Gij hebt gelijk, mijn Heer! van alle soorten van versaarten is de Romanze tot hier toe het minste bij ons bekend. Ik herinner mij onder de Neerlanders geen Dichter, die 'er zich bepaald op toegelegd heeft, en zelfs weet ik geen enkele Romanze bij ons, die aan de vereischten van dit soort van Dichtstukken voldoet. De Romanze heeft ondertusschen iets dat haar alleen eigen is. Zij moet, naar de bepaling van Moncrif, een meester in dit vak, het naïve verhaal van ééne aandoenlijke daad zijn. Bij de meeste hedendaagsche Volkeren vindt men 'er slechts weinig, die den toets kunnen doorstaan. Om de waare Romanze aan te treffen, is men verpligt zijn toevlugt tot de oude Volksliederen, en vooral, tot die der Schotten te nemen. Men vindt 'er echter ook eenige weinigen bij de
Franschen en Duitschers, die, schoon onlangs gemaakt, echter zeer fraai zijn; maar als men voor Romanzen gelieft te houden, wat 'er de Philosophe sans fard in zijnen dichtkundigen Ligger (Zie N. Bijdr. bladz. 621 en volg.) voor uitvent, dan vindt men zeker bij alle hedendaagsche volken Romanzen. Onder de Franschen heeft Moncrif 'er twee gemaakt, die, naar mijne gedachten, de schoonsten zijn, die ik ergens hebbe aangetroffen. Zij hebben tot opschrift: Les constantes amours d'Alix & d'Alexis; en: Les infortunes inouies de la tant belle, honnête & renommée Comtesse de Saulx. Maar hij beklaagt zich, dat men in Frankrijk, sedert de verspreiding zijner eerste Romanze, geheel ten onrecht, deezen tijtel heeft gegeven aan alle Liefdeliedjes, die uit een gevolg van Coupletten bestaan. Het naïve van 't verhaal, zo in de taal zelve, als in de wending der gedachten, behoort zodanig tot het wezen der Romanze, dat ze uitscheidt dien naam waardig te zijn, zo dra ze dit vereischte mist. Il faut que le style en soit naïf, zegt Moncrif, c'est ce qu'ont negligé plusieurs bons auteurs. Ils ont écrit leurs Chansons en style d'Ode & c'est ôter à la Romance son merite principal.
Merk hier nog bij aan, mijn Heer! dat hoe zinlijker de uitdrukking zij, hoe schooner de Romanze moet geschat worden. Gij zult mooglijk zeggen, dit is een vereischte in alle soorten van Poëzij. Ik stem dit toe, maar het blijft niet minder waar, dat de Romanze, meer dan eenig ander soort van Poëzij, door het missen eener geheel zinlijke uitdrukking gebrekkig wordt. De reden 'er van is duidelijk. Naar maate een volk nader aan zijnen oorsprong grenst, naar maate is zijne Poëzij zinlijker. Dit is zeker een van de oorzaaken der voortreffelijkheid der Grieksche en Latijnsche Dichters boven de Modernen. Nu is de Romanze haar oorsprong verschuldigd aan de oudste nieuwe Dichters, die in een zeker soort van Provenzaalsche taal of patois schreven, 't geen een mengelmoes van Fransch en Italiaansch of Gothisch was, 't welk te Rome meest in gebruik zijnde, daarvan de Romanische taal of Romanze, en de stukken, die in dezelve werden geschreven, Romanzi genoemd werden. 't is onbegrijpelijk dat de Philosophe sans fard, die deeze wooren uit Meinhards Versuch über den Charakter und die Werken der beste Italiënische Dichter overneemt, hier door zelf niet op de gedach-
te gekomen zij, dat de hedendaagsche Romanze, die toch niets dan eene navolging der oude is, de hoogste eenvouwigheid van zeden en de meest naïve en zinlijke uitdrukking vereischt. Gelief ondertusschen in het oog te houden, mijn Heer, dat bij het gezegde van Meinhard nog veel bij te voegen zij, eer men het naauwkeurig kan noemen. Want schoon het waar is, dat men eerst aan alle stukjes, die in de opgegeven oude taal geschreven werden, den naam van Romanzen schonk, heeft kort hier op de Romanze toch haare eigen regelen en bepalingen gekregen, waardoor ze van alle andere soorten van Dichtstukken te onderscheiden is. Van haaren eersten oorsprong is haar niets, dan de naïve en zinnelijke uitdrukking bijgebleven. Men ziet die duidelijk uit het fragment eener oude Romanze, die Moncrif, achter zijne Comtesse de Saulx, ons mededeelt, en hij voegt 'er bij: Ces mêmes fragmens m'ont fourni ce qui caractérise le mieux une vraie Romance.
