terug  begin 

[p. 383]



illustratie

De thuiskomst

De achtste maart van het jaar 1620 lichtte de Nieuw-Zeeland het anker, om het de achtentwintigste december van hetzelfde jaar na een voorspoedige reis weer te laten vallen op de zanderige rede van Vlissingen.

Met tranen in de ogen hadden de jongens Rolf vaarwel gewuifd toen een ferme zuidoostenwind de zeilen deed bollen en de Nieuw-Zeeland statig voortdreef van Java's groene kust, en met tranen in de ogen zagen ze de achtentwintigste december in de vroege morgen, rillend van kou, in de grijze nevel de duinen van Walcheren schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, de kraag van hun duffelse hoog opgezet, de handen en de polsen in de broekzak: Hajo en Harmen en Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allemaal dooreen en wuifden en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.

Kijk, daar lag Vlissingen met zijn rode daken en zijn stompe toren, waar de vlag uithing omdat er een Oostinjevaarder, de Nieuw-Zeeland, uit het verre mensenetersland was binnengelopen, de ruimen vol peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters van de havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveren. De reder, deftig in het zwart, met witte kraag en leren handschoenen, nam waardig in zijn sloep plaats om zich, vergezeld door de heren van het kantoor, aan boord te laten roeien.

[p. 384]

En de kwajongens van Vlissingen? Nee, maar, de kwajongens! Overal klepperden hun klompen over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de rakkers; ze baanden zich met hun ellebogen een weg door het tesaamgestroomde volk en roeiden in volgepropte bootjes hals-over-kop naar de Oost-injevaarder.

Grinnikend hingen de omes over de balie, zagen toe welke van de benden kleine zeerovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst bij de Oostinje-vaarder te zijn aangekomen, het eerst hallo! geschreeuwd te hebben, met de handen gezwaaid en gevraagd te hebben: ‘Gooi eens wat Indisch naar beneden?’ Daarvoor doken ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie eens, wat een mensen oploop! En wat een vlaggen fonkelden er in de klare zon!

Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenstebeste kikkerlandje! En al die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!

Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorlopig had niemand er trek in! Nou ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang thuis gehokt hadden, met een pijp en een kop koffie bij de haard, en zo lang over hun reizen hadden opgesneden dat ze zelf niet meer wisten wat waar gebeurd en wat gelogen was, zodat ze in hun verhalen vastraakten en niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage die ze meekregen een lege zak geworden was, dan werden ze sjagrijnig, dan luisterden ze naar het droeve jammeren van de wind in de schouw, dan kregen ze verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zo er eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen die nooit weer terug te willen zien, omdat ze 't zoute water nou wel zat waren, en... verdikkoppe! een week later hadden ze weer aangemonsterd voor Jan Oost.

 

Maar nu de ankerpallen ratelden, zat de vreugde hun nog tot boven in de keel. Straks zouden ze afmonsteren en, de zak vol blinkende daalders, op de wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar was het lekker warm!

Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders dat koud was.

Op het water krioelde het nu van roeibootjes vol kwajongens, die hun nek pijnigden met naar boven te kijken. ‘Hé, Lange!’ riepen ze omhoog, ‘spreek jij Maleis? Of ken je het niet eens?’

‘Papperalapoetje!’ schreeuwde de ‘lange’ omlaag.

De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. ‘Nou, en wat betekent dat nou?’

‘Dat zeggen ze als ze je gaan villen!’ lichtte de ‘lange’ toe.

Nieuw gegrinnik, Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een hele lap, zeg!’ roept er een. En alles daar beneden brult van het lachen over deze geestige zet.

[p. 385]

Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam de kombuis binnen, pakte Joppie in zijn nekvel en schaarde zich met hem in de rij wachtenden voor de kajuit.

‘Wat moet dat?’ jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.

‘We gaan afmonsteren, Joppie,’ zei Harmen.

En zo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z'n drieën de kajuit in. Joppie ook - verdekt achter Harmens rug.

Of de Bruinvis tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde hij zich tot Harmen. ‘Jij kunt de volgende reis weer mee!’

Ik ga niet meer varen,’ zei Harmen.

‘Dan ken ik je beter dan je jezelf kent,’ zei de Bruinvis.

‘Nou,’ zei Harmen, ‘ik zal een bruinvis wezen als ik me ooit weer op zo'n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.’

Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvis keek met vervaarlijke ogen naar Harmens gezicht waarop niets dan bittere ernst te lezen stond. ‘Hier! Neem je gage!’ bulderde de Bruinvis.

