Wat is nu het Minnedicht?
Gij verwacht toch wel niet, dat ik u hier eene regelmaatige definitie van zal geven? Terwijl ik dit schrijve, blaast de Lente bloemen over de Velden; schouw om u heen, en de geheele verjongde Natuur zal u deeze definitie aanbieden. Zo gij haare welsprekende taal verstaat, zouden mijne geestelooze woorden overtollig; zo niet, vergeefs zijn.
Wat is het Minnedicht? - Een zucht! In de daad deeze korte warme definitie van Herder is en blijft nog de beste, die ik weet.
Een hart, zodaanig van de liefde doordrongen, dat het geperst wordt zich te ontlasten, brengt het Minnedicht voort.
Het eerste vereischte van het zelve is dus,
dat 'er de waare Liefde zelve, of, 't geen ik nader verklaaren zal, haar voorgevoel in spreeke. Dit behoort tot deszelfs wezen; al het overige tot zijne meerdere of mindere schoonheid.
Ontwikkelen wij deeze eerste bepaaling, en, zo ik mij niet bedrieg, zult gij, ook zonder eene definitie, duidelijk weeten, wat het Minnedicht, onderscheiden van alle andere soorten van Dichtstukken, zij.
De Dichter volgt hier niet de schoone Natuur na; hij beschrijft de Liefde niet, die hij om zich heen ziet - al ware hij ook louter van Arkadiesche Herders en Herderinnen omgeven; al schilderde hij ook, wat zijne oogen zagen, met het altijd verschoonend penseel van een' Titiaan, of wilt gij een Dichter, van een' Wieland - hij mogt een zeer schoon dichtstuk voor den dag brengen, maar een Minnedicht ware het gewis niet. Om dit voorttebrengen moet hij zelf de Liefde gevoelen, althans voorgevoelen; dit gevoel moet uit zijn hart in zijne Lier stroomen, en uit al derzelver snaaren trillen. Hij moet, als ik mij zo uit mag drukken, niet willen dichten, hij moet 'er door een onwederstaanbaar geweld toegedrongen worden, en zijne eigen gewaar-
wording lucht geven, door ze op het papier uit te storten. Staat ze daar, zo levendig, zo warm, als in zijn hart, dan is het een Minnedicht, een geheel kunsteloos Minnedicht, maar dat door de hoogste kunst alleen in eeuwigheid niet bereikt zal worden.
Gij ziet reeds van zelf, dat met deeze bepaaling alle die Dichtstukken uit de klasse der eigentlijke Minnedichten vervallen, waar in wel schilderingen van de Liefde voorkomen, hoe natuurlijk dan die schilderingen ook zijn mogen; maar de Liefde zelve echter niet spreekt. Het vierde Boek van de Eneade behelst ongetwijffeld een der schoonste Schilderijen van de Liefde, die wij bezitten; maar het vierde Boek der Eneade is geen Minnedicht. Dido spreekt, zo als waarlijk in haar' toestand iemand spreeken zou, en met dat alles is het niet het gevoel zelf, dat daarin spreekt, maar de Dichter. Zo deeze gedachte nog eenige duisterheid voor u hebben mogt, zal ik u herinneren, dat de navolging der schoone Natuur tot in den hoogsten graad door een' groot Dichter bereikt kan worden, door genie, smaak, en eene grondige studie der Natuur, zonder dat daarom de hartstocht
zelf nog uit den Dichter spreeke. Laat mij het door een voorbeeld ophelderen. Ik wil het genoegen van eenen schoonen Lentemorgen uitdrukken. Nu ben ik waarlijk op 't Land. Ik zie dien schoonen Meijmorgen voor mijne oogen; ik schilder hem naar de Natuur; geene van zijne genoegens ontsnappen aan mijn penseel - het gevolg is, dat elk kenner mijn tafereel toejuicht en voor zeer gelukkig verklaart. Neem, dat ik juist zo de Liefde tref, en ik heb geen Minnedicht voor den dag gebragt. Maar stel dat ik op 't land ben; 't is een schoone Lentemorgen; ik heb geen gedachte om hem te schilderen; maar ik wandel - ik voel hem, ik voel hem, zo geheel, zo levendig, dat dit gevoel in mij uitbarst en zich zelven daar stelt. - Zo hier de Lentemorgen de Liefde geweest ware, zoude ik een echt Minnedicht voortgebragt hebben.
