|
|
|
| | | | | |
Geleidelijke en springende klank-verandering.
| |
Een empirisch-psychologische studie.
In § 571 van zijn
Etude sur les changements phonétiques
(1891) schrijft
Paul Passy:
‘Il ne faut pas perdre de vue le principe que nous avons
établi en commençant cette étude, à savoir, que les
transformations phonétiques sont dues, à peu près
exclusivement, à l'imitation maladroite du langage des adultes par les
enfants. Ce principe est, je crois, admis en théorie par tous les
linguistes; et cependant on raisonne presque toujours comme si le langage se
développait peu à peu dans la bouche d'un même individu, ou
du moins dans le parler d'une même génération.
H. Paul, par exemple, trace un tableau, du
reste très séduisant, de la transformation graduelle d'un son par
le déplacement du sens musculaire [verschiebung des
bewegungsgefühls]’.
En in § 572 voegt hij daaraan toe:
‘C'est faute de s'inspirer de ce principe si simple et si
évident qu'on est arrivé à considérer certains
faits phonétiques à un point de vue tout à fait inexact.
Sweet, par exemple, établit une
distinction fondamentale entre les changements organiques et les
changements acoustiques. Il considère comme organiques les
changements qui peuvent se produire par une suite infinie de degrés,
comme acoustiques ceux qui nécessitent un changement complet de la
position des organes.’
In § 573 wordt deze onderscheiding van Sweet vervolgens
bestreden.
Ofschoon het aannemelijk is, dat het onnauwkeurig nabootsen der
moedertaal door de jonge kinderen een belangrijke factor is in de
taalveranderingen, toch zou ik niet zoo ver willen | | | | gaan, om hier te
spreken van een ‘à peu près exclusivement’ en nog
minder gevoel ik me overtuigd, dat we de gangbare onderscheiding tusschen
akoustische (springende) en organische (geleidelijke) veranderingen geheel
moeten laten vallen. In ieder geval nemen veranderingen, die hoofdzakelijk door
klankverwantschap geschieden, als f voor ch, ch voor f, k voor t, enz. een
afzonderlijke plaats in tegenover alle andere, waar of bij verschil van
articulatie-wijze op dezelfde plaats wordt gearticuleerd, of waar bij
gelijkheid van voortbrengingswijze de plaats slechts weinig wordt verschoven.
Gevallen, als deze beide laatste, zou ik onder den naam
articulatie-verwantschap willen samenvatten. Het is duidelijk uit de
beteekenis, die de resonauce bij alle klankvoortbrenging bezit, dat
articulatie-verwantschap steeds een groote mate van klankverwantschap met zich
brengt. K en ch komen niet alleen overeen in plaatsverwantschap,
maar liggen ook akoustisch dicht bijeen.
Geleidelijke overgangen of overgangen door articulatieve
verwantschap zijn dus zoodanig, dat ze door Paul's hypothese der
‘verschuiving van het bewegingsgevoel’ desnoods verklaard konden
worden. Als volgt zou men dit kunnen toelichten. Wordt bij iemand, wiens oogen
geblinddoekt zijn, de rechterarm door een ander in een bepaalde, gekromde
houding gebracht en daarna langs het lichaam gestrekt, en wordt hem vervolgens
verzocht, den gestrekten arm weder in den vorigen, gebogen stand terug te
brengen, dan zullen de kinaesthetische indrukken niet zoo scherp meer zijn, of
een merkbare afwijking van den vroegeren buigingshoek kan opgemerkt worden. Zoo
nu zou het ook met de spraakklanken zijn: de bewegingen, noodig in de organen,
om den stand voor een bepaalden medeklinker te bewerken, laten niet zulke
scherpe, kinaesthetische indrukken achter, of ook hier zijn kleine wijzigingen
mogelijk. Met een weinig welwillendheid voor de onnauwkeurigheid der
uitdrukking zou men dit een verschuiving van het bewegingsgevoel kunnen
noemen.
Alle springende, d.w.z. hoofdzakelijk akoustische veranderingen nu
leggen zulk een verklaring van den aanvang af moeilijkheden | | | | in den
weg, inzooverre we hier met spraakklanken te doen hebben, die op geheel
verschillende plaats in den mond of door verschillende organen (tong, lippen)
worden voortgebracht. Wel eischt de akoustische verwantschap, dat de vorm van
articulatie overeenstemt - beide klanken zijn dus explosieven, of beide
spiranten, enz. - doch daarbij blijft het.
Voor we onze bewijzen bijbrengen, willen we ter nadere toelichting
nog eerst de soorten van medeklinker-veranderingen nagaan, door Passy zelf
onderscheiden. In het hoofdstuk ‘Changements des sons
indépendants’ neemt hij zes rubrieken aan. Daaronder zijn
veranderingen als p in pf niet begrepen; deze worden afzonderlijk
behandeld als ‘changements combinatifs, actions des sons
transitoires.’
1. Onder changements de classe (de eerste der zes aangenomen
rubrieken) verstaat Passy overgangen, waarbij de articulatie-wijze wordt
veranderd; overgangen dus als p tot f (loopen, bruiloft), als
d tot l (Lat. lingua uit *dingua). Al deze veranderingen zijn,
wat ik genoemd heb, articulatief. Medeklinkers, die op dezelfde plaats gevormd
worden, zal ik in het vervolg ‘gemeenplaatsig’ noemen.
2. Onder changements de la place d'articulation vallen zoowel
veranderingen, die voornamelijk akoustisch, alsook zoodanige, die vooral
articulatief verwant zijn. Soms kan hierbij twijfel ontstaan, of de afstand in
plaats van dien aard is, dat men van het eerste of van het tweede dier gevallen
dient te spreken.
Als overgangen van articulatie-plaats zijn te noemen: de verandering
van f in ch in het Nederlandsch, (kocht uit kofte; de t, die hier
volgde, heeft den akoustischen overgang vergemakkelijkt, aangezien een spirant,
aan het einde van een woord staande of tusschen twee klinkers, scherper in het
gehoor valt en daardoor beter wordt vastgehouden).
