Es ist gewisz, dasz beij jungen Gemüthern von guter Anlage eine recht zärtliche Liebe überaus vortheilhafte Würkungen hervorbringen und der ganzen Gemüthsart eine höchst vortheilhafte Wendung geben kann. Beij einem edlen und rechtschaffenen Jüngling kann durch die Liebe das ganze Gemüth um einige Grade zu jedem Guten und Edlen erhöhet werden; und alle guten Eigenschaften und Gesinnungen können dadurch einen Nachdruk bekommen, den keine andre Leidenschaft ihnen würde gegeben haben.
Sulzer.
Gij hebt mijne voorige brieven in het rechte licht beschouwd. In de daad, mijn voornemen was niet om u eene Verhandeling over het Minnedicht aan te bieden; maar alleen eenige losse gedachten en aanmerkingen, die u gelegenheid konden geven om nader over dit onderwerp te denken, en, zo gij dit verkoost, 'er eene Verhandeling voor u zelven uit te vervaardigen. Mag ik u verzoeken de brieven, die ik, volgens mijne belofte, over het eigen onderwerp nog aan u te schrijven heb, en daar ik thans een' aanvang meê gaa maaken, uit het zelfde gezichtpunt te willen beoordeelen? Ik zal 'er mij weder aan geene vaste orde in verbinden, maar de gedachten op elkander laaten volgen, zo als ze mij in 't hoofd komen. Genoeg, zo gij 'er met de natuur van het Minnedicht meer
door bekend wordt, en mooglijk eenige nieuwe inzichten verkrijgt, om het bij ons in dichterlijke schoonheid en zedelijke waarde te verheffen.
De taak, die mij nog overig bleef, was, uit de voorbereidselen, u in mijne voorige brieven medegedeeld, eenige aanmerkingen te verzamelen, die ons in staat stellen, om over het Minnedicht van onzen tijd iets naders te bepaalen, 'er eenige regels, voor zo ver dit onderwerp regels duldt, van op te geven; althans iets meer van deszelfs waare genie en gebruik te kunnen zeggen, dan tot hier toe gedaan is. Beginnen wij met de aanmerkingen te verzamelen, die ons de voorige brieven aanbieden.
1. De waare Liefde is in alle tijden en onder alle volkeren één geweest. Waar zij sprak, sprak ze overal op dezelfde wijze, en haare taal, het zij ruuw, het zij bevallig uitgedrukt, had altijd de verdienste, dat ze lijnrecht tot het hart ging, en dat hart vertederde. Ik weet wel, dat de uitdrukking van eenen bevalligen Joniër ons lieflijker in de ooren klinkt, dan die van eenen ruuwen Beötiër; ik ontken ook niet, dat de zuivere taal, de gelukkige uitdrukking, de welluidende versificatie, zeer veel toebrengen om de gedach-
ten voor ons treffender te maaken; maar het gevoel zelf, en de warme uitboezeming van het zelve, zullen in beide altijd één zijn, zullen in beide altijd de waare liefde vertoonen, onderscheiden van alle nabootsing, onderscheiden van alle andere hartstochten, en de Beötiër sprak voor zijn Meisje juist dezelfde taal, die de Joniër voor het zijne sprak; het geheele onderscheid was, niet in de liefde, niet in haar eigen taal; maar alleen in de meerdere beschaafdheid gelegen, die de Joniër boven de Beötiër vooruit had; het eigen gevoel drukten ze beiden even warm uit; maar de eerste deed het onder kiescher woorden en bevalliger beeldtenissen, wijl hij aan beiden gewoon was; de laatste louter door de natuur geleid, en met de kunstelooze beeldtenissen, die hem de natuur aanbood, en die hij daaglijks, ook zonder nadenken, voor oogen had. Wij, altijd gewoon om over woorden te struikelen, en om zaaken over 't hoofd te zien, zullen thans mogelijk lagchen over de Minneliederen van verschooven eeuwen, zodra ze den griekschen of romeinschen beschaafden stempel missen; maar die waarachtige natuur gevoelen kan, en niet ten eenenmaal vreemdeling is in de eeuwen of landen, daar die stukjes t'huis hooren, zal ze, met
alle hunne ruuwheid en eenvouwigheid, gewisselijk, als warme taal der liefde, oneindig boven de meeste moderne voortbrengselen van onzen tijd verkiezen. Deeze laatsten mogen hem door hunne kunst en geestigheid voor een oogenblik vermaaken, maar als hij het boek toegeslaagen heeft, denkt hij 'er niet meer aan; terwijl de eersten zijn hart roeren, eenen onwilligen zucht uit zijnen boezem weeten te lokken, en hem menigwerf op zijne eenzaame wandelingen vergezellen. Ik zal u dit uit voorbeelden poogen te doen zien.