Duidelijker kan ik mij over dit onderwerp niet uitdrukken; elk, die het onderscheid tusschen uit gevoel en met gevoel te Dichten, bij ondervinding kent; die de van zelfheid, mag ik mij dus uitdrukken van het eerste, de altijd nog vereischt wordende pooging van het laatste, ooit ontwaar is ge-
worden, zal mij hier genoeg verstaan. De overigen zouden het toch niet, al ware ik hier ook omslachtiger.
Gelijk ik zeide; de eigen, zuchtende, spreekende, spelende, dartelende, of klaagende gewaarwording, maakt het wezen van het Minnedicht uit. Ondertusschen kunnen 'er feilen en schoonheden in zijn. Was onze eeuw die der Natuur nog, het gevoel, dat den Minnedichter tot Dichter maakte, zoude hem de eersten leeren mijden, en de laatsten leeren daar stellen. Dan, de verbaazende afwijking van de Natuur heeft hier eenige regelen noodig gemaakt; die echter alle uit de Natuur genomen zijn, en het hart, om zo te zeggen, tot dezelve terug voeren. Zonder thans op deezen te letten, zullen wij gevaar loopen van eene meenigte Minneliedjes te zien gebooren worden, die, ja door de Liefde ingegeeven zijn, maar door de Liefde van onze eeuw, waarin het vernuft het gevoel vervangt, en de Dichter de aangenomen, beschaafde taal der Weelde spreekt (1). Wij zullen ons zo zeer aan
dien valschen toon gewennen, dat wij eerlang de Natuur onnatuurlijk zullen vinden, eene reine gewaarwording van dezelve voor geoutreerd verklaaren, en de warme taal van 't gevoel op rekening van eene romaneske verbeeldingskracht zetten. Ongelukkig de Dichter, die zich naar soortgelijke Aristarchen regelt (2)! Al bezaten ze het vernuft ook van een' Engel, hunne rechter-
lijke uitspraaken vertraagen den voortgang der Poëzij onder een Volk meer, dan alle overige gelukkige omstandigheden denzelven bevorderen kunnen (3).
Ik wil mijne regelen uit het wezen van het Minnedicht zelve afleiden, en, zo veel mij doenlijk is, met voorbeelden bewijzen. Beoordeel ze zelf, en weet gij 'er beter, verwerp de mijnen vrijmoedig. Wij zoeken beide naar waarheid.
De Liefde spreekt in het Minnedicht; het moet dus kort, eenvouwig, natuurlijk zijn. Alle deeze vereischten liggen in de natuur deezer gewaarwording zelve. Ik wil ze één voor één opnemen.
Omtrent de kortheid biede ik u alleen de
volgende plaats uit Herder (4) aan: ‘Ieder weet, dat niets in de waereld zo zeer langdraadigheid haat, dan Liefde. Liefde in een Foliant gebragt, is geen Liefde meer. Kusch en Zucht, tot een boek gestempeld, gingen lang eer ze daar kwamen verlooren. Gelijk de Nachtegaal en Tortelduif maar kort en afgebroken girren en klaagen, zo koos zich de Liefde ten allen tijde, en onder ieder Volk, altijd het kortste Gedicht uit. Sonnet, Tafereel, Liedje, Bijschrift, Ode, Madrigal, Idijlle, Ekloge; het heete zo het wil, is het zucht der Liefde, zo is het alleen adem, alleen zucht. Niets in de waereld vereischt dus ook eene zo innige gantsche tegenwoordigheid dan Liefde, en derzelver korte afdrukselen en spooren. Zij is, zo als ook dit Boek (het Hoogelied) zegt, vlamme des Heeren, Bliksemstraal, Vonk: is zij niet daar, gij kunt ze u niet geven. -
Is zij ook in haar' zegel en afdruk niet daar, erkent gij 'er haar niet in, en kunt
gij ze in den eersten elektrieken straal niet voelen - gij moogt tot veele andere dingen goed zijn, maar gewis niet tot Minnaar of uitlegger der Liefde. Hier is alles oogenblik, alles gelukkig Herdersuurtje!’
