begin  verder
[p. IV]origineel

Es ist gewisz, dasz beij jungen Gemüthern von guter Anlage eine recht zärtliche Liebe überaus vortheilhafte Würkungen hervorbringen und der ganzen Gemüthsart eine höchst vortheilhafte Wendung geben kann. Beij einem edlen und rechtschaffenen Jüngling kann durch die Liebe das ganze Gemüth um einige Grade zu jedem Guten und Edlen erhöhet werden; und alle guten Eigenschaften und Gesinnungen können dadurch einen Nachdruk bekommen, den keine andre Leidenschaft ihnen würde gegeben haben.

 

Sulzer.

[p. 1]origineel

Eerste brief.

Eenige aanmerkingen, uit de voorige brieven getrokken.

Gij hebt mijne voorige brieven in het rechte licht beschouwd. In de daad, mijn voornemen was niet om u eene Verhandeling over het Minnedicht aan te bieden; maar alleen eenige losse gedachten en aanmerkingen, die u gelegenheid konden geven om nader over dit onderwerp te denken, en, zo gij dit verkoost, 'er eene Verhandeling voor u zelven uit te vervaardigen. Mag ik u verzoeken de brieven, die ik, volgens mijne belofte, over het eigen onderwerp nog aan u te schrijven heb, en daar ik thans een' aanvang meê gaa maaken, uit het zelfde gezichtpunt te willen beoordeelen? Ik zal 'er mij weder aan geene vaste orde in verbinden, maar de gedachten op elkander laaten volgen, zo als ze mij in 't hoofd komen. Genoeg, zo gij 'er met de natuur van het Minnedicht meer

[p. 2]origineel

door bekend wordt, en mooglijk eenige nieuwe inzichten verkrijgt, om het bij ons in dichterlijke schoonheid en zedelijke waarde te verheffen.

De taak, die mij nog overig bleef, was, uit de voorbereidselen, u in mijne voorige brieven medegedeeld, eenige aanmerkingen te verzamelen, die ons in staat stellen, om over het Minnedicht van onzen tijd iets naders te bepaalen, 'er eenige regels, voor zo ver dit onderwerp regels duldt, van op te geven; althans iets meer van deszelfs waare genie en gebruik te kunnen zeggen, dan tot hier toe gedaan is. Beginnen wij met de aanmerkingen te verzamelen, die ons de voorige brieven aanbieden.

1. De waare Liefde is in alle tijden en onder alle volkeren één geweest. Waar zij sprak, sprak ze overal op dezelfde wijze, en haare taal, het zij ruuw, het zij bevallig uitgedrukt, had altijd de verdienste, dat ze lijnrecht tot het hart ging, en dat hart vertederde. Ik weet wel, dat de uitdrukking van eenen bevalligen Joniër ons lieflijker in de ooren klinkt, dan die van eenen ruuwen Beötiër; ik ontken ook niet, dat de zuivere taal, de gelukkige uitdrukking, de welluidende versificatie, zeer veel toebrengen om de gedach-

[p. 3]origineel

ten voor ons treffender te maaken; maar het gevoel zelf, en de warme uitboezeming van het zelve, zullen in beide altijd één zijn, zullen in beide altijd de waare liefde vertoonen, onderscheiden van alle nabootsing, onderscheiden van alle andere hartstochten, en de Beötiër sprak voor zijn Meisje juist dezelfde taal, die de Joniër voor het zijne sprak; het geheele onderscheid was, niet in de liefde, niet in haar eigen taal; maar alleen in de meerdere beschaafdheid gelegen, die de Joniër boven de Beötiër vooruit had; het eigen gevoel drukten ze beiden even warm uit; maar de eerste deed het onder kiescher woorden en bevalliger beeldtenissen, wijl hij aan beiden gewoon was; de laatste louter door de natuur geleid, en met de kunstelooze beeldtenissen, die hem de natuur aanbood, en die hij daaglijks, ook zonder nadenken, voor oogen had. Wij, altijd gewoon om over woorden te struikelen, en om zaaken over 't hoofd te zien, zullen thans mogelijk lagchen over de Minneliederen van verschooven eeuwen, zodra ze den griekschen of romeinschen beschaafden stempel missen; maar die waarachtige natuur gevoelen kan, en niet ten eenenmaal vreemdeling is in de eeuwen of landen, daar die stukjes t'huis hooren, zal ze, met

[p. 4]origineel

alle hunne ruuwheid en eenvouwigheid, gewisselijk, als warme taal der liefde, oneindig boven de meeste moderne voortbrengselen van onzen tijd verkiezen. Deeze laatsten mogen hem door hunne kunst en geestigheid voor een oogenblik vermaaken, maar als hij het boek toegeslaagen heeft, denkt hij 'er niet meer aan; terwijl de eersten zijn hart roeren, eenen onwilligen zucht uit zijnen boezem weeten te lokken, en hem menigwerf op zijne eenzaame wandelingen vergezellen. Ik zal u dit uit voorbeelden poogen te doen zien.

Ik ben verzekerd, dat Scheffer, toen hij ons in zijne Historie van Lapland eenige Minneliedjes van dit Volk mededeelde, heimelijk over derzelver dwaasheid en kunsteloosheid lagchte; ten minsten, dat hij 'er de waarde niet van gevoeld hebbe, blijkt uit zijne gebrekkige opgaave van dezelve (1).

[p. 5]origineel

Ondertusschen zou hij mooglijk moeite gehad hebben, om onder zijne Landgenooten iets voor den dag te brengen, daar de waare liefde meer in sprak. Twee bevoegde Kunstrichters Van Kleist en Göthe hebben ze, meer dan een eeuw laater, bewonderd, en eene plaats in hunne werken waardig gekeurd. Dat van den laatstgenoemden wil ik u hier aanbieden. Gij zult 'er den lof van uit zijn eigen mond hooren. Het is juist het zelfde dat Scheffer ons mededeelt.

[p. 6]origineel
 
O Sonne, dein hellester Schimmer beglänze den Orra-See!
 
Ich würde den Fichtengipfel ersteigen, könnt' ich schauen den Orra-See!
 
Ich würd' ihn ersteigen, den Gipfel, meine Blumenfreundinn zu sehn!
 
Ich würd' ihn bescheeren, ihm alle Zweige, seine grünen Zweige stümmeln -
 
Hätt ich Flügel, zu dir zu fliegen, Flügel der Krähen
 
Dem Laufe der Wolken folgt' ich, ziehend zum Orra-See!
 
Aber mir mangeln die Flügel! Enteflügel! Füsse der Ente!
 
Rudernde Füsse der Gänse, die mich zu dir bringen!
 
O du hast lange gewartet, so viel Tage! schöne Tage,
 
Du mit erkwickenden Augen, mit deinem freundlichen Herzen! -
 
Was ist stärker, als Flechts Sehnen! als eisene, mächtige Ketten
 
So fesselt uns die Liebe, die Umschafferinn Sinns und Willens:
 
Den der Wille des liebenden Jünglings ist Windesgang
 
Die Gedanken des Liebenden lange Gedanken!
 