Ik ben verzekerd, dat Scheffer, toen hij ons in zijne Historie van Lapland eenige Minneliedjes van dit Volk mededeelde, heimelijk over derzelver dwaasheid en kunsteloosheid lagchte; ten minsten, dat hij 'er de waarde niet van gevoeld hebbe, blijkt uit zijne gebrekkige opgaave van dezelve (1).
Ondertusschen zou hij mooglijk moeite gehad hebben, om onder zijne Landgenooten iets voor den dag te brengen, daar de waare liefde meer in sprak. Twee bevoegde Kunstrichters Van Kleist en Göthe hebben ze, meer dan een eeuw laater, bewonderd, en eene plaats in hunne werken waardig gekeurd. Dat van den laatstgenoemden wil ik u hier aanbieden. Gij zult 'er den lof van uit zijn eigen mond hooren. Het is juist het zelfde dat Scheffer ons mededeelt.
Hoe veel natuur, zegt Göthe te recht, is in dit Lied! Het smachtend verlangen van den jongen Laplander, het alles in betrekking tot de Orra-Zee, tot zijn Meisje stellen, zon, kruinen van boomen, wolken, kraaien, enden, ganzen, alles wat hij ziet, alles wat hem ontmoet, zie daar wel de taal van 't gevoel, de eigen taal der Liefde (3).
Wat zegt gij van de volgende plaats uit Ossian? Bij gelegenheid dat de invallende nacht het gevecht tusschen Cuthullin en Swaran onbeslist had gelaten, gebruikt Carril, een oude Barde, de uuren, die 'er tot den aanstaanden morgen overig waren, om de aandoenlijke geschiedenis van Grudar en Brassolis te verhaalen. Cuthullin, hevig door dit verhaal geroerd, wenscht dat de Barde ook zijne Geliefde bezingen moge, en naauwlijks heeft hij haaren naam genoemd, of de tederste denkbeelden verdringen zich in zijn hart:
‘Uwe stemme is aantrekkelijk, o Carril! zei Erins blaauwoogige Gebieder (Cuthullin) aantrekkelijk zijn de woorden van vervlogene jaaren! Ze zijn als de zachte regen der Lente, wanneer de Zon op de
Velden nederblikt, en de ligte wolk over den heuvel heenen vliegt. O roer de harp tot lof van mijne Geliefde, van den eenzaamen Straal van Dunscaith, roer de harpe tot lof van Bragela, die ik op het Eiland des Nevels achter liet! Gij schouwt van de rotsen, schoonste Gemaalin des Zoons van Semo! om de naderende zeilen van uwen Getrouwen te ontdekken. Ach! ver in 't verschiet rollen de golven, en in haar wit misleidend schuim waant gij mijne zeilen te zien (4). Begeef u te
rug, mijne Geliefde! de nacht is voor handen; in uwe lokken zuchten de duistere winden. Begeef u tot mijne gastvrije Halle te rug en laaf u daar met de dagen die vervlogen zijn! Zwijgt de krijgsstorm nog eens, dan keere ik weder! - o Connal! spreek mij meer van krijg en van wapenen; verdring de Geliefde uit mijne gedachten - dat mijn hart zich niet altijd Sorglans witgeboezemde Dochter met haare golvende hairlokken herinnere!’ (5).
Voelt gij niet in beide deeze stukjes het eigen levendig, smachtend, gevoel spre-
ken? - miskent gij 'er de taal der liefde in? - Zo sprak zij in het Noorden, zo spreekt zij in het Zuiden, en in alle landen, waar God haaren zegen verspreidde. Het tooneel is verschillend, maar de ijsklippen en lusthoven hooren de eigen liederen rollen. Of hoort gij eenen anderen grondtoon in het volgend stuk - 't is van Salomo (6), en heeft eene in 't oogloopende gelijkheid met de opgegeven noordsche liederen:
Om u deeze gelijkheid, zo levendig als mogelijk is, te doen gevoelen (want hier rust de kracht deezer geheele aanmerking op) zal ik hier de uitlegging van Herder nog bijvoegen, en gij zult terstond in dit lied de taal des Laplanders - des Bergschots - en van elke Natie, die waare minnezangen bezit, wat den karakteristieken grondtoon der liefde betreft, hooren.