Verder de verandering van ch in f in het Engelsch
(bijv. enough, to laugh, enz.).
Ook de overgang van scherpe th in f, zooals die
dialectisch in het Engelsch voorkomt, behoort hier genoemd te worden. | | | |
Eindelijk ook de vervanging van k door p en t,
zooals die wordt waargenomen in de kindertaal. (Passy § 574: ‘Et
nous savons aussi que presque tous les enfants disent t pour
k’).
Ook de overgang van m in n, die zonder invloed van
assimilatie bijv. in het Grieksch heeft plaatsgegrepen, behoort tot deze
rubriek.
Consonanten, die op gelijke wijze worden voortgebracht, als k
en t, of ch en f, zal ik in het volgende
‘gelijkvormige’ consonanten noemen.
3. Onder modifications en place verstaat Passy zulke
veranderingen, waarbij zich naast de hoofdarticulatie van een consonant een
neven-articulatie heeft ontwikkeld, soms zelfs zóó, dat de
oorspronkelijke klank er geheel door overwoekerd werd.
Door zulk een stadium van dubbel-articulatie kan bijv. de overgang
van de tongspits-r tot de huig- of keel-r plaatsgrijpen.
Jespersen heeft dit verschijnsel voor het Deensch opgemerkt (Passy
§ 361 en noot); zelf spreek ik een tongspits-r; begin ik evenwel
een g te zeggen, dan kan ik tegelijk met dit schuringsgeruisch een
trilling van de tongspits teweegbrengen; ook dit geeft dan te zamen den
akoustischen indruk van een r.
Eveneens kan men den overgang van de scherpe spirant th tot
f verklaren; bij de th wordt de lucht tegen den achterkant der
boventanden aangedreven, om dan omgebogen vervolgens tegen de onderlip aan te
stooten
1); bij de
f wordt de lucht door de opening tusschen onderlip en boventanden tegen
de bovenlip aangeblazen; begint men nu met de th uit te spreken en
brengt men vervolgens de onderlip wat hooger op, dan verkrijgt men ten slotte
een consonant met dubbele articulatie, doordat de ademstroom, zoowel door de
reten der boventanden, als onder de boventanden langs, tegen de bovenlip wordt
aangeblazen.
Beschouwt men de m als een spraakklank met
dubbel-articulatie, inzooverre huig en lippen gelijktijdig dienst verrichten,
dan kan men den overgang van m in b eveneens beschouwen als
het | | | | opgeven eener neven-articulatie. Ook de overgang van n
in r en l is van dezen aard. (Voorbeelden Passy § 332).
Ook overgangen van keel- in lipklanken -en omgekeerd kunnen door
zulk een tusschenstadium van dubbel-articulatie verklaard worden. En in het
algemeen is deze rubriek van ‘plaatswijziging’ een handig middel,
om schijnbaar of werkelijk springende overgangen als articulatief te
verklaren!
4. De changements relatifs à la voix (d. w. z.
stemverlies bij stemhebbende klanken; stemtoevoeging bij stemlooze klanken),
kunnen we vergelijken met de vorige groep, inzooverre we iederen stemhebbenden
consonant kunnen opvatten als een dubbel-articulatie, deels in de stembanden,
deels in de mondholte. Ook hier moeten we van articulatieve verwantschap
spreken.
5. Onder het hoofd affaiblissement brengt Passy
tweeërlei voorbeelden bij: a. overgangen van stemhebbende consonanten in
vocalen, veranderingen, die zich dus aansluiten bij de rubriek
‘changements de classe’; b. overgangen van stemlooze spiranten in
h. In afwachting van verdere phonetische onderzoekingen kunnen we ons
voorloopig dit wellicht aldus voorstellen: voordat de h intreedt, heeft
er een tusschenstadium plaats, waarin de spirant met zoo wijde en slappe
opening wordt gevormd, dat van het schuringsgeruisch alleen een geblaas
overblijft. Dit geblaas is dan weder, met de h-blazing, waarbij de lucht
door de open stembanden heen met een stoot in de mondholte wordt gedreven,
akoustisch verwant.
6. De zesde rubriek: chute, behoeft ons niet bezig te
houden.
Zoo zien we, dat de tweede van Passy's rubrieken aanleiding geeft
tot het onderstellen van klankovergangen, hoofdzakelijk voortvloeiend uit
klankverwantschap. Dit verschil tusschen akoustische en articulatieve
verwantschap wil ik in het volgende op tweeërlei wijze onderzoeken: door
een statistiek van het onzuiver eindrijm in de volkspoëzie en ten andere
door een psychologisch experiment.
Een dergelijk psychologisch experiment werd door mij eenige | | | | jaren geleden (anno 1901) beproefd. Eigenlijk was het doel daarbij een
ander dan het hierboven aangeduide; doch door tijdgebrek en gemis aan routine
wist ik toendertijd de proeven tot geen bevredigend einde te brengen. De
aanteekeningen en het proefmateriaal heb ik echter al die jaren volledig
bewaard. Vreezende, dat de tijd mij voorloopig zal ontbreken, om op deze zoo
tijdroovende proef terug te komen, wil ik hier alvast de resultaten ten aanzien
van een der proefpersonen mededeelen; temeer daar het gevondene ook door mijn
onderzoek van eindrijmen bevestigd wordt. Ik erken, dat een psychologisch
onderzoek van één persoon slechts een voorloopig werk mag heeten,
doch ongaarne laat ik dit verloren gaan. Wie nader op deze proeven mocht
ingaan, sta ik gaarne met mijn ondervindingen en aanteekeningen ten
dienste.
