twee stuurlui ook!’ De anderen letten niet zo op de jongens, maar Hilke ontdekkend, riepen ze: ‘Kom er ook in, Hilke! Plaats zat!’
Hilke wees het aanbod af. ‘Ik loop liever. Wachten jullie bij de sloep?’
‘Ja, we zullen wachten!’ schreeuwde Harmen en fiedelde weer voort. Zo zwaaide de wagen verder, tot hij bij een bocht uit het oog verdween.
Hajo was uit zijn droom wakker geschud. ‘Wat heeft Harmen opeens?’
‘Harmen is jaloers op die brief, die mijn oom je heeft meegegeven,’ zei Rolf. ‘Gisteravond kwam hij bij me en vroeg of lezen en schrijven moeilijker dan vioolspelen was. Als het niet moeilijker was, wou hij het leren.’
‘En wat heb je gezegd!?’
‘Dat, als hij net zo goed kon lezen en schrijven als hij nu viool speelt, hij er nóg geen laars van kon. Toen was hij boos.’
‘Vind jij dan niet dat hij erg mooi speelt?’ vroeg Hajo verbaasd.
‘Gaat nog al. In de buitenlcht is het niet zo hinderlijk als binnen.’
‘Van die begrafenis is toch wel mooi...’ aarzelde Hajo.
‘'t Is er tenminste treurig genoeg voor,’ zei Rolf.
De jongens belandden bij de kade, waar de anderen al in de sloep zaten en de tijd verdreven door zo heen en weer te schommelen, dat de boot telkens water schepte. Boven stond de verlaten wagen; de paarden leunden droevig en slaperig tegen elkaar. Toewan Gerretje had geen lust meer om ze thuis te brengen...
‘Span ze dan tenminste uit!’ gromde Rolf en bevrijdde de dieren van het tuig. De paardjes maakten er meteen een dankbaar gebruik van door in een sukkeldrafje weg te lopen, vermoedelijk naar hun stal...
‘Wel verduiveld!’ schold Gerretje met dubbele tong. ‘Van wie zijn die knollen? Van jou soms?’ Meteen plofte hij weer neer, door het geschommel van de anderen. Ze gierden allemaal van plezier.
‘Hou nou op met dat schommelen!’ mopperde Hilke. ‘Zometeen slaan we nog om.’
‘Juist lollig!’ schreeuwden de maats. ‘D-dan zwemmen... hik! zwemmen we wat!’
‘Je weet zeker niet dat het hier vol haaien zit? vroeg Rolf. Samen met Hilke maakte hij de sloep los. ‘Ga daar eens weg,’ zei hij tegen een ome, ‘ik zal het roer wel nemen.’
‘Nee!’ protesteerde de maat. ‘Ik hou het roer vast! Ik wil het roer vasthouden!’ En hij sloot de roerstok als een zuigeling in zijn armen.
‘Laat los!’ zei Rolf.
‘Waarom? Waarom zou ik het roer niet houden?’
‘Omdat je stomdronken bent.’
‘Wat?! Ik dronken? Ben ik d-dronken, jongens?’
‘Laat maar los, Piet!’ zei Harmen, uit alle macht heen en weer schommelend. ‘We hebben nou twee stuurlui aan boord!’
‘Schei uit met dat schommelen!’ riep Rolf driftig.
‘Ja, schei uit, jongens! De stuurman vindt het ommers niet goed!’ treiterde Harmen.
‘Hou op met dat sarren, Harmen!’ gromde Hilke. Hajo kookte van binnen.
‘Wat: stuurman?’ vroeg een schommelende maat. ‘Wáár is een stuurman?’
Harmen wees op Rolf. ‘Hij daar, de boekenwurm! Die is te fijn om met gewone jongens in een sloep te zitten!’
‘Kom, hijs het zeil nou maar,’ zei Hilke geërgerd.
‘Dat mag je niet zo maar doen! Dat moet je eerst aan de stuurman vragen!’ riep Harmen.
Rolf stond op. ‘Ik heb jullie niet nodig,’ zei hij met trillende lippen. ‘Ik zal zo wel aan boord komen!’ En meteen dook hij het water in, kwam weer boven en zwom van de kade weg in de richting van de lichtjes, daar ver in zee.
Verbluft waren de omes. Zo verbluft, dat ze nog niet begrepen wat er gebeurd was toen het boord van de sloep voor de tweede maal neergedrukt werd en nog een jongenslichaam het water inplonsde.