Herder begint met het opgegeven lied, als een stukje, dat geheel op zich zelven staat, aan te merken; en de geheele verzameling, bij ons onder den naam van het Hoogelied bekend, bestaat, naar zijn oordeel, uit enkel zulke losse, en, voor 't grootste gedeelte, niets met elkander gemeens hebbende minnedichtjes. Doch hoor hem zelven:
‘Dat dit stuk, zegt hij (7), met het voorige niet te saamen hange, ziet een ieder. Daar sliep het Meisje onder den Appelboom in, onder de zoete droomerijen van haaren Geliefden, die haar een sluimerlied zong. Hier is hij afweezend, lang afweezend geweest; zij heeft den regentijd des Winters, als een opgeslooten Duifje in de steenrots-
klooven, doorgebragt; thans wekt haar - niet de Lente, niet de Leeuwrik - maar de stemme haares Geliefden, die van verre komt, en haar Lente en Vreugde aanbrengt. Van verre kent zij zijne stemme en hij is 't. Hij huppelt, hij springt over de kleine bergen, daar Palestina vol van is, als een huppelend Hert, als een springende Rhee. Daar staat hij reeds achter den groenen wand, kijkt door het latwerk, blinkt, als eene uitbottende bloem, door de tralien; nu spreekt hij, nu zingt hij, luister! - Alles wat Lente en Liefde, Hof en Morgen, geven kan, is in dit Lied; maar de liefkoozende toon van het oorspronglijk is onvertaalbaar. Hij roept zijn Duifje uit het hol van de rots, en lokt ze met alle de aantrekkelijkheid en met al het sieraad der Lente. Alles is daar, ook de Tortelduive, haare gespeelinne; zij alleen mist nog! Alles waasemt, bloeit, zingt; maar haare stemme en schoone gestalte worden niet vernomen! En zij zwijgt nog, het Duifje antwoordt niet! - Het is duidelijk een eenig afgebrooken stuk, het eerste Lentebezoek der Liefde - en in 't Oosten, waar 't op eens Lente wordt, waar, zo dra de regentijd voorbij is, de natuur ontwaakt en vaak op éénen morgen
plotseling eene geheel andere waereld toont, is trek voor trek waarheid.’
Lees nu hier op het volgende Fransche Minnedichtje, zo gij kunt, en indien gij geen onderscheid tusschen de taal van 't gevoel en die der kunst voelt; zo gij in de eersten het hart zelve, in het laatste het vernuft alleen niet spreken hoort, zijt gij te beklaagen, en alle verdere uitpluizing zou u van geen dienst ter waereld zijn:
Meen echter niet, dat dit geheel de schuld van onzen tijd zij, geenzins! de waare liefde is zeker bij ons iets zeldzaams, moet, bij onze menigvuldige andere behoeften, iets
zeldsaams zijn, maar waar zij nog is, spreekt ze, wat het wezen betreft, wêer juist de zelfde taal, zelfs onder de Franschen (9). Het volgende lieve versje van
Florian kan ik zeer wel op de bovenstaan de stukken leezen, en ik hoor 'er het eigen gevoel, schoon uit eene andere eeuw, in spreeken:
Gij hoort hier zeker eene beschaafdere taal, maar het eigen gevoel spreekt haar. Even als bij den Laplander staat alles in betrekking tot de Geliefde - ieder boom, elke beek, het geringste bloempje, is beduidend voor Nemorin - ze zijn die van zijn Vaderland - daar Estelle was - daar hij haar eerst bemind had - daar hij haar nu weder vond - daar zijn hart het voorledene en toekomende in zijn genot in een smolt, en door beide zalig was. Dan, deeze
aanmerking heb ik genoeg uitgebreid; wij zullen 'er in 't vervolg de nuttigheid voor den Minnedichter nader uit zien.