Dit voorschrift wil niets meer en niets minder zeggen, dan: ‘Werpt de Dichtveder uit de hand, zo dra uw gevoel ophoudt te spreeken; zo dra gij, om voort te gaan, het noodig zoudt hebben, uw vernuft te baat te moeten nemen.’ Slechts in één geval heeft deeze algemeene regel opheldering van nooden. In beschrijvingen, hoor ik u zeggen, vinde ik het Minnedicht menigwerf niets minder, dan kort; vooral waar de verrukte Dichter zijn geliefkoosd ideaal, het voorwerp, dat hij bemint, schilderen moet; hier schijnt de geheele Natuur dikwerf geene beeldtenissen, de rijkste taal geene woorden genoeg te bezitten. - 't Is zo, maar niet te min ook hier, en hier zo veel dan ergens elders, houdt onze regel stand. Gebruik vrijmoedig alle die beeldtenissen, alle die woorden, die 't gevoel zelf u aanbiedt; met dit te doen zult gij in niets tegen de aanmerking van Herder zondigen; maar wacht u, om naar woorden, naar beelden te zoeken! De eigen vergelijking, die door 't
gevoel aangegreepen, warm, levendig daarstaat, is koud, levenloos, zo dra haar 't vernuft verknoeid heeft. Zweeft Zulima als de Lenteroos voor uwe oogen, schilder haar als deeze Koningin der bloemen; de Roos en Zulima zullen 'er bij winnen. Maar hebt gij vooraf gedacht: men zou Zulima bij de Roos kunnen vergelijken; hebt gij naar overeenkomsten gezocht; uwe Roos zal altijd eene zeer verlepte Roos, of een kunstbloem zijn, maar gewis niet de Roos der Natuur, door den dageraad met daauw overademd; en Zulima? Zij zal waarlijk den Dichter weinig verpligting voor zijne vergelijking hebben.
De eenvouwigheid (5) is een wezenlijk vereischte van het Minnedicht. Wanneer wij
de Liefde schilderen, mogen wij onze toevlugt tot bijsieraaden neemen; maar als zij zelve uit onze Lier toont, zal ze, even als de eenvouwig bevallige Jonische Zuil, alle loofwerk versmaaden. Ons vernuft speelt eene aanzienlijke rol in het eerste geval, en dit bemint altijd eene zekere omslagtigheid; ons hart draagt alleen de kosten in het laatste, en dit verwerpt alles, wat niet warm en lijnrecht tot het wit leidt. Het walgt van alle die verfijningen, welke de Weelde uitvond, van alle die convenances, welke de groote waereld tot regelen maakte; het zoekt bij de Natuur zelve voedsel voor zijne behoeften, en vindt daar verzaadiging. De taal van het hart heeft haare metaphoren en figuuren (6), maar hoe oneindig verschillen ze van die van den geest! De laatsten zijn altijd uit den beschaafden kring genomen, daar wij in omgedreeven
worden (7); ze zijn op zich zelve koud galant, en ontvangen alle haare waarde van de kunst, van de overwonnen moeilijkheid; maar nog overal draagen ze de duidelijkste kenmerken, hoe veel arbeid de Zege gekost hebbe. De eersten schijnen door de Natuur zelve aangeboden te zijn, ze verraaden
geen kunst ter waereld; warm en bezield als de Natuur zelve, is de eenvouwigheid haar schoonste opschik, en eene beminnelijke nalaatigheid haare hoogste waarde. Liefde, die sieraaden zoekt, is geene Liefde. Bij de Natuur recht ze haaren zetel op; van haar ontleent ze haare taal; in haaren schoot schuilt ze voor de besmetting der Weelde, en zo lang haar de voorbijmurmelende beek, de met riet gedekte hut, de overschaduwende eik, tot genoegzaamen rijkdom verstrekt, is ze verzekerd, aan deeze besmetting ontvlooden te zijn. De reden, waarom wij zo zeer veel van de oude Minnedichten houden, en nu nog zo graag stukjes in den smaak van den Riddertijd leezen, is in deeze beminlijke eenvouwigheid voornaamlijk gelegen. Wij zijn dan voor een oogenblik in 't geval van iemand, die, na den gantschen Winter in een dompig berookt vertrek gezeten te hebben, ijlings, aan den morgen van den schoonsten Lentedag, op den bloemrijken heuvel van een bekoorlijk Landschap geplaatst word - wij voelen de volle Natuur, die wij verlaaten hebben. Ik weet wel, dat het ons niet mooglijk zij, die eenvouwigheid in onze Minnedichten te bereiken, welke 'er die gelukkige tijden in plaatsten; onze
Zeeden zijn te veel anders (80), en de weinigen, wien het gelukt is, is het daar gelukt, waar zij, geheel van dien tijd doordrongen, boven alle de eenvouwigheid, die ze zelven bezaten, oude stukjes nabootsten, en dan nog gedachten, taal, wending, spreekwijzen, uitdrukking, van dien tijd ontleenden. Mooglijk zullen wij hier weinig be-
ters tot een voorbeeld kunnen opgeven, dan de volgende Romanze van Moncrif (9):
Maar zonder deezen graad van eenvouwigheid te bereiken is 'er een, meer naar onze Eeuw bereekend, die ook genoegzaam is (en mooglijk zelfs geschikter, wijl alle uiterstens zelden voordeel aanbrengen, en den weg, die te rug te leggen, is, te oneindig vertoonen) om ons weêr nader tot de natuur te brengen, en van lieverlee op haare waare schoonheid en vreugde verliefd te maaken. Gessner (10) kan over 't Alge-
meen in zijne Idijllen hier tot een voorbeeld verstrekkken, en Florian heeft in deezen laatsten tijd duidelijk getoond, dat deeze verdienste voor de Franschen ook nog niet onherstelbaar verlooren zij. Ik zoude u hier gemaklijk een voorbeeld uit een van deeze Schrijveren aan kunnen bieden; maar gij zult voor deeze keer mooglijk liever met een onuitgegeeven stukje gediend zijn. Is het minder volmaakt, het is toch niet geheel van de eenvouwigheid beroofd, die wij hier aanprijzen. Jammer maar, dat het alleen een brok zij!