Folgt ich ihnen allen, ich irrte vom rechten Weg' ab.
 
Drum bleibt mir Ein Entschluss, die sichre Bahn zu gehn!(2)
[p. 7]origineel

Hoe veel natuur, zegt Göthe te recht, is in dit Lied! Het smachtend verlangen van den jongen Laplander, het alles in betrekking tot de Orra-Zee, tot zijn Meisje stellen, zon, kruinen van boomen, wolken, kraaien, enden, ganzen, alles wat hij ziet, alles wat hem ontmoet, zie daar wel de taal van 't gevoel, de eigen taal der Liefde (3).

[p. 8]origineel

Wat zegt gij van de volgende plaats uit Ossian? Bij gelegenheid dat de invallende nacht het gevecht tusschen Cuthullin en Swaran onbeslist had gelaten, gebruikt Carril, een oude Barde, de uuren, die 'er tot den aanstaanden morgen overig waren, om de aandoenlijke geschiedenis van Grudar en Brassolis te verhaalen. Cuthullin, hevig door dit verhaal geroerd, wenscht dat de Barde ook zijne Geliefde bezingen moge, en naauwlijks heeft hij haaren naam genoemd, of de tederste denkbeelden verdringen zich in zijn hart:

‘Uwe stemme is aantrekkelijk, o Carril! zei Erins blaauwoogige Gebieder (Cuthullin) aantrekkelijk zijn de woorden van vervlogene jaaren! Ze zijn als de zachte regen der Lente, wanneer de Zon op de

[p. 9]origineel

Velden nederblikt, en de ligte wolk over den heuvel heenen vliegt. O roer de harp tot lof van mijne Geliefde, van den eenzaamen Straal van Dunscaith, roer de harpe tot lof van Bragela, die ik op het Eiland des Nevels achter liet! Gij schouwt van de rotsen, schoonste Gemaalin des Zoons van Semo! om de naderende zeilen van uwen Getrouwen te ontdekken. Ach! ver in 't verschiet rollen de golven, en in haar wit misleidend schuim waant gij mijne zeilen te zien (4). Begeef u te

[p. 10]origineel

rug, mijne Geliefde! de nacht is voor handen; in uwe lokken zuchten de duistere winden. Begeef u tot mijne gastvrije Halle te rug en laaf u daar met de dagen die vervlogen zijn! Zwijgt de krijgsstorm nog eens, dan keere ik weder! - o Connal! spreek mij meer van krijg en van wapenen; verdring de Geliefde uit mijne gedachten - dat mijn hart zich niet altijd Sorglans witgeboezemde Dochter met haare golvende hairlokken herinnere!’ (5).

Voelt gij niet in beide deeze stukjes het eigen levendig, smachtend, gevoel spre-

[p. 11]origineel

ken? - miskent gij 'er de taal der liefde in? - Zo sprak zij in het Noorden, zo spreekt zij in het Zuiden, en in alle landen, waar God haaren zegen verspreidde. Het tooneel is verschillend, maar de ijsklippen en lusthoven hooren de eigen liederen rollen. Of hoort gij eenen anderen grondtoon in het volgend stuk - 't is van Salomo (6), en heeft eene in 't oogloopende gelijkheid met de opgegeven noordsche liederen:

 
Stemme mijnes Liefsten!
 
Ziet, hij komt!
 
Springt over de bergen
 
Huppelt over de heuvelen
 
Als een Rhee is mijn Liefste
 
Als een snelloopend Hert.
 
 
 
Ziet daar staat hij reeds
 
Daar achter den muur
 
Hij schouwt door het latwerk
 
Hij blinkt door de tralien
 
Hij spreekt, mijn Liefste,
 
Hij spreekt tot mij:
 
‘Sta op, mijne Vriendinne!
 
Staa op, mijne Schoone!
 
Kom! -
[p. 12]origineel
 
Want zie - de Winter is voorbij
 
De regen is geweken, geheel geweken!
 
Men ontdekt reeds bloemen op den grond
 
De Zangtijd is daar,
 
Men hoort de stemme
 
Der Tortelduive
 
In ons Land.
 
 
 
De Vijgeboom heeft zijne vijgen
 
Met zoetigheid aangezet,
 
De jonge druiven des Wijnstoks
 
Geven reeds geur af
 
Staa op, mijne Vriendinne!
 
Staa op, mijne Schoone!
 
Kom! -
 
 
 
Mijne Duive in de klove der Steenrots
 
In de holle reeten der Steilte
 
Doe mij uwe gedaante zien!
 
Doe mij uwe stemme hooren!
 
Want uwe stemme is lieflijk
 
Uwe gedaante is schoon.

Om u deeze gelijkheid, zo levendig als mogelijk is, te doen gevoelen (want hier rust de kracht deezer geheele aanmerking op) zal ik hier de uitlegging van Herder nog bijvoegen, en gij zult terstond in dit lied de taal des Laplanders - des Bergschots - en van elke Natie, die waare minnezangen bezit, wat den karakteristieken grondtoon der liefde betreft, hooren.

[p. 13]origineel

Herder begint met het opgegeven lied, als een stukje, dat geheel op zich zelven staat, aan te merken; en de geheele verzameling, bij ons onder den naam van het Hoogelied bekend, bestaat, naar zijn oordeel, uit enkel zulke losse, en, voor 't grootste gedeelte, niets met elkander gemeens hebbende minnedichtjes. Doch hoor hem zelven:

‘Dat dit stuk, zegt hij (7), met het voorige niet te saamen hange, ziet een ieder. Daar sliep het Meisje onder den Appelboom in, onder de zoete droomerijen van haaren Geliefden, die haar een sluimerlied zong. Hier is hij afweezend, lang afweezend geweest; zij heeft den regentijd des Winters, als een opgeslooten Duifje in de steenrots-

[p. 14]origineel

klooven, doorgebragt; thans wekt haar - niet de Lente, niet de Leeuwrik - maar de stemme haares Geliefden, die van verre komt, en haar Lente en Vreugde aanbrengt. Van verre kent zij zijne stemme en hij is 't. Hij huppelt, hij springt over de kleine bergen, daar Palestina vol van is, als een huppelend Hert, als een springende Rhee. Daar staat hij reeds achter den groenen wand, kijkt door het latwerk, blinkt, als eene uitbottende bloem, door de tralien; nu spreekt hij, nu zingt hij, luister! - Alles wat Lente en Liefde, Hof en Morgen, geven kan, is in dit Lied; maar de liefkoozende toon van het oorspronglijk is onvertaalbaar. Hij roept zijn Duifje uit het hol van de rots, en lokt ze met alle de aantrekkelijkheid en met al het sieraad der Lente. Alles is daar, ook de Tortelduive, haare gespeelinne; zij alleen mist nog! Alles waasemt, bloeit, zingt; maar haare stemme en schoone gestalte worden niet vernomen! En zij zwijgt nog, het Duifje antwoordt niet! - Het is duidelijk een eenig afgebrooken stuk, het eerste Lentebezoek der Liefde - en in 't Oosten, waar 't op eens Lente wordt, waar, zo dra de regentijd voorbij is, de natuur ontwaakt en vaak op éénen morgen

[p. 15]origineel

plotseling eene geheel andere waereld toont, is trek voor trek waarheid.’