De proefneming, die ik ondernam, sluit zich aan bij de experimenten,
zooals die in de laatste jaren inzonderheid door Duitsche psychologen, met name
door Ebbingbaus, Müller, Schumann, Pilzecker, e.a. zijn ondernomen. In
hoofdzaak bestaan deze proeven in het memoriseeren van beteekenislooze
lettergrepen. Deze lettergrepen bestaan elk uit drie letters: een
beginconsonant, een middenvocaal, een eindconsonant. Ze worden verbonden tot
rijen van 8 of meer lettergrepen. Deze rijen worden van te voren samengesteld;
behalve dat de lettergrepen geen beteekenis mogen bezitten, moeten ze nog aan
andere eischen voldoen, ten einde te vermijden, dat ongewenschte invloeden in
het spel komen. Zoo mag een lettergreep bijv. niet op dezelfden medeklinker
eindigen, als waarmee ze begint; een volgende lettergreep mag niet beginnen met
de consonant, waarop de voorafgaande eindigde.
Ebbinghaus
1), die de proeven het
eerst nam, verrichtte ze bij zich zelf; hij legde een papier, beschreven met de
reeks lettergrepen voor zich neer, las ze op in vast tempo, en telkens | | | | de oogen sluitende of afwendende, beproefde hij ze op te zeggen;
haperde dit, dan las hij de rij verder, en beproefde 't weder een volgende maal
of een daarop volgende. Het aantal keeren, noodig voor het memoriseeren, werd
aangeteekend. De variaties, in deze proefneming aangebracht, en de resultaten,
die
Ebbinghaus er mede trachtte te bereiken, kunnen we hier
ter zijde laten.
In plaats van deze memoriseer-methode pasten
Schumann en
Müller de ‘tref-methode’ toe.
De silbenrij werd daarbij een vast aantal malen in trochaeïschen kadans
door den proefpersoon gelezen. Daarna kreeg hij een bepaalden tijd rust, waarin
hij aan de lettergrepen niet meer dacht. Vervolgens werden in wisselende
volgorde de lettergrepen getoond; de proefpersoon had dan de daarop volgende
lettergreep te noemen. De gegeven antwoorden, zoowel goede als verkeerde
(zoogenaamde ‘juiste treffers en mistreffers’), werden daarbij
aangeteekend. Ook op de verschillende voorzorgen, waarmee deze proef werd
uitgevoerd, en de eigenlijke resultaten en bedoelingen kan ik evenmin hier
verder ingaan.
Alleen wil ik wijzen op een paragraaf in een wederom latere
verhandeling van G.E. Müller en
A. Pilzecker
1), (nam. § 50), waar deze beide onderzoekers aan
de mistreffers een afzonderlijk onderzoek wijden. Vergelijkt men nam, in de
gevallen, waarin, de proefpersonen een vreemde lettergreep noemen in plaats van
de opgegevene, de juiste en verkeerde silbe met elkander, dan merkt men op, dat
de proefpersonen te dien aanzien in twee groepen vervallen: personen, die
vooral de vocalen gemakkelijker onthouden, en personen, die meer gemak hebben
met de consonanten. Tot de eerste behooren wel degenen, die het psychische
type auditif vertoonen.
2) Aan deze opmerkingen voegen Müller en
Pilzecker nog eenige | | | | mededeelingen toe over de
gemakkelijkheid, waarmee consonanten worden gememoriseerd. Het desbetreffende
gedeelte wil ik hier overnemen, ook omdat ik er verderop in mijn verhandeling
op terugkom.
‘Wenden wir uns nun zn den richtigen Endconsonanten, so ergab
die Gruppe der Starkauditifen folgende Resultate:
| sch | p | z(=
ts) | m | t | f | ch | n | l | r | k | s |
| 56 | 52 | 51 | 49 | 47 | 43 | 42 | 40 | 38 | 37 | 35 | 25 |
‘An der Spitze steht hier das sch, das nicht blos in
visueller Hinsicht durch seine Zusammensetzung aus 3 Buchstaben ausgezeichnet
ist, sondern auch von allen Consonanten die grösste Stärke zu
besitzen pflegt
1) und überdies eine längere Ausdauer und
hellere Färbung besitzt als andere Consonanten. Dass nach sch das
p uud z nachfolgen und auch das t eine der hohen
Häufigkeitszahlen besitzt, erscheint ohne Weiteres verständlich, wenn
man die akustische Eindringlichkeit als einen für die Reihenfolge
wesentlich maassgebenden Faktor ansieht. Befremdend erscheint von diesem
Standpunkt aus.... an der ganzen vorstehenden Reihefolge der Endconsonanten nur
der Umstand, dass das m so weit vorn, hingegen das k, von dem man
erwarten sollte, dass es zwischen oder neben dem p uud t stehe,
so weit hinten in der Reihe sich findet
2). Für die unerwartete Stellung des
k lassen sich besondere Gründe nicht anführen. Die unerwartet
hobe Häufigkeitszahl des m beruht lediglich auf einer Besonderheit
von M., welcher das m am Schlusse der Silbe besonders deutlich und
nachhaltig aussprach … Lässt man die beiden [betreffenden]
Versuchsreihen bei Seite, so erhält das m erst die 10. Stelle in
der Reihe, während das t an seiner Statt in die Zahl der 4 ersten
Buchstaben der Reihe einrückt.’
Op een kritiek dezer passage, waarmee ik het in vele opzichten | | | | niet eens ben, kan ik eerst ingaan na mededeeling mijner eigen
proefresultaten.
Bij de proeven nu, die ik zelf ondernam, waren rijen van 8
lettergrepen genomen; ze werden in een vast tempo en trochaeïschen kadans
gelezen en een vast aantal malen (gewoonlijk drie maal, bij enkele
proefpersonen vier keer). Na twee minuten pauze werden ze aan den proefpersoon
overhoord. Bij het overhooren werden vocalen, beginconsonanten, en
beginconsonant plus vocaal opgegeven.