2. Liefde en Natuur gaan altijd hand aan hand; geen liefde zonder natuur, geen natuur zonder liefde. Waar de weelde de natuur verdrongen heeft, is de liefde naar de eigen maat zeker ook verdrongen, en om tot haare eerste zuiverheid weder te keeren, is zij verpligt op nieuw haare toevlugt tot de natuur te nemen. De weelde is een kunstig genot; de liefde onder het gebied der weelde, eene gekunstelde liefde. Waar Natuur heerscht, is het gevoel de Leidsman, en deeze Leidsman voert nimmer op eenen dwaalweg; waar Weelde den scepter voert, verstrekt het vernuft tot gids, en dit voert op even zo veele dwaalwegen, als 'er neigingen in het menschlijk hart zijn, voor welke alle hij beurteling den Sophist speelt - van vooren altijd gegrond, ten minsten met sluitredenen, die de eigenliefde en hartstochten zo graag, en hierdoor zo gemaklijk, voor gegrond verklaaren - van achteren altijd verkeerd; het genot, daar men zo angstig heenen snelde, is schijn geweest; men ziet dit, nu de begeerten sterker, maar de ledigheid van 't hart, helaas! gaapender dan ooit geworden is. Waar
Natuur heerscht, spreekt het gevoel, en dit spreekt overal ééne taal, zijne eenvouwige moedertaal; waar de Weelde het bewind voert, spreekt het vernuft, en dit spreekt even zo veele taalen, maar alle aangeleerde taalen, als het wil, en het wil altijd die, welke meest in gang is; welke het naast in verband staat met een koel overdacht en berekend plan, dat ter voldoening eener begeerte bereikt moet worden. Zo heeft, bij voorbeeld, onder het gebied der natuur ieder hartstocht zijn eigen taal, en waar die hartstocht spreekt, wordt die taal gehoord. De eenvouwige Wilde (waarom moet ik hier mijne toevlugt tot de Wilden nemen!) begeert rijkdom, en hij eischt rijkdom; hij begeert liefde, en hij eischt liefde; maar waar de weelde beschaafd heeft, heeft geene hartstocht zijne eigen taal meer. Alles is ontleend, alles nagebootst; geen genot onvermengd meer, geene behoefte, die alleen kan voldaan worden; de gouddorst spreekt de taal der liefde, zo dra deeze taal beter op het wit mikt; de eerzucht die van belanglooze zucht voor het algemeen welzijn, en zo met alles; dan, daar deeze taal niet door 't gevoel gesproken, maar door de kunst nagebootst wordt, is ze zo verschei-
den, als de bijzondere omstandigheden van ieder Volk, wat zeg ik? van elk individu verscheiden zijn, en van hier het eindelooze verschil tusschen de taal der Galanterie, die bij elke natie bijzonder is, en de volkomen gelijkheid tusschen de taal der Liefde, die overal, ook onder de meest van elkander verwijderde Volken, één is. Zoude ik hier met Mr. de Saint-Pierre (11) niet mogen zeggen: dat de eerste het werk der menschen, de laatste het werk der Natuur, de indruk des Scheppers zelven zij? Maar deeze aanmerking behoef ik ook niet verder uit te breiden; mijne voorige brieven bevestigen ze overal; dit alleen wil ik 'er nog bijvoegen, om dat de Minnedichter hier een oneindig voordeel uit kan trekken, dat de Liefde, die Herder met zo veel nadruk de natuur aller natuuren noemt (12), de natuur altijd bemint, altijd op-
zoekt, en zich ook hierin van de valsche liefde en alle nabootsing onderscheidt. Het Veld is terstond het favoriet tooneel der Liefde; zij schuuwt de Stad met al derzelver pracht en vermakelijkheden, om het stille land, het sombere bosch, de murmelende beek, de rijzende Zon, de vertederende Maan, den aantrekkelijken Starren nacht, te verkiezen, en hier, hier vindt ze in de natuur zelve voedsel en verzachting beide. Deeze weldaadige invloed van de Liefde op de wederbrenging tot de Natuur, en hier door (want een ander weg is 'er niet) tot het Geluk, is zo waar, dat men ze zelfs in de meestbedorven eeuwen, en ook onder ons, waarneemt. Zie dien Jongeling, die, door de zachte handen der weelde opgevoed, voor de ledige verveelendheid der natuur op het Land te rugge beeft, om zich daaglijks
in alle de verdoovende vermaaken van het woelig Stadleven te verliezen. Naauwlijks bemint hij van harten, of alle die vermaaken hebben hunne prikkel voor hem verlooren; de natuur heeft haare volle toverkracht wêer voor hem, en dit wonder wrocht de Liefde. De Stad is hem onverdraaglijk geworden; hij zoekt de eenzaamheid der Velden en Bosschen; en daar, daar voelt hij, dat zijn hart voor het geluk bestemd is, dat de natuur dit geluk aan elk haarer kinderen van zelve aanbiedt, maar dat de weelde haare slachtoffers aan beiden ontrooft.