Lees nu hier op het volgende Fransche Minnedichtje, zo gij kunt, en indien gij geen onderscheid tusschen de taal van 't gevoel en die der kunst voelt; zo gij in de eersten het hart zelve, in het laatste het vernuft alleen niet spreken hoort, zijt gij te beklaagen, en alle verdere uitpluizing zou u van geen dienst ter waereld zijn:

 
Ma Bergère revient, c'est demain que ces lieux
 
S'embellissent par sa présence;
 
J'iray, s'iraij m'offrir le premier à ses yeux.
 
Ah, Ciel! si de quelque distance
 
Elle me reconnoist à mon impatience,
 
Que mon sort sera glorieux!
 
 
 
Ouy, je seray le seul dont la joye éclatante
 
Par d'assez vifs transports marquera ce beau jour;
 
J'auray seul une ardeur digne de son retour;
 
Elle ne pourra plus paroistre indifferente;
 
Je lui prepare trop d'amour. & c.(8)

Meen echter niet, dat dit geheel de schuld van onzen tijd zij, geenzins! de waare liefde is zeker bij ons iets zeldzaams, moet, bij onze menigvuldige andere behoeften, iets

[p. 16]origineel

zeldsaams zijn, maar waar zij nog is, spreekt ze, wat het wezen betreft, wêer juist de zelfde taal, zelfs onder de Franschen (9). Het volgende lieve versje van

[p. 17]origineel

Florian kan ik zeer wel op de bovenstaan de stukken leezen, en ik hoor 'er het eigen gevoel, schoon uit eene andere eeuw, in spreeken:

 
Je vous salue, ô lieux charmans,
 
Quittés avec tant de tristesse,
 
Lieux cheris ou de ma tendresse
 
Je vous par-tout les monumens.
 
 
 
Lorsqu'une sévère défense
 
M'exila de ce beau séjour,
 
J'en partis avec mon amour,
 
Et j'y laissai mon esperance.
 
 
[p. 18]origineel
 
J'ai retrouvé dans d'autres lieux
 
Des eaux, des fleurs & de l'ombrage;
 
Mais ces fleurs, ces eaux, ce feuillage,
 
N'avoient point de charme à mes yeux.
 
 
 
On n'est bien que sa patrie;
 
C'es là que plaisent lès ruisseaux,
 
C'est là que les arbres plus beaux
 
Donnent une ombre plus chérie.
 
 
 
Qu'il es doux de finir ses jours
 
Aux lieux ou commença la vie,
 
D'y viellir près de son amie,
 
Sans changer de toit ni d'amours! (10)
[p. 19]origineel

Gij hoort hier zeker eene beschaafdere taal, maar het eigen gevoel spreekt haar. Even als bij den Laplander staat alles in betrekking tot de Geliefde - ieder boom, elke beek, het geringste bloempje, is beduidend voor Nemorin - ze zijn die van zijn Vaderland - daar Estelle was - daar hij haar eerst bemind had - daar hij haar nu weder vond - daar zijn hart het voorledene en toekomende in zijn genot in een smolt, en door beide zalig was. Dan, deeze

[p. 20]origineel

aanmerking heb ik genoeg uitgebreid; wij zullen 'er in 't vervolg de nuttigheid voor den Minnedichter nader uit zien.

2. Liefde en Natuur gaan altijd hand aan hand; geen liefde zonder natuur, geen natuur zonder liefde. Waar de weelde de natuur verdrongen heeft, is de liefde naar de eigen maat zeker ook verdrongen, en om tot haare eerste zuiverheid weder te keeren, is zij verpligt op nieuw haare toevlugt tot de natuur te nemen. De weelde is een kunstig genot; de liefde onder het gebied der weelde, eene gekunstelde liefde. Waar Natuur heerscht, is het gevoel de Leidsman, en deeze Leidsman voert nimmer op eenen dwaalweg; waar Weelde den scepter voert, verstrekt het vernuft tot gids, en dit voert op even zo veele dwaalwegen, als 'er neigingen in het menschlijk hart zijn, voor welke alle hij beurteling den Sophist speelt - van vooren altijd gegrond, ten minsten met sluitredenen, die de eigenliefde en hartstochten zo graag, en hierdoor zo gemaklijk, voor gegrond verklaaren - van achteren altijd verkeerd; het genot, daar men zo angstig heenen snelde, is schijn geweest; men ziet dit, nu de begeerten sterker, maar de ledigheid van 't hart, helaas! gaapender dan ooit geworden is. Waar

[p. 21]origineel

Natuur heerscht, spreekt het gevoel, en dit spreekt overal ééne taal, zijne eenvouwige moedertaal; waar de Weelde het bewind voert, spreekt het vernuft, en dit spreekt even zo veele taalen, maar alle aangeleerde taalen, als het wil, en het wil altijd die, welke meest in gang is; welke het naast in verband staat met een koel overdacht en berekend plan, dat ter voldoening eener begeerte bereikt moet worden. Zo heeft, bij voorbeeld, onder het gebied der natuur ieder hartstocht zijn eigen taal, en waar die hartstocht spreekt, wordt die taal gehoord. De eenvouwige Wilde (waarom moet ik hier mijne toevlugt tot de Wilden nemen!) begeert rijkdom, en hij eischt rijkdom; hij begeert liefde, en hij eischt liefde; maar waar de weelde beschaafd heeft, heeft geene hartstocht zijne eigen taal meer. Alles is ontleend, alles nagebootst; geen genot onvermengd meer, geene behoefte, die alleen kan voldaan worden; de gouddorst spreekt de taal der liefde, zo dra deeze taal beter op het wit mikt; de eerzucht die van belanglooze zucht voor het algemeen welzijn, en zo met alles; dan, daar deeze taal niet door 't gevoel gesproken, maar door de kunst nagebootst wordt, is ze zo verschei-

[p. 22]origineel

den, als de bijzondere omstandigheden van ieder Volk, wat zeg ik? van elk individu verscheiden zijn, en van hier het eindelooze verschil tusschen de taal der Galanterie, die bij elke natie bijzonder is, en de volkomen gelijkheid tusschen de taal der Liefde, die overal, ook onder de meest van elkander verwijderde Volken, één is. Zoude ik hier met Mr. de Saint-Pierre (11) niet mogen zeggen: dat de eerste het werk der menschen, de laatste het werk der Natuur, de indruk des Scheppers zelven zij? Maar deeze aanmerking behoef ik ook niet verder uit te breiden; mijne voorige brieven bevestigen ze overal; dit alleen wil ik 'er nog bijvoegen, om dat de Minnedichter hier een oneindig voordeel uit kan trekken, dat de Liefde, die Herder met zo veel nadruk de natuur aller natuuren noemt (12), de natuur altijd bemint, altijd op-