Van een der proefpersonen zullen ons de uitkomsten thans
bezighouden. Volgens eigen mededeelingen behoorde hij tot het
auditief-motorisch type; het zelf lezen of prevelen biedt hem bij het
memoriseeren gemak aan. Toch kenmerkt zich zijn gehoor niet door groote
scherpte. Hij is Amsterdammer van geboorte en woonplaats. Hij kan vreemde talen
lezen, maar is niet gewoon, er zich in uit te drukken. Over het algemeen
memoriseerde hjj, zonder de silben met daarop gelijkende woorden te
associeeren. Waar een enkelen keer in de proefrij door vergissing een
lettergreep met beteekenis was binnengeslopen, ontging hem dit. Ook onder zijn
mistreffers kwamen vaak bestaande woorden voor. Bovenal kenmerkte hij zich door
een groot aantal vergissingen. Deze neiging tot vergissen trouwens had hem
reeds op school veel onaangenaamheden bezorgd. Voor mij werd hij er een
begeerlijk proefpersoon door, daar hij in korten tijd veel meer mistreffers
opleverde dan een ander in langer tijdsverloop. Hij was zoo welwillend zich aan
een proef van 30 dagen te onderwerpen. Op iederen dag werden tien rijen van 8
lettergrepen geleerd; van deze acht werden 7 op de bovengenoemde wijze
overhoord. De rijen waren zoo samengesteld, dat alle begin- en eindconsonanten
en alle vocalen, over de geheele proef heen, een gelijk aantal malen
voorkwamen. Telkens wanneer een rij overhoord was, werd een kleine pauze
genomen, ten einde vermoeidheid en verveling te vermijden en ook om te zorgen,
dat de lettergrepen van een voorgaande rij niet te veel invloed hadden. | | | |
Bij het samenstellen der lettergrepen was gebruik gemaakt van tien
eindconsonanten: f, g (in de uitspraak = ch), k, l, m, n, p, r, s, t, van
vijftien klinkers en tweeklanken: aa, ee, ie, oo, uu, a, e, i, o, u, eu, oe,
au, ei, ui, van de volgende beginconsonanten of consonantverbindingen: b, d, f,
g, j, k, l, m, n, p, r, s, t, v, w, z, sp, st, sch.
De volgende tabel geeft een overzicht van de voorkomende fouten in
de mistreffers. Gevallen, waarin de proefpersoon tusschen twee letters
weifelde, zijn in de volgende tabel niet opgenomen. Het waren de volgende:
f: g/l - g: f/k - k: m/n - l: l/n, l/t, l/n, g/p -
m: m/n, m/n, f/g, f/n - p: m/n, m/k, k/g - r: m/n -
s: p/t - t: p/f, s/f. In de linkerkolom staan de oorspronkelijke
eindletters; met vette cijfers is het aantal juiste antwoorden aangegeven:
In de plaats gestelde consonant.
| Oorpr. | | | | | | | | | | | Totaal |
| | | | | | | | | | | | aantal |
| Conson. | f | g | k | l | m | n | p | r | s | t | fouten. |
| f | 77 | 22 | 3 | 6 | 5 | 7 | 18 | 2 | 12 | 7 | 82 |
| g | 17 | 76 | 21 | 3 | 1 | 8 | 11 | 1 | 5 | 9 | 76 |
| k | 15 | 11 | 68 | 10 | 10 | 5 | 13 | 4 | 2 | 10 | 80 |
| l | 8 | 7 | 3 | 90 | 10 | 15 | 6 | 5 | 4 | 3 | 61 |
| m | 9 | 7 | 3 | 0 | 91 | 25 | 5 | 7 | 5 | 2 | 63 |
| n | 5 | 6 | 4 | 4 | 13 | 107 | 5 | 3 | 4 | 6 | 50 |
| p | 9 | 12 | 22 | 1 | 6 | 5 | 86 | 7 | 3 | 7 | 72 |
| r | 5 | 7 | 4 | 9 | 3 | 7 | 6 | 107 | 10 | 7 | 58 |
| s | 4 | 2 | 3 | 2 | 2 | 5 | 4 | 0 | 131 | 5 | 27 |
| t | 2 | 7 | 3 | 1 | 3 | 3 | 11 | 2 | 7 | 125 | 39 |
Schrijven we vooreerst op de consonanten naar de volgorde der juiste
antwoorden, dan vinden we:
| s | t | n | r | m | l | p | f | g | k |
| 131 | 125 | 107 | 107 | 91 | 90 | 86 | 77 | 76 | 68 |
Gerangschikt naar het aantal fouten, krijgen we:
| s | t | n | r | l | m | p | g | k | f |
| 27 | 39 | 50 | 58 | 61 | 63 | 72 | 76 | 80 | 82 |
Vergelijken we deze lijst met die, opgegeven door
Müller en
Pilzecker, dan merken we op, dat, evenals in
deze, de k ver achteraan staat, maar ook, dat de p meer naar
achteren komt, en de s vooraan. | | | |
Voor ik deze verschillen verklaar, moet ik er op wijzen, dat bij den
besproken proefpersoon dentalen klaarblijkelijk gemakkelijker worden
gememoriseerd dan labialen, en deze weder iets gemakkelijker dan gutturalen. We
vinden daarvoor deze drie gemiddelden: dentalen s, t, n, r, l 560:5 = 112,
labialen 254: 3 = 85, gutturalen 156: 2 = 78.
Dit resultaat is in overeenstemming met een opmerking, gemaakt door
B. Bourdon, in zijn werk: L'expression des
émotions et des tendances dans le langage (Paris 1892). Op blz. 86
geeft hij naar aanleiding van berekeningen, uitgevoerd op phonetisch geschreven
teksten, de volgende verhoudingen op:
| | dentalen: labialen | labialen:
gutturales |
| Fransch | 2.8 | 2.5 |
| Duitsch | 3.3 | 1.4 |
| Engelsch | 2.8 | 1.6 |
| Italiaansch | 2.7 | 2.3 |
| Spaansch | 3.5 | 1.7 |
| Keltisch | 2.3 | 2 |
| Russisch | 2.5 | 2 |
| Hongaarsch | 2.7 | 1.2 |
‘Admettons donc que la prépondérance des
dentales sur les labiales et des labiales elles-mêmes sur les gutturales
soit une loi générale
1) du parler humain, peut-on rattacher cette loi
à des faits psychologiques, physiologiques ou anatomiques connus? Il
nous semble qu'on peut la rattacher à un fait psychologique, à un
fait physiologique, et à un fait anatomique qui sont respectivement les
suivants: finesse tactile de la pointe de la langue d'une part, grande
mobilité d'autre part et, en troisième lieu, juxtaposition contre
les dents de cette même partie de la langue.’
