[p. 290]
[Terwijl een van die vleugels]
Terwijl een van die vleugels
zijn spijker uitzit, een zacht
gejank neersijpelt uit de pijl
op weg naar het suikerhart;
een pijl, zich koesterend
in het warme pijlsap
van zijn oorsprong;
het hart als een knoop
in een riem uit rendierleer;
de spijker - nog suikerzoet;
de doodstille reigerwiek.