‘Dankje, schipper,’ zei Harmen beleefd. Om het geld te kunnen opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn vier poten door, ontwaarde de opgezette tijger en zette alle haren steil overeind.

De Bruinvis liet z'n ogen rollen. ‘Wat moet die hond hier in de kajuit?!

‘Afmonsteren en z'n gage halen,’ verklaarde Harmen. En toen kon hij zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. ‘Nou dag, schipper! 't Ga je goed!’ En Harmen verliet met bekwame spoed de kajuit. Joppie achter hem aan, de staart tussen de poten.

De Bruinvis hapte naar adem. ‘Nu jij!’ wendde hij zich bars tot Hajo. ‘Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan zit je niet zo ver van me af. Hier is m'n adres, ik heb het voor je opgeschreven! Maandag over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heren van de Compagnie, begrepen?’

Of Hajo het begrepen had!

‘Hoe ga je hu naar Hoorn? Lopen?’

‘Ja, schipper. Maar Harmen zei...’

‘Harmen?! Vraag ik je wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol mee - die is voor het volk dat die kant uit moet. En verder loop je maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een landrot is nooit te vertrouwen! Hier is 't. Met wat je in bewaring hebt gegeven, drieënzeventig gulden. - En nou jij!’ Dat was tegen Padde. ‘Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me eeuwig een raadsel blijven. Weet je wat jij bent? Een nietsnut! Een landrot!’

‘Nou, ik wou ook nooit varen!’ zei Padde, woest. ‘Ik wou bij m'n oom in de brouwerij!’

De Bruinvis keek hem verbaasd aan. ‘En waarom ben je dan naar Oostinje gegaan?’

‘Ik heb... ik heb me verslapen!’

[p. 386]

‘Hè?? - Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. Vierenzestig guldens. Negenendertig plus zevenentwintig...’

‘Is zesenzestig en niet vierenzestig,’ stelde Padde vast. ‘Twee gulden te min!’

‘Wat?!’ De Bruinvis sloeg aan het rekenen en bevond dat Padde gelijk had. ‘Hier dan!’ pruttelde hij, zijn lade openend en nog twee gulden op tafel gooiend. ‘'k Dacht net dat m'n boeken nu eindelijk klopten...’

Even later stonden de jongens buiten. ‘Daar wou hij me eventjes twee guldens afpikken!’ zei Padde verontwaardigd. ‘'k Zou er anders niks van gezegd hebben, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?’

‘Nou,’ viel Harmen hem bij. ‘De Bruinvis krijgt meer gage dan wij met z'n drieën, en hij heeft er niet half zoveel voor gedaan!’

 

's Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tussen de omes! Ze wisten allemaal dat ze elkaar binnen enkele weken terug zouden zien, maar ze namen afscheid voor eeuwig en wuifden zolang ze maar een muts konden zwaaien.

De wind zat pal in het noorden, zodat de jol tussen Walcheren en Zuid-Beveland aan één stuk door laveren moest. Het was zo ijzig op het water dat ze met z'n allen in de holte van de boot bijeen gingen zitten, een zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan de zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze klauterden met stijve benen, slapende voeten en verkleumde vingers en tenen tegen de dijk op en kropen bijeen op de warme hooizolder, die hun door de boer bereidwillig werd afgestaan.

‘Waar komen jullie weg?’ vroeg de boer terwijl hun met een kaars voorging, het laddertje op naar de zolder.

‘Van Batavia,’ zei Padde.

‘Dat is zeker 'n heel eind hiervandaan?’

‘Vlakbij, als je d'r eenmaal bent,’ lichtte Harmen hem in. ‘Kom, Joppie!’ En Joppie werd voor de zoveelste maal in z'n nekvel gepakt.

‘Moet die hond mee op zolder??’ vroeg de boer.

‘Wat dacht jij dan?’ zei Harmen. ‘Die heeft al meer gezien dan vijftig boerenkaaskoppen bij mekaar.’

‘Nou, 't is een lelijk mormel,’ gromde de boer.

‘Zeg hem dat eens in 't Maleis, als je durft,’ zei Harmen.

Toen ze met hun allen boven waren, klapte de boer het luik dicht en trok de ladder weg, zodat ze opgesloten zaten.

‘Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!’ meende een ome.

‘Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor ouwejaarsavond?’ vroeg Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid kakelend weg. ‘Wat een rotbeest!’ schold Gerretje. ‘Hij heeft me gepikt!’

Hè, het was lekker warm hier op zolder. Zelfs Joppie ontdooide. De mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het bewustzijn weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze eens weten dat ze alweer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die

[p. 387]



illustratie

hun ziel binnensloop, werd er weer uitgebezemd. En even later snurkten ze zo, dat de boer en zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich afvroegen waarom de varkens vannacht zo rumoerig zouden zijn. Biggen op komst...?

Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip die wijd en zijd verkondde dat ze, hoewel het winter was, voor de boer toch nog een vers eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het leeg. ‘Nog warm!’ Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het. ‘Oók goeiemorgen!’ wensten de omes het slaapdronken hoofd met de bonte nachtmuts toe.

‘Wat zijn jullie vroeg!’ mopperde de boer. ‘'t Is nog zo koud!’

‘Heeft het gevroren?’

‘Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!’

‘Heb je dan tenminste een bakkie koffie voor ons?’

De boer gromde wat. ‘Kom nou maar eerst beneden!’

‘Die grote, witte kip heeft een ei gelegd,’ zei Gerretje onder het afdalen.

‘Ja, ik heb 't gehoord, knorde de boer tevreden, ‘'k Zal het straks wel halen, - Wat hebben jullie in die kooien?’

‘Jonge leeuwen,’ lichtte Gerretje hem in.

‘Nou, jullie maakt er wat van!’ grinnikte de boer.

‘Heb je niks te bikken, Hannes?’ vroeg Harmen hem.

‘'k Heb nog wel een homp brood voor je,’ zei de boer. ‘Die wou ik aan de varkens geven, omdat ie zo hard is.’

Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood. De vrouw van de boer kwam ook te voorschijn, een nors, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur alsof ze de hele oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de hoffelijkheden van de galante omes zei ze boe noch ba. De boer was in de stal gegaan.

De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar gelukkig wél warm - dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zodat de omes ze moesten laten rondgaan.

De boer kwam uit de stal terug en begon een lang verhaal over een koe op te dissen die hij van 't voorjaar gekocht en van het najaar weer verkocht had en

[p. 388]

waarop hij zo'n schade had geleden. En dan had het van het voorjaar zo weinig geregend. En hij had de heren van het Waterschap eens even de waarheid verteld over een dijk die niet meer te vertrouwen was, en hij had ook een neef bij de Secretarie. En z'n wijf was zo best, nooit ziek of zo, en zijn zeug had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verzopen had, omdat dertien immers een ongeluksgetal was...

De omes lieten hem zwammen, tot ze ze hun derde kom koffie hadden leeggeslurpt. Toen stonden ze op. ‘Nou, Nelis,’ zei Harmen en stak de boer gul de hand toe. ‘Bedankt voor je rotkoffie, hoor!’

De boer grinnikte. ‘Goeie reis!’

‘Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?’ riep Gerritje nog.

‘'k Zal er temet om gaan,’ beloofde de boer.

En de omes staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen gehuld. De wind zat nog even beroerd in het noorden en blies vinnig de nevelen over het water, zodat de maats rode oorlelletjes en blauwe neuspunten kregen. Ze staken de brede Oosterschelde over. In het midden was het zo duivels koud, dat je adem bevroren op je lippen sloeg. Op het water dreven dikke ijsschotsen. Joppie lag rillend in Harmens armen; de kooien met aapjes waren in het bergplaatsje voor de proviand neergezet. - Nu zeilden ze tussen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om Overflakkee het Volkerak door in het Hollands Diep.

Bij de Dordtse Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was dicht gevroren. Tegen lopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij een kroes warme spaanse wijn.

‘Ik wil jullie m'n slee wel verkopen,’ zei de waard, een lelijke, schele kerel.

‘Is het ijs dan sterk genoeg?’

‘Daarstraks is er al een op schaatsen uit Rotterdam gekomen.’

‘Laat kijken je slee!’ In optocht volgden ze de waard, die hun in een schuurtje een grote groene bakslee aanwees.

‘Wat moet die ouwe wasbak nog opbrengen?’ vroeg Harmen.

‘'n Daalder.’

‘Je bedoelt zeker als we jou en je kroeg er bij kopen?’

De waard haalde de schouders op. ‘Niemand dwingt je, die slee te kopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je hele rommel in laden!’

‘Vooruit!’ zei Hilke. ‘Hij is gekocht!’

Harmen pruttelde nog wat. ‘Afijn!’ zei hij. ‘Weet je wat, jongens? Ik ga naar Dordt en zie in een oudroestzaakje een stel schaatsen op te scharrelen. Dan trekken we de slee! - Hé, afzetter, leen me je schaatsen even naar Dordt, 'k ben zó weerom.’

Grommend ging de waard de schuur weer in gaf Harmen een paar verroeste schaatsen. Harmen schoot ze aan, holde er mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te tonen dat hij het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen met ver naar voren gebogen bovenlijf, de handen op de rug, tegen de wind op te werken in de richting Dordrecht.