Op welke wijze kunnen we thans de beide afwijkingen van
Müller en
Pilzecker verklaren? Wat de p betreft, geeft het
werk van Bourdon ons weder opheldering. Uit zijn lijst over de | | | | veelvuldigheid van consonanten (t.a.p. blz. 81) blijkt, dat in het
Duitsch de p 3 maal voorkomt tegen k 19 maal, l 23 maal,
t 66 maal, r 102 maal, enz. Een lettergreep, eindigende op een
p, moet dus op het oor van een Duitscher een opvallenden indruk
teweegbrengen.
Wat eindelijk het cijfer van de s betreft, reeds van den
aanvang af, voor ik eenige proef ondernam, bevreemdde het mij. Zoo maakt
Passy bijv. juist een opmerking over de doordringendheid
van dit geluid: § 143 ‘on remarquera que s se distingue parmi
les consonnes pour sa forte sonorité apparente. Si on entre dans une
église, par exemple, au moment du chant d'un cantique, et qu'on cherche
à retrouver la place où en est l'assemblée, c'est en
épiant le moment où celle-ci prononce un s qu'on y arrive
le plus facilement.’ De eenige verklaring daarom van bovengenoemde
afwijking kan ik slechts zoeken in de slechte uitspraak van de s bij
vele Duitschers, zooals die bijv. ook door
H. Klinghardt,
Artikulations- und Hörübungen
(Cöthen 1897) wordt meegedeeld (blz. 176)
‘Da unsere schüler
nicht selten mit fehlern ihrer s-aussprache behaftet sind, so will ich
nochmals hervorheben, dass zu voller entwicklung der normalen schärfe des
s-lautes es unbedingt erforderlich ist, dass die rückseite zum
allermindesten der mittleren vorderzähne (des unterkiefers) frei liegt,
damit der von oben herunter getriebene luftstrahl eben nicht bloss auf der
aussenseite abgleiten, sondern auch auf der innenseite derselben herunterfahren
und in dem angrenzenden überaus engen raume resonanz wecken und wieder
empor-, so wie vielseitig anspritzen kann. Sobald dagegen der vordere
zungensaum die rückseite sämmtlicher unteren vorderzähne bis zur
kante derselben hinauf verdeckt, also dem aufsturz des luftstrahles entzieht,
ist die bildung eines normalen s-geräusches
unmöglich.’
Gaan we thans na, wat de veranderingen der consonanten ons kunnen
leeren. Om te zien, met hoe groote waarschijnlijkheid we mogen besluiten tot
een bepaalde neiging, heb ik gebruik gemaakt van
V. Henry's artikel Le calcul des
probabilités en
| | | |
psychologie, voorkomende in den
tweeden jaargang (1895) van L'année psychologique. Inzonderheid
heb ik gevolgd het voorbeeld 2o op blz. 478 aldaar en heb ik gebruik
gemaakt van de tabel op blz. 500.
De hoofdgedachte van deze berekening kan ik door het volgend
voorbeeld duidelijk maken: naast de p komen onder de eindconsonanten
twee tenues voor naast zeven spiranten en liquidae; eveneens geldt dit voor de
t en de k. Is er dus geen bepaalde neiging in het spel en alles
enkel afhankelijk van toevalligheden, van onberekenbare invloeden, dan zullen
de vervangingen van tenues door tenues zich moeten verhouden tot de
vervangingen door andere consonanten ongeveer als 2 tot 7. Wijkt nu in een
groot aantal waarnemingen de verkregen uitkomst hiervan sterk af, dan kan men
tot de werking in een bepaalde richting besluiten. Hoe kleiner nu in de
volgende berekeningen, die alle afgeleid zijn uit de tabel op blz. 213, de
achtergevoegde waarschijnlijkheidsbreuken zijn, met des te meer recht mag men
tot het bestaan van de vermoede neiging besluiten.
1. Tenuis, vervangen door tenuis, in 66 gevallen.
Tenuis, vervangen door liquida of spirant, in 125 gevallen.
Verhouding van beschikbare tenues tot spiranten en liquidae =
2:7.
Waarschijnlijkheid < 0.0001. Er bestaat dus stellig een neiging,
om tenuis door tenuis te vervangen.
2. Spirant, vervangen door spirant, in 62 gevallen.
Spirant, vervangen door liquida of spirant, in 123 gevallen.
Verhouding van beschikbare spiranten tot tenues en liquidae =
2:7.
Waarschijnlijkheid = 0.0002. Ook hier is de neiging, om spirant door
spirant te vervangen, bewezen.
3. Nasaal, vervangen door nasaal, in 38 gevallen.
Nasaal, vervangen door niet-nasaal, in 75 gevallen.
Verhouding van consonanten in beide groepen = 1:8.
Waarschijnlijkheid < 0.0001. Ook de neiging, om nasalen te
verwarren, is hiermee bewezen. | | | |
4. Tenuis, vervangen door gemeenplaatsige spirant en
omgekeerd, in 71 gevallen.
Tenuis of spirant, vervangen op andere wijze, in 293 gevallen.
Verhouding van consonanten in beide groepen = 1:8.
Waarschijnlijkheid < 0.0001.
5. R, l, n, onderling in elkander overgaande, in 43
gevallen.
R, l, n, in tenues of spiranten overgaande, in 100 gevallen.
Verhouding der aantallen letters = 2:6 = 1:3.