[p. 23]origineel

zoekt, en zich ook hierin van de valsche liefde en alle nabootsing onderscheidt. Het Veld is terstond het favoriet tooneel der Liefde; zij schuuwt de Stad met al derzelver pracht en vermakelijkheden, om het stille land, het sombere bosch, de murmelende beek, de rijzende Zon, de vertederende Maan, den aantrekkelijken Starren nacht, te verkiezen, en hier, hier vindt ze in de natuur zelve voedsel en verzachting beide. Deeze weldaadige invloed van de Liefde op de wederbrenging tot de Natuur, en hier door (want een ander weg is 'er niet) tot het Geluk, is zo waar, dat men ze zelfs in de meestbedorven eeuwen, en ook onder ons, waarneemt. Zie dien Jongeling, die, door de zachte handen der weelde opgevoed, voor de ledige verveelendheid der natuur op het Land te rugge beeft, om zich daaglijks

[p. 24]origineel

in alle de verdoovende vermaaken van het woelig Stadleven te verliezen. Naauwlijks bemint hij van harten, of alle die vermaaken hebben hunne prikkel voor hem verlooren; de natuur heeft haare volle toverkracht wêer voor hem, en dit wonder wrocht de Liefde. De Stad is hem onverdraaglijk geworden; hij zoekt de eenzaamheid der Velden en Bosschen; en daar, daar voelt hij, dat zijn hart voor het geluk bestemd is, dat de natuur dit geluk aan elk haarer kinderen van zelve aanbiedt, maar dat de weelde haare slachtoffers aan beiden ontrooft.

‘Verliefden, zegt daarom Zimmerman (13) met recht, zijn nergens zo gaarn als in de Eenzaamheid. Zij zoeken rust op afgelegen plekken, om daar de eenige gedachte aan te hangen, voor dewelke het hun de moeite beloont van te leven. Wat bekommert hun alles, wat in de Stad omgaat, alles, wat niet liefde ademt, of ademen laat. Donkere Vertrekken, zwarte Dennenwouden, stille Zeeën, in dewelke zij hunne gedachten zinken laaten, zijn de eenige vertrouwden hunner

[p. 25]origineel

Ziel. Ze zijn even zo vergenoegd in hooge boschrijke schaduwen en bij het rilling-aanjagend geschrei van den Adelaar, als op gronden, waar eene eenzaame Herderin haaren zuigeling de borst biedt, terwijl haar Geliefde aan haare zijde zijne harde broodkorst breekt en gelukkiger is dan gij alle.’

En waar vinden wij Minnedichten, die ons sterk interesseeren, in welke de Dichter het Land niet tot hoofdtooneel gekoozen heeft, waar alle de gelijkenissen, met versmaading van de pracht der weelde, niet uit den rijkdom der natuur genomen zijn? Ook hier weêr de eigen overeenkomt tusschen het Oosten het het Westen, tusschen het Zuiden en het Noorden. Bij Ossian biedt de Maan, het Gestarnte, de Wolken (14) in het barre Noorden, even schoone

[p. 26]origineel

en roerende gelijkenissen aan, als de bloemen, boomen, en plantgewassen in het mildere Zuiden aan Salomo doen (15). Waar

[p. 27]origineel

is de Dichter, die zijn Meisje niet bij eene roos vergeleken heeft, in alle landen, waar

[p. 28]origineel

roozen gevonden worden? Zelfs de prachtige Heldendichter, wil hij eene schoone

[p. 29]origineel

Maagd vertoonen, al ware zij ook naast, of op den troon geplaatst, zal zich wel onthouden om zijne gelijkenissen hier uit de blinkende sieraaden van het Vorstelijk Paleis te kiezen; hij wil belang verwekken en neemt dus zijne toevlugt tot de eenvouwige natuur. Gij herinnert u hier zeker de schoone vergelijking van Gabrielle d'Estree bij eene roos, door Voltaire (16):

 
Haar hart, tot min gevormd, maar fier, van eedlen aart,
 
Is tegen 't minnegif nog onbesmet bewaard;
[p. 30]origineel
 
Een Lenteroos gelijk, die, nieuwlings voortgesproten,
 
De schoonheid van haar' blos houd in zich zelf besloten,
 
En 't minziek windenheir op teedre bladen stuit,
 
Doch, van Auroor gekuscht, op 't geurigst zich ontsluit.

En van Magdalena Moons, schoon hier zichtbaar nagevolgd, door Nomz (17):

 
Zij tracht, verr' van door kunst het oog tot zich te trekken,
 
Uit zedigheid, haar schoon voor 's vleijers oog te dekken;
 
Een jonge roos gelijk, die, pralende op haar steel,
 
De tedre bladen sluit voor Zephirs sterkst gestreel;
 
Doch, zich ontsluitende op 't gekusch der Zonnestraalen,
 
Met vreugd dien zagten gloed voelt in haar' boezem dalen.

Doch ook hier genoeg van voor elk, die van deeze soort van aanmerkingen gebruik weet te maaken. Ik zal ze met de hier ter plaatse zo nuttige les voor den jongen Dichter, van Hugo Blair (18) besluiten:

[p. 31]origineel

Ieder land, zegt hij, heeft zijne eigen inlandsche tooneelen, en deeze zal ieder goede Dichter copieeren. Want dewijl hij naar de Natuur schildert, moeten zijne navolgingen noodwendig van die voorwerpen genomen zijn, welken hij om zich ziet, en die reeds dikwerf zijne verbeelding aangetrokken hebben.

[p. 32]origineel

Om derhalven over de juistheid van dichterlijke Beeldtenissen een richtig oordeel te vellen, moet men eenigzins met de natuurlijke Historie van dat Land bekend zijn, in 't welk het tooneel eens Gedichts gelegen is. De invoering van vreemde Beeldtenissen verraadt een' Dichter, die niet de natuur, maar andere schrijvers navolgt. Van hier de menigvuldige Leeuwen, Tijgers, Adelaaren, en Slangen, die ons in de gelijkenissen der hedendaagsche Poëeten voorkomen, even als of deeze Dieren zich een eeuwigduurend recht verworven hadden om in dichterlijke vergelijkingen te verschijnen, dewijl ze van de oude Dichters gebruikt zijn geworden. Van hun zijn ze gevoeglijk gebruikt, als dingen, die in hun land in 't gemeen bekend waren; maar wij, die ze alleen uit de tweede hand, of uit beschrijvingen kennen, gebruiken ze zeer onschikkelijk om iets optehelderen. Ossian is in dit geval zeer juist. Zijne beeldtenissen zijn, zonder uitzondering, uit de natuur genomen, die hij voor zijne oogen had, en daaruit kan men tot derzelver levendigheid besluiten. Hij verplaatst ons in geen Grieksch of Italiaansch Landschap, maar onder den nevel, onder de wolken en stormen van noordsche Gebergten.