[p. 389]



illustratie

De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer in.

‘We moeten hier maffen,’ meende Gerretje. ‘Of heeft er iemand lust, vannacht in een wak terecht te komen?’ Hij keek rond, maar toen er geen liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met de waard aan het onderhandelen over de logiesprijs. Voor acht stuiver de man met avondeten erbij en nog een ‘flapkanne’ spaanse wijn werd de zaak tenslotte beklonken.

Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over de rug. ‘Daar word je lekker warm van!’ riep hij, terwijl hij de dijk opkrabbelde. Met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de gelagkamer binnen. ‘'t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, want 't ijs kraakt als 'n ouwe zolder.’

Terwijl de omes de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat aanzetten op de met zand bestrooide vloer, kwam de waard met een dampende pan watergruwel aanzetten.

Dat smaakte! De omes slobberden, als hadden ze een week gevast.

‘Je hebt 't hem vlug gelapt, Harmen!’ prees Gerretje. ‘Wat heb je nou nog voor dat oudroest betaald?’

‘Oudroest?’ vroeg Harmen beledigd. ‘Als je een beetje rijden kunt, heb je er het roest in twee slagen af. 'k Heb er drie stuivers per stuk voor betaald.’

‘Toe maar, het kan niet op!’ meende een zuinige ome.

‘Nou, je hoeft ze me niet weer af te kopen,’ zei Harmen. ‘Loop jij dan maar, als je dat liever doet.’

‘Kom!’ susten de anderen. ‘Als jullie deining wil maken, maak dan deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!’

[p. 390]

's Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze de boeren uit de omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de brave plattelanders laat in de avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het hun zo van tijgers, krokodillen, reuzenslangen en menseneters, dat er twee arm aan arm een sloot intuimelden.

Gelukkig lag er keihard ijs op.

 

Bij hanengekraai zaten de jongens naast de omes al in het beijzelde riet hun schaatsen onder te binden. En met een homp brood in de tintelende knuist reden ze er op los - een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.

Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte punten erin. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de eerst bocht zwaaide de slee al zowat tegen de knoestige wilgen aan de oever. Joppies haren rezen te berge en Padde, wiens groenblauw gezicht paars van schrik werd, schreeuwde: ‘Heila! kalm aan wat!’

Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe langer hoe doller ging het.

In een half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten een paar vers broden, warm uit de oven, en togen kauwend verder, nu in de richting Rot terdam. Bij de IJssel zwaaiden ze naar stuurboord om, en nog voor de midda waren ze bij Gouda.

Het was een zonnige vriesdag en op de Gouwe krioelde het van de schaatsers. - ‘Hoe-oe!’ schreeuwden de omes al van verre, om zich vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de slee vloog al even lustig heen en weer.

Ze hadden niet te klagen dat de landrotten hun geen plaats lieten: wie het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan de gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam opzij en keek vrolijk naar de dolle bende en naar de dikke angstige verkleumde jongen in de slee en de magere steilharige hond, die het nu en dan uitjammerde van verlangen naar zijn zonnig Sumatra.

Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan de Amstel. Daar wuifden meisjes hun toe, en de omes wuifden terug en schreeuwden ‘hoera!’ omdat de levenslust er nu eenmaal uit moestl Verduiveld, nog vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!

Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan de IJkant, en ze zou hem en zijn makkers graag herbergen en onthalen.

Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte aan. ‘We krijgen het vast goed, jongens,’ zei hij. ‘Ze is wat aan de gierige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!’

Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk toen ze, het oude wijfjeskopje met de witkanten knipmuts uit het bovenraam stekend, haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. ‘Wat moet dat daar?’ vroeg ze.

[p. 391]

‘Goeienavond, moei!’ wenste Gerretje haar toe. ‘Kun je ons vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m'n kammeraje.’

‘Wat doen jullie hier? Waar kom je vandaan?’ vroeg het mensje.

‘Uit de Oost,’ schreeuwde Harmen naar boven. ‘We komen regelrecht uit de Oost, moei!’

‘Op schaatsen?!’

‘Jazeker! Op schaatsen!’ riep Gerretje. ‘Daar kunnen we je wat van vertellen, moei!’

‘Nou,’ zei moei na een aarzeling, ‘jij mag binnenkomen, omdat je m'n neef bent.’

‘En de anderen niet?’ vroeg Gerretje weemoedig. ‘Denk er eens aan, moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een neutje, we zijn zowat bevroren.’

‘Ik heb niets in huis,’ verklaarde de moei. ‘Maar verderop is “'t Vette Varken”. Daar kun jullie meteen slapen ook.’

