[p. 241]
[Ik zit in mijn cirkel]
Ik zit in mijn cirkel
en stel mij een oneindig
aantal veelhoeken voor:
ik zie het me al doen.
De boot, op het land
getrokken, is niet meer
van mij; hoeft niet meer
van mij te zijn. Ik ben
haast waar ik wezen moet:
al was ik het zelf
die op de oever zit, of
liever: op de oever ligt,
onder geoorde, zilver- of
amandelwilgen, daaraan al
zo lang zijn hangende
de harpen; de gewurgden.