Toen Wieland (1) zijnen Lezeren vertelde, dat 'er eigentlijk drieërleie soort van Liefde ware, moest hij, naar mijne gedachten, gezegd hebben, dat de waare liefde tweeërlei voornaame verbasteringen ondergaan konde, te gevaarlijker, om dat ze beide haar den schijn der waare liefde overlieten.
Daar ik in deezen brief u eenige handleiding wilde poogen aantebieden, om het Minnedicht te rangschikken (want in de daad, men kan de stukjes van Anaoreon en Ovidius, van Hooft, Poot en Klopstock, om maar iets te noemen, schoon alle Minnedichten, niet wel tot eene klasse brengen) en ik levendig gevoel, hoe moeilijk het hier zij, ook maar als in 't ver-
schiet bepaalingen te maaken, zal ik liefst 's mans gedachten hier vooraf opgeven. Zij zullen mijne verdeeling van 't Minnedicht licht bijzetten.
Als de Schrijver der Bevalligheden de liefde tot drie soorten brengt, is de eerste bij hem de eenvouwige, dierlijke natuurdrift der beide Kunnen tot elkander. Zij gelijkt, zegt hij, die soort van liefde, welke een weltoebereide Rostbeef een' mensch inboezemt, die eenen goeden eetlust bezit.
De tweede is eene liefde van sympathie, eene harmonie der harten, eene geheime verwantschap der zielen, welke zich voor de zodaanigen, die haar bij eigen ondervinding niet kennen, onmooglijk recht beschrijven laat; eene liefde, aan welk het hart en de geest meer aandeel nemen dan de zinnen, en welke mooglijk de eenige soort van verbinding is, die, indien ze algemeen zijn kon, in staat ware, om aan stervelingen eenig begrip te geven van de verbindtenissen en genoegens der hemelsche Geesten. Deeze, zegt Wieland, is de volstrekte tegenvoeteling van de eerste.
Eindelijk is de derde soort die liefde waarin de beide voorige soorten zich in elkander smelten; die liefde, welk de de zin-
nen, den geest en het hart te gelijk betovert; de herftigste, de aantrekkelijkste, en de gevaarlijkste van alle hartstochten.
Gij ziet terstond, dat onder deeze drie zogenoemde soorten de tweede alleen de waare Liefde zij, en de Man, die ons met zo veel nadruk op eene andere plaats van zijne schriften verzekert, dat de vertedering der Liefde de Deugd voordeeliger is, dan men gewoonlijk denkt, dat de eerste, om zich zelven gelijk te blijven, volstrekt geene liefde moeten noemen. En wat de laatste betreft, zij is eigentlijk geene soort van Liefde op haar eigen, om dat de vermenging, die Wieland hier droomt, onmooglijk, naar zijne eigen uitdrukking als antipode, onmooglijk is. Het is zeer mogelijk, dat de deugd en ondeugd, de waare liefde en de dierlijke wellust, beurteling het zwakke menschelijk hart, daar zo veele uitwendige omstandigheden op invloeien, beheerschen; maar vermengen laaten ze zich wel niet. Zijne laatste soort is eenvouwig het geval, waarin de wellust somtijds de liefde overschreeuwt, en somtijds weder door de liefde overwonnen wordt; waarin nu eens het hart en de geest het gebied over de zinnen in handen hebben, dan weder de zinnen het
hart en den geest in slavernij houden; in de daad een gevaarlijke toestand voor den mensch, die, als 't ware, de grenzen van de deugd en van de ondeugd voor zijne oogen verbergt, en hem meenigwerf waanen doet aan de Hemelsche Venus te offeren, terwijl hij de loutre aardsche met onbekrompen handen wierook toezwaait. De middelste wordt alleen met recht Liefde genaamd; zij is in den grond de waare Liefde; zij behoort niet tot de Engelen, maar geheel tot den Mensch; de zinnen deelen in haare zaligheid; maar zij deelen 'er zo in, dat het hart en de geest altijd den boventoon houden, en aan de zinnen, om zo te spreken, den beker van derzelver geneuchte toereiken.
Zo wij inmiddels deeze rangschikking aannamen, zoude het gemaklijk zijn het Minnedicht te verdeelen, en ieder van deeze soorten van liefde had dan het zijne. Tot de eerste zouden dan behooren die onreine voortbrengselen van het menschelijk hart of vernuft, welke bij alle beschaafde Volkeren niet dan te veel aan te treffen zijn, en die ze in de daad Minnedichten, Poësie erotique, of iets diergelijks noemen. Bij de Romeinen kunnen wij 'er modellen genoeg van vinden; het bekende: Aestus eras & c. van
Ovidius en soortgelijken hebben alle aanspraak om in deezen rang geplaatst te worden. Deeze gevaarlijke kunststukken, te gevaarlijker naar maate ze, als kunststukken beschouwd, schooner zijn, ontvangen door hunne kieschheid zelve een doodelijker vergift; zij verheffen het dierlijke in den mensch, en poogen 'er den Engel onder te doen stikken. Verwerpen wij, uit achting voor de waare Liefde, deeze ongelukkige produkten der kunst uit den rang der Minnedichten! Het Hoerenlied kan de rampzalige verdienste hebben van door het gevoel voortgebragt te zijn; maar het is dat gevoel niet, daar wij onze waarde bij afmeeten, dat ons onder de aanlokking eener edele daad zachtkens toefluistert: o Mensch! gedenkt dat gij onsterflijk zijt!