Waarschijnlijkheid = 0.1615; dit is een kans van ongeveer 1 op de 7.
Dat de veronderstelde neiging bestaat, is misschien nog niet buitengesloten,
doch in ieder geval is ze zeer zwak. Bij de historisch geconstateerde
overgangen van n in l merkt
Passy op (§ 332, 4o): ‘mais tous
ces changements peuvent être des dissimilations.’ De voorbeelden,
die hij geeft van overgangen van n in r, vertoonen dit
verschijnsel steeds in niet geaccentueerde lettergrepen; dit is in
overeenstemming met hetgeen we later bij de eindrijmen zullen constateeren
(regel III).
6. Onder no. 1 hebben we gezien, dat tenues onderling
worden verwisseld, onder no. 2 hebben we dit bij spiranten
waargenomen; onder no. 4 voor gemeenplaatsige tenues en spiranten.
De vraag doet zich voor, ingeval tenuis en spirant niet op deze wijze vervangen
worden, bestaat er dan een neiging, om althans stemloozen medeklinker boven
stemhebbenden voor te trekken. We krijgen aldus de volgende berekening:
Stemlooze consonant, in ongelijksoortigen en tevens
ongemeenplaatsigen stemloozen medeklinker overgaand, bijv. p in s
en g, of s in p en k. Dit gebeurt in 78
gevallen.
Stemlooze consonant, vervangen door liquida, in 99 gevallen.
Verhouding der beschikbare letters = 2:4 = 1:2.
Waarschijnlijkheid = 0.0012. Daaruit volgt, dat er behalve de
nauwere verwantschap tusschen gemeenplaatsige letters onderling en tusschen
gelijksoortige consonanten er ook een verwantschap, om het zoo uit te
drukken, van den tweeden rang bestaat tusschen alle stemlooze
eindconsonanten.
7. Ten slotte doet zich de vraag voor, laat zich ook de
in-
| | | |
vloedvan voorafgaanden klinker op den
consonant-overgang bepalen. Ik ben daarvoor uitgegaan van het resultaat onder
no 6 bereikt. Vervolgens ben ik weder het
‘bruto’-proefresultaat van den betrokken proefpersoon doorgegaan en
heb daaruit de volgende tabel samengesteld, waarvoor alleen gevallen zijn
gebruikt, waarbij in den mistreffer de klinker onveranderd is gebleven.
Donkere vocalen en tweeklanken
| Overgang
van | | | | | | | |
| consonanten | a | aa | o | oo | oe | au | |
| g,
k > f,
p | 2 | 5 | 3 | 6 | 7 | 6 | }51 |
| f,
p > g,
k | 4 | 7 | 3 | 1 | 5 | 2 | }51 |
Heldere (palatale) vocalen en tweeklanken
| | e | ee | i | ie | eu | uu | ui | ei | u | |
| g,
k > f,
p | 3 | 1 | 1 | 2 | 3 | 1 | 6 | 7 | 2 | }62 |
| f,
p > g,
k | 5 | 4 | 8 | 4 | 1 | 5 | 3 | 4 | 2 | }62 |
Donkere vocalen en tweeklanken
| | a | aa | o | oo | oe | au | |
| g,
k > s,
t | 1 | | | 3 | | | }7 |
| f,
p > s,
t | | | | | | 3 | }7 |
Heldere vocalen en tweeklanken
| | e | ee | i | ie | eu | uu | ui | ei | u | |
| g,
k > s,
t | 2 | 5 | | 2 | 3 | 2 | 1 | 5 | 1 | }43 |
| f,
p > s,
t | 2 | 2 | | 8 | 2 | | | 3 | 1 | }43 |
Voor ik tot een uitlegging van dit resultaat overging, heb ik eerst
nagegaan, of er soms in het algemeen een inniger verwantschap tusschen keel- en
lipletters onderling bestaat dan tusschen een dezer groepen met dentalen. Met
behulp van de vroeger opgegeven tabel (blz. 213) vindt men daarvoor de volgende
cijfers:
| p, f > k, g 22 + 3 + 12 + 22 = | 59 |
| k, g > p, f 17 + 11 + 15 + 13 = | 56 |
| | 115 |
| p, f > t, s 12 + 7 + 3 + 7 = | 29 |
| k, g > t, s 5 + 9 + 2 + 10 = | 26 |
| | 55 |
| | | |
Er zijn dus tweemaal zooveel overgangen van gutturalen en labialen
in elkander dan van deze beide in dentalen. (Vgl. hiermede
H. Sweet,
A Primer of Phonetics, 1890 § 83).
Letten we nu op de gegevens van de tabel voor den invloed van
vocalen, dan zien we, dat achter donkere vocalen deze verhouding van 2 op 1 tot
ruim 7 op 1 is geklommen. Achter heldere vocalen is de verhouding van 2 op 1
gedaald tot 1½ op 1; bij de vocalen ee, ie, ei is vooral een
begunstiging van dentalen op te merken.
Naar aanleiding van deze uitkomst kunnen we twee opmerkingen maken.
Ten eerste voor het Nederlandsch; evenals in onze proef komt de overgang van
f tot ch vooral achter donkere vocalen voor, bijv. Hd. Kraft, Nl.
kracht; Mnl. kofte, Nl. kocht, Hd. Luft, Nl. lucht; zooals uit het Duitsch
blijkt, is in dit laatste voorbeeld de Nederlandsche palatale klank secundair.
Ten tweede voor het Grieksch; terwijl daar namelijk voor volgenden donkeren
klinker de overgang van Indo-Europeeschen labiovelaar kw enz.
tot labiaal algemeen is, met uitzondering van een paar dialectische gevallen,
waarin k blijft, bestaat er daarentegen voor volgende palatale vocaal
een weifeling, zoowel in het Grieksch in 't algemeen, als ook in de
afzonderlijke dialecten. (Vgl.
H. Hirt,
Handbuch der griechischen Laut- und Formenlehre,
1902 § 217-222)
1).