‘Moei, wat ben je weer knibbelig,’ klaagde Gerretje. ‘Laat mij nou er eens zoeken, ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er zelf toch ook niet vies van?’

‘Ik zeg je toch dat ik niks in huis heb!’ zei de moei snibbig.

‘'t Is wélles, ouwe toverkol!’ riep Gerretje boos.

Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de omes susten hem. ‘Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar neutje naar de weerlicht lopen!’

‘Heb je dáár nou een moei voor?’ jammerde Gerretje droefgeestig.

‘Vooruit!’ zei Harmen. ‘We gaan naar “'t Vette Varken”. Harremen betaalt!’

Dus maar in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar omes wilden die nacht doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek in, verdronken hun gramschap tegen Gerrits ongastvrije moei in een borrel en dachten de stamgasten hier ook eens wat op de mouw te kunnen spelden. Maar ze werden door de slimme Amsterdammers niet zo grif geloofd: een was erbij, een landrot die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch ophakte alsof hij z'n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist alles op een prik, die lelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan het woord komen.

Verdrietig, met wrok in het hart, zochten de gebruinde omes, die me daar even door zo'n witgesteven pennelikker uit het veld waren geslagen, hun logies op.

 

Toen ze de volgende morgen hun bol uit het dakvenster staken, was de wind naar het zuiden gedraaid en er lagen grote plassen op het ijs. Dooi!

‘Natte voeten!’ meende Gerretje. ‘Afijn, over een paar uur zijn we thuis!’

Thuis...! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens even een gangetje inzetten!

Padde keek bedenkelijk. ‘Als jullie nóg woester rijdt dan gisteren, gebeuren er ongelukken!’ voorspelde hij.

[p. 392]

‘O! Dat zit de hele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!’ schimpten de omes.

Na de ‘vroegkost’ met gloeiende koffie naar binnen gewerkt te hebben, rekende Harmen met de waard af. Die bleek hen flink geplukt te hebben. Dat was zo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een stuiver!

‘Gevaarlijk rijen met die nattigheid!’ meende de waard, het geld opstrijkend.

‘Ja, jij zorgt wel dat je droog blijft, duitendief!’

In dolle vaart ging het er weer op los. Zo fel zwierden de maats door het water, dat ze tot op het hemd nat werden. Geen landrot waagde zich meer op het ijs.

Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te kort; de slede botste tegen de kant, zeilde weer over het ijs uit, zodat de meest rechtse schaatsers werden omgerukt, - sloeg toen tegen de andere wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in gruzelementen. Joppie was op de wal gesprongen; Padde liep een geweldige buil op, de kisten lagen over het ijs verspreid.



illustratie

‘Zo'n rotslee!’ schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. ‘Heb je je pijn gedaan, Padde?’

‘Nou en of!’ klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.

De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om de hals, en stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. ‘Sjongejonge,’ filosofeerde hij, ‘jullie hebt zeker erg woest gereden! Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.’

‘En waarom niet?’ vroeg Gerretje uitdagend. ‘Dat die slee kapot is, geeft niet. We slepen ieder onze eigen kist, jongens!’

‘Dan kun je meteen je doodkist wel meeslepen,’ zei de molenaar. ‘Verderop is het vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!’

‘En dan zeker betalen dat we scheel zien!’

‘Hoe kom je daarbij?’ vroeg de molenaar. ‘Jullie rijden voor niks!’ En zich omwendend: ‘Jan! Span de wagen eens in!’

‘Ja, vader,’ klonk het uit de molen.

‘Man!’ stamelde Harmen in verrukking, ‘jij moest in een gouden lijstje!’

[p. 393]

De molenaar grinnikte. ‘Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. M'n vrouw heeft net krentenmik voor oud en nieuw gebakken.’

‘Drommels, 't is de eenendertigste vandaag!’ bedacht Hilke.

‘Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond,’ meende de molenaar.

Wij niet meer,’ zeiden een paar maats. ‘Wij moeten nog door naar Enkhuizen.’

‘Ik kan de kar niet zover missen,’ zei de molenaar. ‘Morgenochtend moet ik m'n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee, om de kar terug te rijden. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?’

‘In “'t Sillevere Anker”,’ zei Harmen. ‘Op mijn kosten.’

‘Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?’

‘Uit Oostinje!’

‘Wat je zegt! En die hond?’

‘Die komt van Sumatra.’

‘Geen wonder dan dat ie het hier koud vindt. Kijk hem eens rillen!’