‘Verliefden, zegt daarom Zimmerman (13) met recht, zijn nergens zo gaarn als in de Eenzaamheid. Zij zoeken rust op afgelegen plekken, om daar de eenige gedachte aan te hangen, voor dewelke het hun de moeite beloont van te leven. Wat bekommert hun alles, wat in de Stad omgaat, alles, wat niet liefde ademt, of ademen laat. Donkere Vertrekken, zwarte Dennenwouden, stille Zeeën, in dewelke zij hunne gedachten zinken laaten, zijn de eenige vertrouwden hunner
Ziel. Ze zijn even zo vergenoegd in hooge boschrijke schaduwen en bij het rilling-aanjagend geschrei van den Adelaar, als op gronden, waar eene eenzaame Herderin haaren zuigeling de borst biedt, terwijl haar Geliefde aan haare zijde zijne harde broodkorst breekt en gelukkiger is dan gij alle.’
En waar vinden wij Minnedichten, die ons sterk interesseeren, in welke de Dichter het Land niet tot hoofdtooneel gekoozen heeft, waar alle de gelijkenissen, met versmaading van de pracht der weelde, niet uit den rijkdom der natuur genomen zijn? Ook hier weêr de eigen overeenkomt tusschen het Oosten het het Westen, tusschen het Zuiden en het Noorden. Bij Ossian biedt de Maan, het Gestarnte, de Wolken (14) in het barre Noorden, even schoone
en roerende gelijkenissen aan, als de bloemen, boomen, en plantgewassen in het mildere Zuiden aan Salomo doen (15). Waar
is de Dichter, die zijn Meisje niet bij eene roos vergeleken heeft, in alle landen, waar
roozen gevonden worden? Zelfs de prachtige Heldendichter, wil hij eene schoone
Maagd vertoonen, al ware zij ook naast, of op den troon geplaatst, zal zich wel onthouden om zijne gelijkenissen hier uit de blinkende sieraaden van het Vorstelijk Paleis te kiezen; hij wil belang verwekken en neemt dus zijne toevlugt tot de eenvouwige natuur. Gij herinnert u hier zeker de schoone vergelijking van Gabrielle d'Estree bij eene roos, door Voltaire (16):
En van Magdalena Moons, schoon hier zichtbaar nagevolgd, door Nomz (17):
Doch ook hier genoeg van voor elk, die van deeze soort van aanmerkingen gebruik weet te maaken. Ik zal ze met de hier ter plaatse zo nuttige les voor den jongen Dichter, van Hugo Blair (18) besluiten:
Ieder land, zegt hij, heeft zijne eigen inlandsche tooneelen, en deeze zal ieder goede Dichter copieeren. Want dewijl hij naar de Natuur schildert, moeten zijne navolgingen noodwendig van die voorwerpen genomen zijn, welken hij om zich ziet, en die reeds dikwerf zijne verbeelding aangetrokken hebben.
Om derhalven over de juistheid van dichterlijke Beeldtenissen een richtig oordeel te vellen, moet men eenigzins met de natuurlijke Historie van dat Land bekend zijn, in 't welk het tooneel eens Gedichts gelegen is. De invoering van vreemde Beeldtenissen verraadt een' Dichter, die niet de natuur, maar andere schrijvers navolgt. Van hier de menigvuldige Leeuwen, Tijgers, Adelaaren, en Slangen, die ons in de gelijkenissen der hedendaagsche Poëeten voorkomen, even als of deeze Dieren zich een eeuwigduurend recht verworven hadden om in dichterlijke vergelijkingen te verschijnen, dewijl ze van de oude Dichters gebruikt zijn geworden. Van hun zijn ze gevoeglijk gebruikt, als dingen, die in hun land in 't gemeen bekend waren; maar wij, die ze alleen uit de tweede hand, of uit beschrijvingen kennen, gebruiken ze zeer onschikkelijk om iets optehelderen. Ossian is in dit geval zeer juist. Zijne beeldtenissen zijn, zonder uitzondering, uit de natuur genomen, die hij voor zijne oogen had, en daaruit kan men tot derzelver levendigheid besluiten. Hij verplaatst ons in geen Grieksch of Italiaansch Landschap, maar onder den nevel, onder de wolken en stormen van noordsche Gebergten.