Maar gaan wij tot ons laatste vereischte over. Het Minnedicht, als taal, als zucht, der liefde zelve, moet den hoogsten graad van natuurlijkheid bezitten. Naar maate het dit vereischte mist, spreekt 'er zeker de waare Liefde minder in. Het mooge aan menschen, die geene natuur meer gevoelen kunnen, behaagen; een groot aantal onzer Vrouwen mooge het toelagchen, en in de daad
het is de eenige triumf, daar deeze soort van Schoonen meer op roemen kan; aan een onbedorven smaak zal het walgen, even als het Wieland (11) walgde, de kunstige gelijkmaatigheid, de in koddige gedaanten geschooren boomen, en die in één punt t'zaamenloopende, naar het snoer getoogene haagen onzer lusthoven, in Arkadische gewesten overgebragt te zien; en zeker zal het niemand medesleepen. De waare Liefde wordt, gelijk wij gezien hebben, onder ons, over 't algemeen voor een ridicule gehouden (12); mooglijk hebben daar de me-
nigte van onnatuurlijke Minnedichten, vooral die der Franschen, welke toch 't meest bij ons geleezen worden, veel toe medegewerkt; het gevoel de taal van 't vernuft in den mond te leggen, heeft ongetwijffeld iets ten hoogsten belagchlijks; van aandoeningen, van zuchten, van traanen, van lijden te spreken, en overal eene tegenwoordigheid van geest te verraaden, die, gelijk Riedel zegt (13), met de kunstigste touren en gezochtste beelden en antithesen, naar willekeur schermen kan; eene Vrouw met eene enkele streep van de pen alle volmaaktheden te leenen, en teffens door zijne grove uitdrukkingen duidelijk te toonen, dat men
zeer overtuigd moet zijn, dat ze zelfs geene enkele dier deugden, welke haare Kunne tot eer verstrekken, bezitte; over haare wreedheid geestig te klaagen, en te gelijk overal te staaven, dat men het zelfs niet noodig keure, haare kieschheid en schaamte te ontzien; dit zeker verwekt lagchen, of afkeer, naar maate wij gesteld zijn. Ondertusschen is de natuur zelve nimmer belagchlijk; zij is dit voor de meest verdorven menschen niet. Van hier dat wij met alle onze verfijningen en behoeften niet na kunnen laaten, voor eenige oogenblikken de waarde van een goed Minnedichtje te gevoelen. Het moge dan ook zo somber zijn, als het wil, zo dra het natuurlijk is, zullen wij het nimmer, ten minsten niet ter goeder trouwe, belagchlijk vinden.
Maar van dit vereischte zal ik, wat de natuurlijke taal der Liefde betreft, niet meer noodig hebben te spreeken. 't Geen ik reeds over de eenvouwigheid gezegd hebbe, zet ook dit genoegzaam in 't licht. Liever wil ik hier nog eenige aanmerkingen bijvoegen die de uitwendige gedaante van het Minnedicht betreffen, in zo verre het een produkt van de kunst wordt, in zo verre het in verzen onder ons verschijnt. Ook hier wordt
de grootste natuurlijkheid vereischt, op dat de Dichter den Minnaar niet schijne te verdringen, en dit leidt ons van zelf tot den Lierzang, die eigentlijk de uitdrukking van 't gevoel door woorden is (14). Hier alleen zal de Minnedichter die vrijheid vinden, welke het gevoel vereischt, om zich onbepaald, ongedwongen, uit te kunnen storten. Hier zal hij dat metrum kunnen verkiezen, dat de natuur zijner aandoening vereischt; ligt, zangerig, vrolijk, treurig, somber, stroef; in een woord, juist zo als zijn hart het begeert; hier behoeft hij zijn gevoel vooraf niet te berekenen; niet zachtkens aanteheffen, niet naar eisch te klimmen en te daalen; zijne gewaarwording mag terstond uitbarsten, zo als ze is; al was zijn eerste toon dan die der verrukking ook. Hier is hij aan geene andere eenheid, dan aan die van zijn gevoel verbonden: hij mag afwijken, waar zijn gevoel afwijkt, overgangen maaken, zo als de hartstocht ze maakt. Alles
wat de drift, die uit hem spreekt, meer natuurlijk kenbaar maakt, verheft de schoonheid van den Lierzang naar eigen maate (15).