En ze gingen de molen in. ‘Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen mee!’ riep de molenaar gul. ‘Kom maar gerust voor den dag: ze bijten niet, behalve in je krentenmik!’

De vrouw, dik en goedlachs, kwam met een dampende krentenmik binnen. ‘Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?’ vroeg ze.

‘Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!’ blufte Gerretje.

‘Stil jij!’ schimpte Harmen. ‘Jij bent met een mensenetersvrouw getrouwd!’

‘Is dat waar?’ vroeg de molenarin, die de krentenmik aansneed.

Gerretje was vuurrood geworden, ‘'k Zou jou graag je nek omdraaien!’ siste hij Harmen toe.

‘Dat meen je niet,’ zei Harmen.

Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit ogenblik zette de molenarin hem een dikke snee krentenmik voor, en Gerretje vergat zijn woede. ‘Ja-ha!’ grinnikte de molenaar, ‘zo doet ze met mij ook. Als ik nijdig ben, zet ze me gauw wat lekkers voor de neus!’ En hij trommelde tevreden op zijn rond buikje.

Jongens, de krentenmik smaakte! Die smolt in je mond! Daar nog boerenjongens bovenop, een stuk koek met suikerfiguren... De molenaar en zijn gezellig wijfje lachten maar, en de maats voelden zich wonderwel thuis.

‘Kom, jongens,’ zei Hilke, ‘als we nog vóór donker in Hoorn willen zijn...!’

Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.

‘Kijk!’ zei Gerretje, aangedaan door het gastvrije onthaal, ‘die papegaai is voor jou! Hij kan potverblomme! zeggen, maar als je hem pest, bijt ie.’

Toen voelde Harmen zich geroepen om de molenaar als herinnering een aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en koud op de bodem. Ze werden er allen even stil van. - ‘Snap ik niet,’ zei Harmen. ‘Gisteren was ie nog zo fleurig!’

‘Stom beest!’ zei de molenaar meewarig. - Een van de andere maats gaf hem toen een aapje dat nog niet dood was. ‘We zullen het bij het vuur hangen,’ stelde de molenaarse voor.

‘Hoe dichter, hoe liever,’ zei Harmen. ‘Dan denkt ie, dat ie weer in Java is.’

[p. 394]

En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswensen in de kar. In het westen trok een rosse sneeuwlucht op. ‘Heb je je goed ingepakt, Jan?’ vroeg de molenaar.

‘Ja, vader,’ antwoordde een blozend, stil, goed gevuld jochie met strogele haren onder de pet, dat parmantig op de bok zat, de teugels in de hand.

‘En heb je een lantaarn bij je? Voor straks, als het donker is?’

‘Ja, vader.’

‘Zit er olie in?’

‘Ja, vader.’

‘En heb je je brood bij je? En je beursje?’

‘Ja, moeder.’ Bij elke bevestiging knikte het jochie - bleef dromerig voor zich uitzien. ‘Jan denkt toch om alles!’ prees de molenaar.

En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en riepen bedankt! en tot ziens! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.

Het begon zachtjes te sneeuwen; al gauw was de gastvrije molen als een schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg schokkende, maar tenslotte in de sneeuw haast geruisloos voortrollende kar dicht bijeen - Joppie tussen hun knieën. Nog vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken elkaar stil gelukkig aan. Harmen tuurde zwijgend naar de bodem van de kar. Opeens drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. ‘Doe jij het liever,’ zei hij en zuchtte.

‘Wat?’

‘Dat geld aan Lijskens moeder geven. Ze woont aan de Markt.’ En toen hij Hajo's weifeling zag: ‘Toe, doe me die lol. Ga samen met je moeder...’

‘Kijk me dat ventje eens mennen!’ prees een maat.

Gerretje knikte. ‘Een beste jongen. En... een zoete jongen!’

‘En die knol loopt ook met volle zeilen!’

‘Nou!’ bevestigde Gerretje. ‘Laat mij er eens mennen, Janneman?’

De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar het hoofd.

‘Denk je dat ik niet met knollen kan omgaan?’ vroeg Gerretje.

‘Met deze niet,’ zei het jongetje.

Gerretje werd nijdig. ‘Vooruit, ga van de bok af!’

‘Gerretje!’ berispte Hilke. ‘De jongen stuurt best.’

‘Dat zeg ik ook niet! Maar ik wil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De bok af!’

De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.

‘Wel verduiveld!’ schold Gerretje.

Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. ‘Als je me verveelt, laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal vort! roepen, hij loopt toch alleen als ik het wil.’

‘Hou je toch koest, Gerretje,’ pruttelden de anderen.

Gerretje bromde wat, zakte op de bodem van de wagen neer, keek beledigd voor zich uit.