[p. 33]origineel

3. Uit de Minnedichten van een Volk kan men tot de waarde der Vrouwen onder dat Volk altijd besluiten. Ademen ze de taal der waare liefde, verheffen ze het hart tot waare deugd en grootheid, wees verzekerd dat de Vrouwen, die deezen dichtrader ontspringen deeden, zeer edele Vrouwen geweest zijn. Loopen ze daar en tegen op laffe verwijfdheid, op de gekunstelde taal der galanterie, op louter dierlijken wellust uit; de Schoonen, aan welke deeze offeranden toegewijd zijn, moogen 'er zich door vereerd vinden, zij moogen de toverkracht haarer oogen heimelijk bewonderen; maar zeker behooren ze tot de laagste klasse haarer Kunne. Welk eene zege haare ongelukkige bekoorlijkheden ook weg moogen draagen, het zeedenbederf zal onder haar gebied lieflijk voorthollen, de weelde geduurig meer veld winnen, de deugd van oogenblik tot oogenblik meer van haare waarde verliezen.

Beminnelijke wederheft des Menschelijken - Geslachts! mijne Vriendinnen! hoe vuurig wenschte ik u van de gegrondheid en het gewigt deezer aanmerking recht levendig te overtuigen. Gij klaagt dikwerf over al te vrije Minnedichtjes en gij klaagt 'er met recht over - wat ik u maar bid-

[p. 34]origineel

den mag, vergeet onder deeze klagten niet, dat gij alleen 'er dien toon aan gaaft.

Si vous voulez que les hommes soient vertueux, apprenez aux Femmes ce que c'est que frandeur d'ame & vertu;’ zegt, na Plato, Rousseau van Geneve te recht, en ik durf 'er bijvoegen: ‘Wilt gij dat onze Dichters kiesche, onschuldige, edele Minnezangen voortbrengen, wees kiesch, onschuldig, edel, en zij zullen van zelven als Meibloempjes in uwe kringen ontluiken.’ Men maakt Minnedichtjes om aan Vrouwen te behaagen; ze zijn overal en altijd naar den heerschenden smaak uwer Kunne in een Land bereekend. Vereischt gij, met de verheven Vrouwen uit den Riddertijd, liefde, trouwe, dapperheid, Godsdienst in een' Man, die tot u op zal durven zien, alle deeze deugden zullen eerlang en als van zelven ons erfdeel worden, en onze Minnedichten zullen, even als van dien tijd, eenpaarig op dezelve uitloopen; maar streelt u daar en tegen meer het getal dan de waarde uwer Aanbidderen; is het verdienste genoeg in een' Man u te begeeren, is uw aanminnig gelaat, uwe bevallige gestalte, het eenige waare schoon in uwe oogen, dat gij bezit, en hoort gij dit met

[p. 35]origineel

meer genoegen vergoden, zelfs door onbeschaamde en verdienstelooze lippen, zelfs met de hartelooze taal der galanterie, dan alle de gaven van uw verstand en hart, dan uwe deugd en rechtschapenheid, ook waar de stomme, maar zo zeer welsprekende taal van eene eerlijke, verdienstvolle ziel dezelve verheft; loopt uwe eigen begeerte (door welk eenen doolhof van beschaafdheid dan ook) eindelijk toch op louter ligchaamlijke schoonheid, eerlooze stoutmoedigheid, en dierlijken wellust uit; - o jammert dan niet langer over al te vrije Minnezangen! Ze zijn voor u gedicht, en zoudt gij het euvel kunnen nemen, dat derzelver Vervaardigers door het masker heen gezien hebben, dat ze, door die algemeene zucht om te behaagen, welke allen stervelingen ingedrukt is, gedreeven, den eenigen weg ingeslagen zijn, die op alle de verdiensten uitloopt, door de welke gij zo zichtbaar gewonnen wordt, en die u zo alleen schijnen te behagen?

 
Femmes, c'est dans vos mains qu'est le sort de la Terre,
 
L'équité dans la Paix, la valeur dans la Guerre,
 
Les progrès des talens, la bonne foi, les moeurs,
 
Tout est prêt à subir le destin de vos coeurs.
[p. 36]origineel
 
Parlez; & les accens de votre voix séconde
 
De Héros vertueux repeupleront le Monde.
 
Méritez de régner; & dans vos jeunes ans,
 
Du bonheur des humains jettez les fondemens.
 
Ne craignez point qu'un jour nous brisions nos entraves,
 
Commandez à jamais à ce Peuple d'esclaves;
 
Qu'il vole de vos bras dans le sein des beaux Arts,
 
Au Temple de Thémis, dans les plaines de Mars;
 
Que partout vos regards soutiennent son courage;
 
Que le Monde moral soit enfin votre ouvrage. (19)

4. De Natuur is nooit indecent, het Minnedicht kan derhalven nimmer indecent zijn, zo lang het natuurlijk is. Ik weet niet of gij de waarheid van deeze aanmerking zo levendig gevoelt, als ik ze gevoele; maar zo gij het tot hier toe beredeneerde met oordeel hebt doorgedacht, moet gij 'er van overtuigd zijn. Ik zal 'er dus niets meer bijvoegen. Houd alleen maar in 't oog, dat hier de rede niet is van nagebootste Minneliederen, maar van de taal der Liefde zelve. Leezeren, die voor soortgelijke aanmerkingen vatbaar zijn, bieden wij de volgende schoone passage uit Wieland aan. Wie eene verdere uitlegging van nooden mogt

[p. 37]origineel

hebben, is te beklaagen, maar voor hem is deeze aanmerking niet geschreeven.

Wieland voert den Minnegod in 't gezelschap der Bevalligheden. Tot hier toe had hij altijd beschadigd, tot hier toe was hij altijd een redelijk schelmachtig Guitje geweest; nu ondergaat hij eene geheele gedaanteverwisseling, en zie hier hoe de Dichter dezelve beschrijft:

‘In de daad, de kleine God wist zelf naauw, wat hem bejegende. Hij kende zich niet meer, sederd hij bij deeze lieftallige Meisjes was. Alle zijne schelmerij ging weg; hij voelde zich onbekwaam om haar een' van zijne trekken te spelen. Zijne aandoeningen werden verfijnd, en namen een kleur van zachtheid en onschuld aan, gelijk men zegt, dat het Kameleon de kleur aanneemt van het voorwerp, daar het op het digtste bij is. Waren het gewoone Nimfen geweest, hij hadde geen tien minuuten kunnen wachten, met zijnen kinderlijken moedwil op kosten van haare rust uit te laaten. Maar deeze lieve Meisjes, in welke alles, wat eigenaartige onschuld, behaaglijke goedheid, en vrolijke opgehelderdheid goddelijks hebben, als in den bloemknop inge-

[p. 38]origineel

wikkeld lag, deeze kon hij slechts beminnen’. (20)