‘Hajo...!’ schreeuwde Padde ontzet.
Toen kreeg Harmen zijn bezinning terug. Hij legde zijn viool neer, nam een roeispaan op en duwde van de kant af. Hilke gooide het zeil los. Vijf minuten later waren de twee zwemmers aan boord gehesen.
Padde jammerde in één toon tegen Hajo. Ben je nou helemaal gek geworden? Rolf zei immers zo net nog dat het water hier vol haaien zit...!’
Harmen keek met afgewend gezicht voor zich uit naar de Nieuw-Zeeland, waarvan de lichten steeds groter werden. In fiedelen had hij geen lust meer. Rolf zat met druipende kleren op een bankje, het hoofd gebukt. Hajo griende. Hilke hield het roer.
Na een tijdje herinnerde Gerretje zich weer dat zijn centen op waren en dat dit zo'n strop was, en hij deelde het zingend iedereen mee die het maar horen wilde.
Zo legde de sloep zich langszij van de Nieuw-Zeeland, en de omes klauterden aan boord. Geen van hen viel de valreep af. Want zoveel arak kan een Hollandse janmaat niet door zijn keelgat gieten, dat hij een touw loslaat als hij het eenmaal in z'n knuisten heeft. Harmen werkte zich op een onbegrijpelijke manier met Joppie en z'n viool naar boven.
Zwijgend trokken Hajo en Rolf hun natte kleren uit en gingen ter kooie. De meeste omes sliepen al.
Harmen was die avond gaan slapen zonder een mens goedenacht te wensen. Hij gooide zich zuchtend om en om, en onverwachts stond hij in zijn onderbroek voor Rolfs kooi.
‘Ik kom je wat zeggen...’ zei hij, moeilijk ademhalend. ‘Ik heb het niet zo kwaad gemeend als jullie dacht, hoor. 'k Ben ook niet nijdig op je omdat jij zo knap bent, maar alleen maar omdat ik zo stom ben. Snap je?’
‘Wie zegt dat jij dom bent?’ vroeg Rolf.
Harmen keek hem verbaasd aan. ‘Dat weet iedereen! Waarom geeft de schipper Hajo wél een brief mee en mij niet? Omdat de schipper denkt: Laat Harremen maar wat op z'n viool krassen, daar...’ hij slikte wat weg, ‘...daar is ie goed voor. - Afijn,’ Harmen snoof dapper zijn tranen op, ‘zolang ik m'n fiedel maar heb, is er met Harremen niks aan 't handje. Maar dan moet jij niet zeggen dat ik óók geen viool kan spelen!’
Rolf glimlachte weer. ‘Als ik het maar eerst zo kon als jij, zou ik al blij zijn, hoor!’
‘'t Is niet gemakkelijk!’ verzekerde Harmen. ‘Nietwaar, Hajo? Dat van die begrafenis is verduiveld moeilijk!’
Zo was de vrede weer gesloten. Harmen kroop nog niet dadelijk weer zijn kooi in; hij sleepte alles wat hij die dag had ingekocht bijeen, liet zijn viool nog eens bewonderen.
En Padde toonde zijn schatten, verdeelde ze nog eens opnieuw. En Rolf voelde zich blij dat Paddes broertjes en zusjes zo blij zouden zijn met wat hij Padde voor hen gegeven had. Al die mooie dingen leken zo mal in hun grove knuisten; het was net of het sprookjesachtige er nu af was, dat hen zo bekoord had toen ze ze in het halfduister van dat eigenaardig geurende winkeltje hadden zien liggen te midden van duizend andere vreemde dingen. In de matgele handen van die Oosterling hoorden ze thuis...
Nu, in Holland zou alles wel mooi gevonden worden. Als het maar uit Indië kwam!
‘Ruik dat hout eens?’ vroeg Padde, Hajo zijn waaier onder de neus houdend.
‘Lekker!’ zei Hajo, en Padde liet ook nog anderen aan de waaier ruiken.
En Harmen vulde zijn waterpijp, stopte er tabak in en rookte als een echte Arabier: met gekruiste benen! Ze deden allemaal een trekje, en de slapende omes gromden dat ze niet zo ginnegappen moesten als een ander mens mafte.
Maar de jongens waren traag in het scheiden.
Een lange, lange scheiding stond hun nog te wachten. Nietwaar...?