‘Hu!’ riep het kereltje op de bok. En het paard liep weer.

[p. 395]

De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen wanneer ze door een dorp reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de wielen trokken al dieper voren in de witte weg; zwart stonden de knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.

‘We krijgen nog veel meer!’ voorspelden de maats. Toen ze zich schor gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun varensgastenziel.

Eindelijk... zagen ze goed?!... daar schemerde in het noordoosten... een bekende omtrek... de grote toren van Hoorn!

Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in de wagen te dansen, vielen in elkaars armen. ‘Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!! Hoera!!!

En zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje later de Westerpoort in. ‘We komen uit Indië!’ riepen ze de verbaasde mensen op straat toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes omhoog. Zo hadden ze in een ommezien een groot gevolg.

‘Halt! Daar loopt m'n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je taai, jongens! Ik moet... Krelis! Krelis!’ En de ome was met zijn kist en papegaai uit de wagen gesprongen, rende met grote sprongen op z'n broer toe. De anderen zagen terwijl ze weer voortdansten, holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen vielen.

Op de grote markt stopte de kar; ze sprongen er uit, drukten elkaar de hand en sjouwden met hun hebben en houden door de sneeuw naar huis.

Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gezicht voor een bezorgde uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn!?

Daar stond Hajo's huisje! Was het zo klein?? Hijgend rukte Hajo de lage deur open en stortte zich naar binnen. ‘Moeder!! Moeder!! Moedertje!!!

Daar lag hij in haar armen, en beiden snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was zijn moeder zo klein en zo tenger??

‘Moeder! Moedertje van mij!’

‘Peter! M'n jongen!’

Zijn moeder nam zijn hoofd tussen haar handen, wilde het bekijken, maar begon toen weer te huilen en te lachen en overdekte het met kussen zonder iets anders te kunnen zeggen dan: ‘Jongen! Mijn jongen! Ben je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter...’

Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met hun houding niet goed raad wetend. Hajo drukte hen aan het hart en wist niet waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het eerst kussen moest. ‘Antje! Maartje! Wat zijn jullie groot geworden! En Doris! Ken je mij niet meer?’ Hij knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en hem met grote ogen aanstaarde.

‘W-waar is de olifant?’ vroeg Doris.

Hajo sloeg van plezier een gat in de lucht. ‘Hij kent me nog!! Wacht maar, jij krijgt je olifant!’

Hajo sprong op, viel zijn moeder weer om de hals, die hem stralend aankeek, rukte toen zijn kist open, keerde hem onderste boven. ‘Hier!’ riep hij,

[p. 396]



illustratie

terwijl dikke tranen hem over de wangen rolden. ‘Hier! Antje, een pop voor jou! Met Chinese ogen, - zie je wel? En een waaier! Voor jou, Maartje! Ruik er eens aan, hoe lekker! Moeder, ik word voor stuurman opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En kijk eens, Doris! Hè? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?’ - Hajo kroop op de knieën naar Doris toe, hield hem een wit ivoren olifantje voor de neus. ‘Kijk z'n slurf eens? En zijn tanden?’

‘En... en de menseneter?’ vroeg Doris, met een blijde uitdrukking op zijn rond kindergezichtje de ‘olifant’ bekijkend.

‘De menseneter? Hier is de menseneter! Hau-auw!’ En Hajo maakte een mensenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de armen. ‘Antje! Wat ben jij een meid geworden!’

‘Dacht je dat ik altijd zo klein bleef?’ vroeg Antje. ‘Jij bent ook groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?’

Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in haar armen wierp, snikte ze het weer uit. ‘M'n jongen... wees niet boos dat ik

[p. 397]

nog huil! Ik ben zo blij dat je terug bent! Het is alles zo onverwacht gekomen. En... Heb-heb je een goeie reis gehad?’

‘Terug wel, moedertje! Maar de Nieuw-Hoorn is vergaan!’

‘Verg...?!!’

‘'k Heb geld bij me, moeder! Kijk eens!!’ Hij legde handen vol guldens op tafel. ‘Tweeënzeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, maar dat is voor Lijskens moeder. Lijsken is onderweg aan de scheurbuik...!!’

En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Over de brand aan boord, de tocht met de jol, over Dolimah, de panter, Pak Samirah, het vlot, en dat hij bij de Bruinvis in Amsterdam moest komen...

Onder zijn opgewonden, verwarde verhalen viel de klopper. Padde stond aan de deur.

‘Padde!!’

En ook de brave dikzak werd door Hajo's moeder omhelsd, en hij zelf snikte alsof Hajo's moeder ook de zijne was.