Gaan we thans over tot de bespreking der onzuivere eindrijmen in
volkspoëzie. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van de
Nederlandsche Baker- en Kinderrijmen3,
verzameld door Dr.
J. van Vloten (1874). Verder heb ik ook de
Middelnederlandsche
| | | |
Historieliederen, in 1904 door Mej. Dr.
Van de Graft als dissertatie uitgegeven, voor
mijn doel gebruikt. Voor 't volgende echter heb ik van mijn aanteekeningen over
deze laatste verzameling slechts ter aanvulling gebruik gemaakt; overigens
bevestigen zij, (wanneer men terzijde laat de liederen, die klaarblijkelijk en
slecht uit het Duitsch zijn vertaald), geheel en al, wat ik reeds gevonden
had.
In
Van Vloten's verzameling heb ik in 't geheel 102
onzuivere rijmen kunnen vinden. Ik heb ze onder de volgende regels verdeeld;
overal waar ik achter een voorbeeld een vraagteeken plaats, wil ik daarmee
aanduiden, dat het wegens den onregelmatigen vorm dezer kinderrijmpjes (elke
strophevorm ontbreekt meestal) niet zeker is, of men het al dan niet als rijm
moet beschouwen.
I. De eene rijmlettergreep gaat uit op een consonant, de andere
bevat daarachter nog een t. (Vergelijk hiermee den wegval van t
in ‘ik vin’ voor ‘vind’, ‘ik wor’ voor
‘word’, ‘denk je’ voor ‘denkt je’,
‘ochend’ voor ‘ochtend’, enz.). Blz. 62 water: klatert
- 62 stoep: gesnoept - 69 gepist: is - 49 Kees: geweest - 109 an: kouseband -
130 kist: is - 152 knecht: weg - 162 verkoft: of. In 't geheel 8 gevallen.
II. Het eene rijmwoord gaat uit op een consonant, het andere bevat
daarvoor een r, (vgl. de r na vocaal in het Engelsch). Blz. 8
broertjen: goetjen
1) - 24 mode: koorde - 30 zootjen: oordjen - 30 zwart: gat - 47
wat: smart - 65 start: wat - 77 laarsjen: Sinterklaasjen - 90 los: kikvorsch -
101 rood: boord. - Hierbij sluiten zich met l aan: blz. 8 stad: valt -
88 naaldetjen: dradetjen. In het geheel 11 gevallen.
III. In vrouwelijke rijmen bestaat groote vrijheid voor de liquidae
in de toonlooze lettergrepen. Blz. 3 lorum: koren - 3 wachten: achter - 12
praten: water - 14 poffertjens: pantoffeltjens - 19 over: oven - 27 beugels:
leugens - 43 | | | | ketel: eten - 50 boter: schotel - 50 lochting: vochten
- 55 beugels: leugens - 73 Schinkel: drinken - 94 Meye : eyer - In 't geheel 12
gevallen, waaronder tweemaal hetzelfde rijm.
IV. Nasalen worden onderling verwisseld, staande na betoonde of
bebijtoonde lettergreep: blz. 8 vakeling: in - 19 komt: pond - 20 land: vangt -
20 kraam: staan - 21 Bombam: Jan - 21 bombam: speelman - 26 meegaan: raam - 27
uitgegaan: tegenkwaam - 32 tangetjen: mannetjen - 43 ding: in - 55 gaan:
tegenkwaam - 75 Adam: dan - 75 Tolentin: ding - 75 man: Amsterdam - 81 dam: an
- 82 kwammen: brannen - 85 alomme: tonne - 89 samen: gane - 101 zon: om - 129
roeromme: zongen - 149 spon: zong - 153 riem: zestien - In het geheel 22
gevallen.
V. Tenues worden onderling verwisseld. Blz. 7 pap: kat - 15 rok: op
- 15 Antwerpen: kerken - 23 lepeltjen: keteltjen - 25 diep: riet - 27 preeken:
vergeten - 28 gesloten: gebroken - 29 schip: ik - 30 wit: pik - 32 kat: lap -
39 klompen: verdronken - 50 helpen: melken - 51 kwakkel: appel - 62 ziek: niet
- 63 koerante: lampe - 69 diep: niet - 77 loopen: Hemelpoorte (vgl. regel II) -
78 koek: zoet - 85 eten: lepel (vgl. regel III) - 89 net: trek - 89 voeten:
zoeken - 108 bok: op - 113 koeken: poepen - 141 kap: zat - 153 lepel: eten. -
In het geheel 24 gevallen, waaronder tweemaal hetzelfde rijm.
VI. Spiranten worden onderling verwisseld: blz. 30 zeven: tegen - 48
zag: af - 102 geven: vegen - 144 lag: was: ras (?) - 151 hoofdje (uitspr.:
hoofje): oogje - 157 wijven: krijgen. In het geheel 6 gevallen, waaronder
één twijfelachtig. In de stellige gevallen steeds afwisseling van
ch en f, van g en v.
VII. Overblijvende rijmen.
a. In strijd met regel IV: blz. 27 gebleven: Hemel (vgl.
regel III) - 33 hamertjen: vadertjen.- 69 vuil: duim - 108 nemen: stelen - 122
man: zal - 131 mannetjen: stalletjen - 156 weinig: veilig. - In 't geheel 7
gevallen; in vijf daarvan wisselt nasaal met liquida af. | | | |
b. In strijd met regel V: blz. 107 slijpen: snijden - 122
ontstolen: boter (vgl. regel III). - Dus 2 gevallen.
c. In strijd met regel VI: blz. 98 estolen: evlogen - 102
vast: valt. - Dus 2 gevallen.
d. In strijd met regel V en VI: blz. 54 hok: of - 97 Japik:
havik - 101 stoot: vloog: sloot (?) - 150 blok: nog. - Dus 4 gevallen,
waaronder twee afwisselingen van spirant met gemeenplaatsigen
slagmedeklinker.
e. Het eene rijm bevat een consonant meer dan het andere:
blz. 40 toe: stoel - 69 stoel: toe - 121 dochters: krochen (vgl. regel III) -
131 banden: knijptangen (vgl. regel IV). - Dus 4 gevallen.