3. Uit de Minnedichten van een Volk kan men tot de waarde der Vrouwen onder dat Volk altijd besluiten. Ademen ze de taal der waare liefde, verheffen ze het hart tot waare deugd en grootheid, wees verzekerd dat de Vrouwen, die deezen dichtrader ontspringen deeden, zeer edele Vrouwen geweest zijn. Loopen ze daar en tegen op laffe verwijfdheid, op de gekunstelde taal der galanterie, op louter dierlijken wellust uit; de Schoonen, aan welke deeze offeranden toegewijd zijn, moogen 'er zich door vereerd vinden, zij moogen de toverkracht haarer oogen heimelijk bewonderen; maar zeker behooren ze tot de laagste klasse haarer Kunne. Welk eene zege haare ongelukkige bekoorlijkheden ook weg moogen draagen, het zeedenbederf zal onder haar gebied lieflijk voorthollen, de weelde geduurig meer veld winnen, de deugd van oogenblik tot oogenblik meer van haare waarde verliezen.
Beminnelijke wederheft des Menschelijken - Geslachts! mijne Vriendinnen! hoe vuurig wenschte ik u van de gegrondheid en het gewigt deezer aanmerking recht levendig te overtuigen. Gij klaagt dikwerf over al te vrije Minnedichtjes en gij klaagt 'er met recht over - wat ik u maar bid-
den mag, vergeet onder deeze klagten niet, dat gij alleen 'er dien toon aan gaaft.
‘Si vous voulez que les hommes soient vertueux, apprenez aux Femmes ce que c'est que frandeur d'ame & vertu;’ zegt, na Plato, Rousseau van Geneve te recht, en ik durf 'er bijvoegen: ‘Wilt gij dat onze Dichters kiesche, onschuldige, edele Minnezangen voortbrengen, wees kiesch, onschuldig, edel, en zij zullen van zelven als Meibloempjes in uwe kringen ontluiken.’ Men maakt Minnedichtjes om aan Vrouwen te behaagen; ze zijn overal en altijd naar den heerschenden smaak uwer Kunne in een Land bereekend. Vereischt gij, met de verheven Vrouwen uit den Riddertijd, liefde, trouwe, dapperheid, Godsdienst in een' Man, die tot u op zal durven zien, alle deeze deugden zullen eerlang en als van zelven ons erfdeel worden, en onze Minnedichten zullen, even als van dien tijd, eenpaarig op dezelve uitloopen; maar streelt u daar en tegen meer het getal dan de waarde uwer Aanbidderen; is het verdienste genoeg in een' Man u te begeeren, is uw aanminnig gelaat, uwe bevallige gestalte, het eenige waare schoon in uwe oogen, dat gij bezit, en hoort gij dit met
meer genoegen vergoden, zelfs door onbeschaamde en verdienstelooze lippen, zelfs met de hartelooze taal der galanterie, dan alle de gaven van uw verstand en hart, dan uwe deugd en rechtschapenheid, ook waar de stomme, maar zo zeer welsprekende taal van eene eerlijke, verdienstvolle ziel dezelve verheft; loopt uwe eigen begeerte (door welk eenen doolhof van beschaafdheid dan ook) eindelijk toch op louter ligchaamlijke schoonheid, eerlooze stoutmoedigheid, en dierlijken wellust uit; - o jammert dan niet langer over al te vrije Minnezangen! Ze zijn voor u gedicht, en zoudt gij het euvel kunnen nemen, dat derzelver Vervaardigers door het masker heen gezien hebben, dat ze, door die algemeene zucht om te behaagen, welke allen stervelingen ingedrukt is, gedreeven, den eenigen weg ingeslagen zijn, die op alle de verdiensten uitloopt, door de welke gij zo zichtbaar gewonnen wordt, en die u zo alleen schijnen te behagen?