5. Het Zeedenbederf, daar onze Eeuw, en ook wij in deelen, heeft eene zekere decentie noodig gemaakt. Ons verdorven hart herinnert zich dikwerf, bij de onschuldigste voorwerpen in de natuur, denkbeelden, die in verband staan met de gevaarlijkste driften, en dezelve op eens vuur kunnen doen vatten. Zo verzamelt de onreine Spin haar gift uit eigen bloemen, daar de zuivere Bije haaren hoonig uit puurt. Deeze aanmerking zal den Minnedichter niet aanzetten om de natuur te verlaaten, en zich naar den aangenomen toon der beschaafde waereld te voegen; dit zou het zeedenbederf in de hand te werken zijn; nog minder zal hij dat kunstige gaas over al te groote naaktheden pogen te werpen, 't welk de Beschaafdheid uitvond, om de afzichtelijkste zijde der ondeugd te bedekken; dit doet altijd meer kwaad, dan de naaktheden zelven immer zouden konnen doen; het oog ziet genoeg door deezen dunnen sluier heen om de verbeeldingskracht aan 't werken te hel-

[p. 39]origineel

pen, en het overige met bovennatuurlijke bekoorlijkheid te gissen. Maar zij zal hem over eenige voorwerpen van de Natuur, als ik mij zo uit mag drukken, heen doen springen (21); zij zal hem te binnen brengen, dat zijne Gedichten niet enkel door onschuldige harten geleezen worden; dat zijne woorden in de beschaafde waereld, helaas! niet meer het zelfde betekenen, wat ze in de natuur, en op de onschuldige lippen der liefde betekenen - maar waartoe hier meer bijgevoegd? Zo hij de waare liefde genoeg kent om ze te bezingen, zal hij geenen anderen Leermeester, om decent te zijn, van nooden hebben. Ook zullen de

[p. 40]origineel

hoogere en duurzaamer schoonheden, welke hem hier het Christendom aanbiedt, en die de waare Liefde zo graag aanneemt, gelijk wij in 't vervolg zien zullen, hem gemaklijk voorbij eenige, in de daad schoone, maar ligtverganglijke bloemen doen heen stappen; die hij mooglijk zonder gevaar zou kunnen plukken, maar daar hij anderen, tegen zijn doelwit, mede zou kunnen vergeeven. In mijne volgende brieven zal dit alles duidelijker worden.

(1)Deeze is hier en daar bijna zinneloos. Tot een enkel staaltje diene het begin van den Minnezang, dien ik straks beter op zal geven. Dezelve luidt bij Scheffer aldus: Gij zeer helderschijnende Zon! werp uwe straalen op het Meir Orra, dan zal ik gelooven, dat gij op de hooge takken van de Pijnboomen zijt geklommen enz. Gij ziet hier, dat hij den armen Laplander eene groote zotheid doet zeggen. Wat zou de Zon toch op de hooge takken van de Pijnboomen maaken? Waartoe zou hij gelooven dat de Zon deeze hooge toppen beklommen had, indien ze haare straalen op het meir Orra wierp? Inmiddels moet ik u zeggen, dat ik deeze gebrekkige opgaave uit de nederduitsche vertaaling genomen hebbe; de oorsprongelijke uitgaave heb ik niet magtig kunnen worden; mooglijk dat het daar beter opgegeven wordt, waaraan ik echter twijffele, dewijl het geheele verhaal niet minder toont, dat de Schrijver 'er niets fraais in gevonden hebbe. Zie het 15de Hoofdst. des 2den B. Een zeker medelijden met den dommen Laplander heerscht in zijnen geheelen toon. Zo zag men ook eenmaal de Bergschotten voor halve beesten aan; men wilde 'er menschen van poogen te maaken, en men leerde van hun Liederen, die Europa verwonderen en verrukten.
(2)Voor hun, die het Hoogduitsch niet magtig zijn, diene deeze woordelijke, en dus gebrekkige, vertaaling: ‘O Zonne! dat uwe helderste straalen de Orra-Zee beschijnen! Ik zou den top van den Pijnboom beklimmen, konde ik van daar de Orra-Zee zien, ik zou hem beklimmen, den top, om mijne bloemenvriendin te zien (hier vertaalt Scheffer mooglijk te recht: ik zal onder de bloemen zien of mijne Minnaaresse daar wandelt) ik zou hem besnoeien, hem alle takken, zijne groene takken, afsnijden - O dat ik vleugels hadde, om tot u te vliegen, vleugels van een kraai, ik zou den loop der wolken volgen, drijvende naar de Orra-Zee! maar mij missen vleugels! Enden vleugels! voeten van Enden! roeiende voeten van Gansen, die mij tot u kunnen brengen! - O Gij hebt lang gewacht, zo veele dagen! schoone dagen - o gij met uwe verkwikkende oogen, met uw vriendelijk hart! - Wat is sterker dan gevlochten zenuwen! als magtige ijzeren ketenen boeit ons de Liefde, die herschepster van zin en wil; want de wil des minnenden Jongelings is windsgang, de gedachten des Minnenden zijn lange gedachten! Indien ik haar alle volgde, doolde ik van den rechten weg af; daarom blijft mij een besluit overig - het zekere spoor te gaan.’
(3)Es ist, wie gesagt, aus der dritten Hand, dieses Lappländische Lied - Aber noch immer, wie natürlich, wie sehnlich sinnet der junge, begehrende Lappländer, dem sein Weg zu lange wird, dem Alles, was er sieht, Sonne und Wipsel und Wolke und Krähe und Ruderfüsse sich zum Orra-See, auf sein Mädchen beziehen muss! Der auf die Schnelle und Langsamkeit seines Weges, auf sein Hineilen der Seele, auf seine vorwandernde Gedanken, auf seine Lust, Richtsteige zu suchen, wie natürlich! wie sehnlich zurück kommt! Que de choses dans un menuet! und ich liefre Ihnen doch nur die stammlendsten, zerrissensten Reste. Von Deutscher Art und Kunst, Hamb. 1773. pag. 24 u. 25.
(4)Deeze geheele plaats is zo schoon, zo waarlijk dichterlijk in mijne oogen, dat ik gedrongen worden 'er nog eenige aanmerkingen bij te maaken, ten einde u hier in mijn gevoel te doen deelen. Bragela was niet meer. Haar altijd getrouwe Echtgenoot wil, ter zijner verkwikking, haar' lof nog hooren - wil hem hooren van Carrils roerende snaaren; maar naauwlijks heeft hij zelf den welluidenden naam dier Geliefde aangeslagen, of Carril en zijne harpe zijn vergeten - zijne verbeelding is geheel vuur en tederheid - Bragela leeft nog, hij ziet ze nog, hij hoort ze nog - de aandoenlijkste voorige tooneelen staan volkomen tegenwoordig voor zijn gezicht - zo sterk, zo treffend, dat hij haar nog voor de gevaarlijke nachtlucht hoeden wil, daar haare liefde, daar haar teder ongeduld, haar op de rots, onder het staaren naar de terugkeerende zeilen haars Geliefden, voor blootstelde. Zeker voor de Minnaars van de achttiende Eeuw is dit razernij; wat voor derzelver Dichters? - De groote Hugo Blair brengt deeze plaats tot de hoogste schoonheden van Ossian; hij beschouwt hem hier in eene gelukkige en gevoelvolle verrukking, schoon hij toestemt, dat dezelve ongetwijffeld den behoedsaamen toon der hedendaagsche Dichtkunde wel eenigzins te boven gaa; en eindigt met zelf verrukt uit te roepen: ‘Hier ademt de waare geest van hartstocht en tederheid!’ Zie zijne Kritische Abhandl. über die Gedichte Ossians, pag. 125; te vinden voor het 3de D. van Ossians und Sineds Lieder door Denis. Weenen 1784.
(5)Fingal; Eerst. Zang; op 't einde.
(6)Zie Hoogl. 2. V. 8 - 14. Ik heb hier voor 't overige de vertaaling van Herder gevolgd.
(7)Daar ik niemand gaarn ergernis geve, en vooral de hoogschatters des Bijbels niet, daar ik mij van harten mede onder schik; wil ik doen opmerken, dat ik hier enkel van het Lied van Salomo spreek, als van een werk van vernuft, als van een Oostersch Minnelied, even zo als ik van een Grieksch of Romeinsch Minnelied spreken zou; verder komt het mij in deeze brieven niet te pas. Dit kan ik 'er echter van zeggen, dat Herder het den Bijbel zeer waardig keurt, en, om dit te doen voelen, zijnen arbeid aan deze Liederen voornaamlijk gewijd heeft.
(8)Poës. pastor, de Mr. De Fontenelle; Eglog. 6 . p.m. 50.
(9)Waarom ik hier bepaald de Franschen noem, zal u uit mijne voorige brieven duidelijk genoeg zijn:
Il a regné ce veritable amour
Dans ces beaux jours ou la simple nature
Etoit sans art, & parloit sans détour;
Il a regné, son existence est sure;
Mais les François l'ont banni sans retour.
Terwijl ik dit schrijf komt mij eene Fransche Aria onder de oogen, die thans algemeen gezongen wordt, en zeer duidelijk aan kan toonen, wat al niet voor taal der Liefde onder de geestige Franschen doorgaat, en hoe zeer zeldsaam haare echte taal onder die natie gevonden wordt. Elk kent het schoone, gevoelvolle voortbrengsel van Göthe's Genie: het Lijden van den jongen Werther! De Aria is hier uit genomen: zij heeft tot tijtel: Charlotte au tombeau de Werther! In het vreeselijke oogenblik, dat Lotte de schim van haaren Minnaar uit zijn graf meent te zien verrijzen, legt haar de Dichter dit gekunsteld couplet in den mond:
Je m'abuse, il ne peut entendre
Ces vains cris, jouets des zéphirs:
Je ne puis ranimer sa cendre
Par la chaleur de mes soupirs;
 