Vergelijken we thans de uitzonderingen, onder no VII
vermeld, met de getallen, achter de regels genoemd, dan zien we alleen, dat
regel VI over de afwisseling van spiranten onzeker wordt. Ik zal daarom de
aanteekeningen hierover mededeelen, die ik gemaakt heb bij de bovengenoemde
historieliederen
1). Overal, waar de uitgeefster meent, dat het lied, waarin het
rijm voorkomt, uit het Duitsch is vertaald, heb ik dit door een achtergevoegde
D aangegeven.
A. Spiranten, met spiranten verwisseld: blz. 47 kaf: mach, D. - 53
nachte: vaste (in een lied van zeer onregelmatige verzen) - 58 daghe: grave -
68 ghebrocht: gekost - 81 vesten: vechten - 83 gheven: versleghen - 89
verdrach: gaf, D. - 90 graf: lach, D. - 90 weesen: ghecreghen, D. - 102 dach:
was - 103 best: knecht - 103 liven: zwighen - 112 macht: vast - 174 wolven:
vervolghen - 188 verheven: wesen - 198 vlieghen: verdrijven - 199 was: gaf -
199 draghen: gaven. - In het geheel achttien gevallen; in oorspronkelijk
Nederlandsche liederen komen daarvan voor 14.
B. Spiranten, wisselend met andere consonanten: blz. 47 sach: man,
D. - 52 rijden: ontlijven, (in een lied van zeer | | | | onregelmatige
verzen) - 54 lijden: zijghen (ibidem) - 55 neef: leedt (ibidem) - 56 beleggen:
hebben (ibidem) - 81 daghen: varen - 103 bedriven: tijden - 104 toeghebrocht:
kloc (vgl. regel I) - 119 wijf: Oostenrijck, D. - 137 coempt: beroeft - 171
huys: uyt, D. - 171 lach: sprack, D - 171 neef: beed, D. - 177 sprack: wacht,
D. (vgl. regel I) - 199 ghevaren: draghen, D. - In het geheel achttien
gevallen, in oorspronkelijk Nederlandsche liederen komen daarvan voor 11.
Daar nu het aantal overige consonanten grooter is dan dat der
beschikbare spiranten, zoo schijnt het aannemelijk, dat hier spiranten worden
voorgetrokken, ofschoon blijkbaar de verwantschap van spiranten onderling bij
lange niet zoo sterk is als die tusschen slagconsonanten.
Vergelijken we thans de uitkomst van onze rijmstatistiek met die
onzer proefneming, dan komen we, daar verwarringen van tenues met elkaar en van
spiranten onderling in het rijm wel voorkomen, verwarringen van gemeenplaatsige
spraakklanken daarentegen hoogst zeldzaam zijn, tot het besluit, dat onze
proefpersoon gemengd auditief-motorisch memoriseerde. En ten andere kunnen we
besluiten, dat in sommige klankovergangen als van k in p en
t, of van g in f, van m in n het auditieve
moment, in andere daarentegen het articulatieve of motorische moment overweegt;
m.a.w. dat het onjuist is, met
Passy het verschil tusschen organische
(geleidelijke) en akoustische (springende) klankveranderingen geheel te laten
vervallen.
Bovendien vermag, hoop ik, deze proef het vertrouwen te wettigen,
dat het psychologisch experiment een belangrijk hulpmiddel kan worden tot het
verklaren van historische taalverschijnselen.
Amsterdam.
B. Faddegon.
|
1)H. Klinghardt, Artikulations-
und Hörübungen, Cöthen 1897, blz. 180.
1)H. Ebbinghaus, Ueber das
Gedächtniss, Leipzig 1885 (voorhanden in de Univ. Bibliotheek te
Amsterdam).
Tijdschr. v. Ned. Taal- en Letterk.
1)Zeitschrift für Psychologie und
Physiologie der Sinnesorgane (Ebbinghaus und König),
Ergänzungsband 1, 1900. ‘ Experimentelle Beiträge zur Lehre
vom Gedächtniss.’ - Hier vindt men ook verdere
litteratuur-opgaaf.
2)Over de verschillende psychische taal-typen
is een interessante studie: Georges Saint-Paul, Essais sur le
langage intérieur, (Bibliothèque de psychologie normale et
pathologique) 1893.
1)‘Auch bei den ‘Versuchen von
O. Wolf [ Sprache und Ohr, Braunschweig 1871] zeigte sich dass
sch in weiterer Entfernung gehört wird als alle übrigen
Consonanten.’
2)‘Die Zahlen für f, ch, n
und l differiren so wenig, dass auf die erhaltene Reihefolge dieser
Consonanten, weil sie durch Zufälligkeiten bestimmt sein kann, kein
Gewicht za legen ist.’
1)Voor deze gevolgtrekking is het materiaal
van Bourdon onvoldoende.
1)Van vier andere proefpersonen, die aan de
proef voor korter of langer tijd deelnamen, heb ik de resultaten nog niet
voldoende zeker berekend, om ze hier mede te deelen. Bij alle vier blijkt de
neiging voor te komen, om gemeenplaatsige consonanten te verwisselen; bij drie
er van ook, om gelijksoortige medeklinkers te verwarren. Zulk een verschil, in
verband met de eigenaardigheid van auditieven, om vooral klinkers, van
metorischen, om medeklinkers te onthouden, kan misschien tot een experimenteel
onderzoek aangaande deze typen leiden.
1)Om achter den verkleiningsuitgang je
een n te zetten, is natuurlijk slechts een liefhebberij van Van
Vloten.
1)Het lied op blz. 209 vg., dat zeer
gebrekkig uit het Duitsch is vertaald, heb ik geheel buiten beschouwing
gelaten.
|
|