‘'k Heb haar vijfenzestig gulden en zeven stuivers meegebracht,’ zei Padde. ‘Ze laat vragen of jullie vanavond bij ons komen, Maartje ook. - Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij thuis ook! 'k Heb er nog een zusje bijgekregen!’

‘En thuis alles goed?’ vroeg Hajo.

‘Best. Alleen m'n vader... die is een half jaar geleden verdronken.’ Padde haalde diep adem en kuchte. ‘In de sloot achter de Zuidwal,’ zei hij er toen achteraan. En opeens, het hoofd gebukt en op een harde toon die anders nooit over zijn lippen kwam: ‘Z'n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die... die... die dronkelap!’

‘Padde,’ zei Hajo's moeder zacht, ‘zo mag je niet over je vader spreken.’

Padde schudde driftig het hoofd. ‘Wat doet ie m'n moeder te slaan? En het geld te verdrinken?

‘Maar... maar nu is hij toch dood, Padde.’

Padde worstelde met iets.

Hajo's moeder stond met droeve glimlach op, nam Padde in haar armen en kuste hem. ‘Zeg maar aan je moeder dat wij komen.’

En Padde ging, huilend.

‘Nu, m'n jongen,’ zei Hajo's moeder, ‘nu moeten wij samen nog even uit. Heb je... heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We gaan geen blijde boodschap brengen, m'n jongen, maar... het moet.’ Ze ging naar de kast, sloeg een doek om.

En even later stapte Hajo met zijn moeder aan de arm de deur uit. Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. ‘Mijn jongen, wat ben je groot geworden...’ verzuchtte zijn moeder steeds weer. ‘Ik moet nu helemaal tegen je opzien!’

‘Maar ik ben ook al zestien, moeder! Is de tijd niet gevlogen?’

Zijn moeder glimlachte. ‘Niet... niet altijd, Peter.’ Toen werd ze stil en met haar gedachten afwezig. Hajo droeg het geld voor Lijskens moeder in een zakdoek geknoopt.

[p. 398]

Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. Uit de rossig-grijze lucht bleef het maar omlaagdwarrelen.

Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun kist op de nek. Gerretje droeg bovendien Harmens waterpijp nog, en Harmen klemde onder de linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde met opgetrokken poten tussen hen in.

‘Schip ahoy!’ riep Hajo.

De beide gestalten hielden stil. ‘Hallo, Hajo!’

‘Waar gaan jullie heen?’ vroeg Hajo. ‘Zijn jullie al thuis geweest?’

‘Jawel,’ zei Harmen, met een aarzelende blik op Hajo's moeder, ‘maar ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja...! We gaan nou maar eerst naar “'t Sillevere Anker”!’

‘Dit is nou Harmen, moeder!’ zei Hajo trots. ‘Die heeft samen met mij die panter... weet je wel?’

Hajo's moeder stak Harmen de hand toe. ‘Harmen, ik dank je voor wat je voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!’

Harmen werd verlegen. ‘'n Kleinigheid, juffrouw...! - Afijn, 't had raar kunnen aflopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke...! We gaan 't z'n meisje in ‘'t Sillevere Anker’ nou zeggen.’

‘Arme meid,’ zuchtte Gerretje.

‘Zeg dat wel,’ viel Harmen hem op droefgeestige toon bij. En met afgewende blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchtte. ‘Hilke is bij z'n meisje - die was even in haar nopjes!’

‘Nou! Ze drukten mekaar zowat plat!’ grinnikte Gerretje.

‘Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!’

‘Arm beest!’ zei Hajo's moeder, toen het dier bibberend tussen Harmens benen kroop.

‘Hij zal er wel aan wennen!’ stelde Harmen haar gerust. ‘Nou dag, juffrouw! Ajuus, Hajo!’ - En het drietal haastte zich over de verlaten marktplaats voort naar ‘'t Sillevere Anker’...

 

Lijskens moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met grote droevige ogen, nam zwijgend de zilveren guldens in ontvangst en borg ze weg in een oude gehavende kast.

‘Ik was er al bang voor...’ Dat was al wat ze zei. Toen Hajo's moeder haar kuste, begon ze te huilen.

 

Zo vierden allen het ouwejaar nog in Hoorn. En de maats die de volgende morgen verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan de haard en hielpen opsnijden.

Buiten sneeuwde het altijd maar door; als een troostende hand legde de sneeuw zich over het stadje... er moesten vele schrijnende wonden worden bedekt.

[p. 399]

Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf klokkeslagen over de sneeuw.

Een nieuw jaar was begonnen.



illustratie

terug  begin