Wilt gij iets goeds hierover lezen, mijn Heer! dan prijze ik u zekere fragmenten van Göthe aan, die niet in ieders handen zijn. Hij noemt ze: -Auszug aus einem Briefwechsel über Ossian und die Lieder
alter Völker, en zij maken het eerste gedeelte uit van zijn werkje: Von deutscher Art und Kunst; Hamburg 1773. Ik wil 'er u tot een proef, hoe zeer de naïve en ongekunstelde stijl tot het wezen der Romanze behore, eene enkele bladzijde van uitschrijven. Sie kennen doch, schrijft hij aan zijnen Vriend (bladz. 9 in fin.) die liebe, süsse Romanze, von der ich mich wundere, dass sie sich in den Dodsleischen Reliques nicht finde: Heinrich und Kathrine
ein englischer Schulrector, seines Namens Samuël Bishop, hat gewisse Ferias poëticas gefeyret: i.e. Carmina Anglicana Elegiaci plerumque argumenti (ich schreibe Ihnen den verdienstvollen Titel) latine reddita geschrieben, und in diesen Carminibus Anglicanis latine redditis ist auch unsre Romanze Elegiaci argumenti, und also auch Elegiaco versu; schön skandirt und phraseologisirt, die sich also anhebt:
und wo ist nun die Romanze? - -
Uit dit weinige ziet gij reeds, mijn Heer! hoe veel stukken, die men thans algemeen Romanzen noemt, dien naam in de daad niet verdienen. Zelfs het lieve versje van Marmontel: L'amour m'a fait la peinture &c. schoon de aangehaalde Philosophe sans fard het noemt: het beste dat wij in deezen smaak hebben; is bij mij geen Romanze. 't is veel te geestig, zo in uitdrukking, als vooral in wending van gedachten, om voor eene Romanze te kunnen doorgaan, en gij begrijpt zelve, dat men zeer wel een bevallig minnedichtje maken kan, zonder daarom een Romanze vervaardigd te hebben.
Dewijl ik toch aan het schrijven ben, en mij niets meer streelt dan u eenige oogenblikken te onderhouden, wil ik hier een der fraaie Romanzen van Moncrif afschrijven, en 'er dan die van Marmontel ondervoegen, om u de vergelijking te gemaklijker te maken. Ik neem hier de eerste, die Moncrif gemaakt heeft, om dat ik mij verbeelde, dat ze over 't algemeen meer behagen zal, schoon ik de andere volmaakter vinde.
Hoe natuurlijk, hoe ongekunsteld, hoe antiek is Moncrif! Hoe geestig, hoe gekunsteld, hoe modern Marmontel! En nog haalt het opgegeven stukje van Moncrif in naïfheid niet bij zijne Romanze van de Comtesse de Saulx; doch ik kan alles niet uitschrijven. Gij houdt ondertus-
schen wel in 't oog, dat ik altijd op de Romanze blijf doelen; want voor 't overige, gelijk ik reeds gezegd meen te hebben, vinde ik het versje van Marmontel zeer lief en bevallig.
Nu wil ik 'er nog eene zeer fraaie Romanze bijvoegen - in den noordschen smaak, en die niet algemeen bekend is. Alleen verzoek ik u, dat gij in dit Lied u niet gelieft te storen aan deszelfs, gelijk Göthe zich uitdrukt, aerugo, zijn Feierliches Populäres.
Ook hier ziet gij, mijn Heer! dat het niet nodig zij, dat elke strophe met een' trek of antithèse besloten worde, schoon de Philosophe sans fard verzekert, dat dit de eigenschap der Romanze is. Gereeder stem ik hem toe, dat wij er, tot nog toe, geen in onze taal bezitten - te weten - eene echte Romanze: want als men het stukje van Marmontel 'er voor een houden wil, dan hebben wij 'er verscheiden, schoon minder kunstig geversifieerd, bij onze Dichters. Denk maar, om iets te noemen, op het lieve stukje van Poot:De Maan bij Endijmion.
Is onze taal 'er ondertusschen niet geschikt toe? Dit zoude ik niet durven zeggen. Ik vinde de waare Romanze zulk een allerliefst bevallig, en de verlopen jaa-
ren van onschuld en eenvouwigheid te rug roepend, soort van Dichtstukje, dat ik niets meer wenschte, dan dat wij ook iets in dit vak deeden, en 't is waarlijk om u gemeenzaamer met het schoone der echte Romanze te maken, dat ik mij getroost hebbe, zo veel in deezen brief uit te schrijven. Gij weet, mijn Heer! hoe het altijd een van mijne grondregelen geweest zij, dat één voorbeeld meer leert, dan duizend lessen.
Maar ik kom op mijne vraag te rug. - Is onze taal 'er geschikt toe? Thans ga ik, ik gevoel het, eene laatste dwaasheid begaan - ten minsten, ik ben 'er in de grootste verzoeking toe. Ik heb eenmaal in een ledig uurtje de proef genomen om in mijne moedertaal Romanzen te maken, en wel in twee verschillende smaaken. Ik behoef u niet te zeggen dat ze beide zeer gebrekkig zijn - maar, zo ik mij niet bedrieg, zijn het toch Romanzen. Zie daar! ik zal ze u beide mededeelen - 't is ten minsten iets nieuws, en mooglijk geven mijne prulletjes gelegenheid, dat 'er iets beters in dit vak voor den dag kome. Hier hebt gij de eerste:
De andere is in den noorschen smaak en heeft tot opschrift: