[p. 251]
[Nu het uur stilstaat]
Nu het uur stil staat,
ademt alles afscheid uit
en stokt. Deze of gene
mond lijkt nog te zuigen
op een tong die nauwelijks
meer iets terug kan doen.
Wat te doen? Verspreidt
de stilstand zich met
onmogelijke snelheid?
Is dit nog riet dat daar wuift?
Of wordt er alleen nog gewuifd
in taalresten op een flakkerend
scherm in een krimpend centrum?