Envain un fol espoir m'enyvre,
Le trépas seul peut nous unir,
Et ce n est qu'en cessant de vivre
Que je cesserai de mourir.
Neen, deeze Charlotte bemint Werther zeker niet; beminde zij hem, haar vernuft zou zo tegenwoordig niet geweest zijn, om in dit aaklig tijdstip aan de Zephiertjes te denken, die met haare vergeefsche klachten speelden - aan de warmte haarer zuchten, daar ze zijne koude asche op nieuw mede bezielen wilde - aan de kunstige antithèse, daar dit couplet mede eindigt. Duizenden, ik weet het, zullen deeze versen boven alles, wat wij hier boven opgegeven hebben, verkiezen; maar wij durven deeze allen niet te min veilig verzekeren, dat dus nimmer het gevoel, maar wel het vernuft; nimmer de hartstocht, maar wel de nagebootste hartstocht, spreekt.
(10)Schoon ik het volkomen eens ben met den Recensent van Marmontels Elémens de Littérature (Zie Neue. Bibl. der Sch. Wissensch. 39 B. I. st.) dat men den echten Lierdichter gewoonlijk in zijne oorspronglijke taal moet leezen, om hem wel te beoordeelen, en van alle soorten van Lierzangen de naive het minst vertaalbaar zij, biede ik echter dezulken, die het fransch niet magtig zijn, de volgende vertaaling, die ik aan de goedheid eener Vriendin verpligt ben, met dat vertrouwen aan, dat ze het toverachtige Versje van Florian mogelijk niet veel beter in onze taal lezen zullen.
Bekoorlijk Oord, met zo veel droefheid
Voorheen verlaaten, zijt gegroet;
Geliefde streek, waar 'k al de tekens
Nog van mijn tederheid ontmoet.
 
Toen een te wreed bevel mij arme
Uit dit zo schoon verblijf verdreef,
Vertrok ik, nam mijn liefde met mij,
Terwijl mijn hoop hier achter bleef.
 
'k Vond elders ook wel klaare beeken
Gebloemte en lieve lommer weêr;
Maar noch gebloemt', noch beek, noch lommer
Bekoorden daar mijn harte meer.
 
't Is in ons Vaderland het beste,
Veel schooner is ons daar 't geboomt',
Zijn lieve schaduw meer bevallig;
De beek ruischt zachter, die daar stroomt.
 