Ik begrijpe dus, dat 'er geen eigentlijk Minnelied zij, dat teffens geen Lierzang is. Zo dra de Liefde zelve in het Minnelied spreekt, heeft ieder Minnelied het wezen van den Lierzang. Ik kan zelfs niet gelooven, dat het voor den waaren Minnezanger doenlijk ware, zijn gevoel in Alexandrijnsche verzen te dwingen, en zo hij het deed, zou hij gewis zo weinig over zijn voortbrengsel te vreden zijn, dat hij 'er nimmer de gewaarwording van zijn hart in zou erkennen. Het gevoel ademt eenvouwig in het Minnelied, en bepaald het tedere gevoel der Liefde; het moet zich in zijne woorden niet te voegen hebben naar eenen afgemeeten regel, naar eene zekere lengte, die altijd gevuld moet worden; integendeel het moet geheel vrij de lengte of korte van het vers zelf maaken, naar maate het woor-
den behoeft, om zich uittedrukken; beweging, harmonie, rhijthmus, om deeze woorden te ondersteunen en krachtiger te maaken.
De Elegie zoude ik hier intusschen niet uitsluiten. Ik voor mij heb altijd begreepen, dat ze tot de Ode, althans in haaren oorsprong beschouwd, behoore; en zo men dit al niet toe mogt stemmen, zal men met Batteux (16) ten minsten moeten belijden, dat ze als een aanhangsel van de Ode moet beschouwd worden. Is ze in de daad niet aan de aandoening en vertedering van 't hart toegewijd (17)? Heeft ze (vooral
zo als wij ze gebruiken, eene beurteling sleepende en staande regel) niet iets treurigs, althans teder musiekaliesch, dat haar bepaald tot een' klaagzang vormt? Ook laat de goede Elegie zich gewoonlijk in vierregelige coupletten verdeelen. Ik weet wel dat men ze bij ons ook tot vrolijke onderwerpen gebruikt; maar ik weet teffens dat deeze onderwerpen, zo dra ze bij hunne vrolijkheid niet te gelijk eene zekere verte-
dering des harten verwekken moeten, altijd gelukkiger in eene andere soort van verzen te behandelen waren. Ten minsten mij geeft het metrum van de Elegie altijd eene naar 't sombere hellende gewaarwording. Oordeel zelf; Eloïze spreekt:
Maar mooglijk zult gij zeggen: dit doen de gedachten, en niet het metrum. Zeker doen de gedachten hier veel; maar niet alles; het metrum ondersteunt ze wel degelijk. De volgende regels hebben louter lagchende denkbeelden, en echter hoor ik 'er den eigen adagiotoon in:
Om dit volkomen te voelen, behoeft gij
de laatste denkbeelden, maar in een vrolijk metrum te brengen, als dat van Poot bij voorbeeld:
Of dit lagchend, rollend couplet van Poot in het metrum van de Elegie b.v.
Dat deeze vier regels slecht zijn, behoeft gij mij niet te zeggen; de vraag is maar, of gij 'er de aanmerking, waartoe ik ze hier aanvoer, niet in bevestigd vindt, en dan hebben ze aan mijn oogmerk voldaan.
Wat hier van zij, de volgende schoone verzen, uit eene Elegie van Tibullus (19), behooren zeker tot het waare Minnedicht:
Ook zoude ik niet graag aan de volgende,
onuitgegeven, Nederlandsche Elegie deezen rang betwist zien:
Meer zal ik hier thands niet bijvoegen. Over 't algemeen, denk ik, dat gij het Minnedicht kennen zult, althans voor zo verre het zich voor 't gevoel beschrijven laat; en wat deszelfs verschillende soorten betreft, hier over hoop ik u in mijnen volgenden brief nader te onderhouden.