4. De Natuur is nooit indecent, het Minnedicht kan derhalven nimmer indecent zijn, zo lang het natuurlijk is. Ik weet niet of gij de waarheid van deeze aanmerking zo levendig gevoelt, als ik ze gevoele; maar zo gij het tot hier toe beredeneerde met oordeel hebt doorgedacht, moet gij 'er van overtuigd zijn. Ik zal 'er dus niets meer bijvoegen. Houd alleen maar in 't oog, dat hier de rede niet is van nagebootste Minneliederen, maar van de taal der Liefde zelve. Leezeren, die voor soortgelijke aanmerkingen vatbaar zijn, bieden wij de volgende schoone passage uit Wieland aan. Wie eene verdere uitlegging van nooden mogt
hebben, is te beklaagen, maar voor hem is deeze aanmerking niet geschreeven.
Wieland voert den Minnegod in 't gezelschap der Bevalligheden. Tot hier toe had hij altijd beschadigd, tot hier toe was hij altijd een redelijk schelmachtig Guitje geweest; nu ondergaat hij eene geheele gedaanteverwisseling, en zie hier hoe de Dichter dezelve beschrijft:
‘In de daad, de kleine God wist zelf naauw, wat hem bejegende. Hij kende zich niet meer, sederd hij bij deeze lieftallige Meisjes was. Alle zijne schelmerij ging weg; hij voelde zich onbekwaam om haar een' van zijne trekken te spelen. Zijne aandoeningen werden verfijnd, en namen een kleur van zachtheid en onschuld aan, gelijk men zegt, dat het Kameleon de kleur aanneemt van het voorwerp, daar het op het digtste bij is. Waren het gewoone Nimfen geweest, hij hadde geen tien minuuten kunnen wachten, met zijnen kinderlijken moedwil op kosten van haare rust uit te laaten. Maar deeze lieve Meisjes, in welke alles, wat eigenaartige onschuld, behaaglijke goedheid, en vrolijke opgehelderdheid goddelijks hebben, als in den bloemknop inge-
wikkeld lag, deeze kon hij slechts beminnen’. (20)
5. Het Zeedenbederf, daar onze Eeuw, en ook wij in deelen, heeft eene zekere decentie noodig gemaakt. Ons verdorven hart herinnert zich dikwerf, bij de onschuldigste voorwerpen in de natuur, denkbeelden, die in verband staan met de gevaarlijkste driften, en dezelve op eens vuur kunnen doen vatten. Zo verzamelt de onreine Spin haar gift uit eigen bloemen, daar de zuivere Bije haaren hoonig uit puurt. Deeze aanmerking zal den Minnedichter niet aanzetten om de natuur te verlaaten, en zich naar den aangenomen toon der beschaafde waereld te voegen; dit zou het zeedenbederf in de hand te werken zijn; nog minder zal hij dat kunstige gaas over al te groote naaktheden pogen te werpen, 't welk de Beschaafdheid uitvond, om de afzichtelijkste zijde der ondeugd te bedekken; dit doet altijd meer kwaad, dan de naaktheden zelven immer zouden konnen doen; het oog ziet genoeg door deezen dunnen sluier heen om de verbeeldingskracht aan 't werken te hel-
pen, en het overige met bovennatuurlijke bekoorlijkheid te gissen. Maar zij zal hem over eenige voorwerpen van de Natuur, als ik mij zo uit mag drukken, heen doen springen (21); zij zal hem te binnen brengen, dat zijne Gedichten niet enkel door onschuldige harten geleezen worden; dat zijne woorden in de beschaafde waereld, helaas! niet meer het zelfde betekenen, wat ze in de natuur, en op de onschuldige lippen der liefde betekenen - maar waartoe hier meer bijgevoegd? Zo hij de waare liefde genoeg kent om ze te bezingen, zal hij geenen anderen Leermeester, om decent te zijn, van nooden hebben. Ook zullen de
hoogere en duurzaamer schoonheden, welke hem hier het Christendom aanbiedt, en die de waare Liefde zo graag aanneemt, gelijk wij in 't vervolg zien zullen, hem gemaklijk voorbij eenige, in de daad schoone, maar ligtverganglijke bloemen doen heen stappen; die hij mooglijk zonder gevaar zou kunnen plukken, maar daar hij anderen, tegen zijn doelwit, mede zou kunnen vergeeven. In mijne volgende brieven zal dit alles duidelijker worden.