Hoe zoet is 't, nooit van dat te wislen,
Het leven te enden waar 't begon,
Met de Echtvriendin allengs te grijzen,
Wier hart onze eerste jeugd reeds won!
(11)Etud. 12. Zie het voorige Deel, 5. Br. bladz. 188 en volg.
(12)De geheele schoone plaats verdient uwe aandacht. Hier is ze: Siehe diese mondnacht, voll Nachtigallengesang und Abendroth und Frühlings- und Zauber-düfte; Alles fliesst zusammen, Alles wird Ein Ton, Ein Seufzer. Wie sie jezt singt, die Nachtigall, wird sie nie wieder singen; wie jezt das Abendroth glänzt, wird es, bis zum lezten der Tage, nie mehr glänzen. In der unerschöpfbaren Natur ist Alles einzig und einzeln, und so in der Natur aller Naturen, der Liebe. Jedes Bild, jedes Blatt, jedes Liedchen schwimmt in seinem eignen Duft, hat seine einzelne Süssikeit und Wonne, oder es hat gar keine. Lied. der Liebe. p.m. 78.
(13)Ueber die Einsamkeit 4. Th. II Cap.
(14)Bij Ossian b.v. glanst een Meisje in haare schoonheid als de Maan op de westelijke baaren. Keert de kommer op een aanminnig gelaat te rug, 't is een dun wolkgespan, dat over de Maan wandelt. Drijft een schoon oog in traanen, 't is een star, die door eene waterige wolk heenblikt; Bij Salomo is het Meisje een roos van Saron, een lelie der dalen; de Minnaar een Appelboom onder de Boomen des wouds. 'lieflijk in zijne schaduw, verkwikkelijk in zijne vrucht.
(15)Tot op dit oogenblik zijn de bloemen in het Oosten woorden uit het Woordenboek der Liefde. De Gelieven zenden zich dezelve onderling, en elke bloem heeft haare eigen bestemde betekenis, die nimmer kwalijk verstaan wordt. Van een deezer bloemen deelt ons Hasselquist (Zie Reiz. naar Palestina I D. bl. 43.) het volgende mede: ‘Op den zeventienden van Sprokkelmaand vond ik overal om Smirna groeien en in vollen bloei staan de Hyacinthus Muscari, bij de Turken geheeten Muschirumi, maakende zij van deeze bloem in hunne vrijaadjen het volgende gebruik. De Jongman of Vrijer zendt dezelve aan de Vrijster, op welke hij verliefd is. Als deeze ziet, dat het de bloem Muschirumi is, zo moet zij zich een woord herinneren, 't welk hierop rijmt en dat is Ydskerumi, welk haar van verre te kennen geeft het geen haar Minnaar van haar verlangt. Dit kan men met recht eene verbloemde manier van spreeken heeten.’ Deeze Oostersche gewoonte ontvangt eene nieuwe waarde, wanneer men zich de aanmerking van Mr. B. de Saint Pierre (Etude de la Nat. Tom. 3. Et. II) omtrent de bloemen herinnert. L'impression (zegt hij) que font les fleurs sur nous, semble liée avec quelque affection morale, car il y en a qui nous égaient & d'autres qui nous attristent, sans que nous en puissions apporter d'autres raisons que celles que j'ai essayé d'établir en examinant quelques lois générales de la Nature. Au lieu de les distinguer en jaunes, en rouges, en bleues, en violettes, on pourroit les diviser en gaies, en serieuses, en melancoliques: leur caractère est si expressif, que les amans, dans l'orient, emploient leurs nuances pour exprimer les divers degrés de leur passion. Ondertusschen vindt men ook in Ossian enkele plaatsen, daar de Lente en bloemen in aangebragt worden; maar ze zijn even zo weinig bij hem, als bij Salomo die, in welke hij gebruik maakt van de besneeuwde toppen van den Libanon, Amana, Senir, en Hermon; van de wooningen der Leeuwinnen en de bergen der Luipaarden. Drie van de schoonsten zal ik u hier opgeven. De eerste is uit Berrathon: Krom uwen blaauwen loop om Luthaas enge vlakte, krom hem, o Stroom! dat de groenende wouden zich van hunne heuvelen over haar neigen, en straalen der middagzon op haar nederblikken! De Distel staat daar aan haare rots en schudt haaren baard in den wind. Daar neigt de bloem heur zwaargeworden hoofd en golft temet in 't koeltje. ‘Waarom wekt gij mij, o koeltje! (schijnt zij te vraagen) ik ben vol droppelen des hemels; de tijd mijner verwelking is nabij, nabij de windvlaag, die mijne bladeren rooven zal. Dan komt de Wandelaar aan den morgen; de Wandelaar, die mij in mijne schoonheid gezien heeft, komt; zijne oogen zullen het veld doorzoeken, maar zij zullen mij niet meer vinden!’ Zo zoekt men eens, als zij in het veld verklonken is, de stemme van Cona. De tweede is uit Bosmina. Fingal vergelijkt deeze zijne ongelukkig gesneuvelde Dochter bij eene bloem, en de vergelijking is, naar mijn gevoel, bij uitstek schoon. Wanneer, zegt de rampspoedige Vader, zal vreugde myne ziel ophelderen. - Ach! waarom spreek ik van vreugde? Bosmina, mijne Bosmina is dood! In mijne oogen verscheent ge, o Bosmina! als eene welriekende bloem, van alle haare sieraaden omgeven. De koetjes der Lente onderhielden haare bevalligheid; de daauw des Morgens zorgde voor haare schoonheid. De Zon leende haar heure kleuren. De Wandelaar blikte de lieflijke bloem aan - hij prees haare heerlijke gedaante; - maar de adem van het noorden rukte op haar aan, verschroeide de bevallige bloem, en wierp haar sierlijk hoofd in het stof. De Wandelaar keerde te rug - betreurde het verlies van haare schoonheid - en snelde droevig voorbij! - Zo zijt gij gevallen, Bosmina! zo in de dagen uwer jeugd verwelkt! De derde is het aandoenlijk Gezang der Barden over den Dood van Darthula: Gij zijt gevallen, o Dochter van Colla! Zwijgen heerscht aan de blaauwe stroomen van Selama. Truthils geslacht is uitgebluscht! - Wanneer zult gij in uwe schoonheid weder opstaan, gij eerste der dochteren van Erin! lang is uw slaap in het graf, uw morgen verre verwijderd; de Zon zal tot uw leger niet naderen en zeggen: ‘Waak op, Darthula! waak op, schoonste der Maagden! De koeltjes der Lente wapperen door het veld, bloem knoppen beeven op de groenende heuvelen, het uitbottend loof golft in de wouden’. Wijk te rug, o Zonne, de Dochter van Colla slaapt; - nimmer treedt zij in haare schoonheid weder op - nimmer zullen haare liefelijke schreeden de oogen weer streelen!
(16)Henr. Ch. 9.
(17)Willem de Eerste, 13de Zang.
(18)Kritisch. Abhandl. uber die Gedicht. Ossians p. 100. Deeze les moet echter met oordeel gevolgd worden; wanneer wij ons tooneel in vreemde Landen plaatsen, moeten wij ook onze Beeldtenissen van de voorwerpen, die in dat Land gevonden worden, nemen. Dit spreekt van zelf. Maar 'er is nog meer bij. Wij zijn niet alleen door eigen reizen, maar ook door het voordeel, dat de Drukpers ons hier uit het reizen van anderen biedt, natuurlijk meer met vreemde landen bekend, dan Ossian in zijnen tijd met mogelijkheid zijn kon. Dus zijn 'er verscheiden dieren, die wij even zo goed, en onze grootere vorderingen in de natuurlijke Historie in aanmerking genomen, mooglijk beter kennen, dan de bewooners van de Landen zelve, daar ze gevonden worden. De Leeuw b.v. om maar iets te noemen, heeft aan alle moderne Dichters gelegenheid tot de schoonste gelijkenissen gegeven. De dapperheid en grootmoedigheid van deezen Koning der Dieren zijn zo algemeen bekend, dat wij, ook voor 't volk, veilig onze beeldtenissen hiervan ontleenen kunnen. De Schilder staat hier met den Dichter gelijk. Gij zult u hier zeker onzen Leeuw met de pijlen in den klaauw herinneren, en wie voelt niet op het eerste gezicht de betekenis van dit Zinnebeeld ruim zo duidelijk, als dat van den geharnasten Man met dezelfde pijlen in de vuist op onze Ducaaten? Over 't algemeen is de aanmerking van Blair echter zeer waar.
(19)Académie des jeux Floraux: Ann 1762& 1763.
(20)Bevalligh. 3. Boek.
(21)Mooglijk zondigt het bekende schoone Minnelied, de Landliefde genaamd (Zie Tael- en Dichtkund. Bijdragen I D. N°. 26 iets tegen deeze aanmerking. Niet dat ik het voor waarlijk indecent wil keuren; geenzins! De natuurlijkheid maakt 'er de waarde van uit; alleen keur ik deeze natuur voor onze eeuw te naakt. Ondertusschen verkies ik ze ver boven de Fransche equivoques; deeze zijn in allen geval gevaarlijker dan de platste uitdrukking; de laatste verstaat elk, de eersten meent elk te verstaan, en voor één gevaar zullen 'er duizend uit verrijzen, naar maate men meer geest in de uitlegging verkwist.
 begin  verder