Den jongen Dichteren, die, door eene verkeerde (2) en ontijdige navolging der Ou-
den, geneigdheid voelen om hunne talenten in dit vak te doen schitteren, biede ik ter nadere overweging de volgende plaats uit Sulzer (3) aan:
‘Liefde, in ruuwe of door wellust verwilderde menschen, die enkel op eene woeste bevreediging der ligchaamlijke behoefte mikt, kan, naar den toestand der omstandigheden, in eenen hoogstgevaarlijken hartstocht uitbarsten, en bij uitstek verderflijke gevolgen na zich sleepen.
Deeze door behulp der schoone kunsten nog meer aantezetten; in het reeds verteerend vuur nog meer olie te gieten, is het schandelijkste misbruik, waar aan zich de Dichter en Schilder maar al te dikwerf schuldig maaken. Voor werken, die bloot tot laagen wellust aanprikkelen, laaten zich hoe genaamd geene verschooningen inbrengen, die bij verstandige menschen den geringsten indruk zouden hebben. De dierlijke aandrift, voor zo ver haar de Natuur behoeft, is bij menschen, die hun temperament niet door buitensporigheden vernield hebben, altijd sterk en levendig genoeg; dus is het dwaasheid haar boven haar doeleinde aantevuuren: maar voor verworpen Wellustelingen te arbeiden, vernedert den Kusntenaar. Wie zou, zonder van schaamte te bloozen, zich tot een' dienaar van zulke, onder het Dier verzonken, menschen maaken, al waren ze dan ook van den hoogsten stand?’
Tot de tweede zouden wij dan het waare Minnedicht kunnen brengen, de stukjes van Petrarcha op Laura, bij voorbeeld; van Klopstock op Cidli, en alle die beminlijke Gedichtjes, die ons de Liefde als de volmaakst-
er van ons wezen, als de eeuwige Gezellin der Natuur en Onschuld doen kennen, en ons door dezelve op beiden doen verlieven, tot beiden te rug brengen.
Tot de derde, die halve Minnedichtjes, halve hoerenliederen, welke ongelukkig geen gering vak in de Dichtkunst der mee te beschaafde Volkeren beslaan. Zo zijn verscheiden gedichten van Oviduis, Tibullus, Catullus; zo zullen de versen van Abelard op Eloïze geweest zijn; zo zijn verscheiden Minnedichten onder ons, die ik u echter niet verkies nader op te geven. Tot de besten nog van deeze soort behoort Poots Beddepraat tusschen Mars en Venus.
Maar gij voelt, mijn Vriend! dat hier de zaak niet mede afgedaan is, en dat wij, naar Wieland, dan eigentlijk maar eene soort van waare Minnedichten zouden bezitten; behalven dat 'er altijd nog bijzondere soorten overig zouden blijven, die zich volstrekt tot geen van de drie genoemden laaten brengen; de anacreontische Lierzang, bij voorbeeld; ik meen die losse, als 't ware, daarheen geblaazen bloempjes, die meer de rust dan de onrust van 't hart voortbragt, en welke eer eene stille, dan eene door hartstochten beroerde ziel verraaden.
Liever zoude ik het Minnedicht tot de drie volgende soorten bepaalen. Denk ze zelf eens door, mijn Vriend! Want ik biede ze u alleen als een idé van mij aan, dat u mooglijk op iets beters zal helpen. Alles laat 'er zich, dunkt mij, redelijk wel in schikken, en ten minsten wordt het door onze voorige aanmerkingen over de liefde in verschillende eeuwen en onder verscheiden volkeren niet wedersprooken.
Tot mijne eerste klasse brenge ik den zachten Minnezang, en daar verstaa ik dan door die lieve stukjes, die niet zo zeer door de liefde zelve, als wel door haar voorgevoel, door de vatbaarheid voor de liefde, ingegeven werden.
Tot mijne tweede behoort het nationaale Minnedicht, dat ieder Volk bijzonder bezit, en 't welk niet door de liefde, zo als ze overal en in alle tijden een was, maar door de liefde, naar het karakter en de zeeden van ieder volk en in elke eeuw berekend, voortgebragt wordt.
En eindelijk tot mijn derde, het hooge Minnedicht, het Minnedicht bij uitnemendheid, de zucht der waare, onverdeelbaare, zich zelve altijd gelijkblijvende Liefde.
Ik zal mij nader verklaaren, en mijne ge-
dachten voor u poogen te ontwikkelen. Laat mij met den zachten Minnezang een' aanvang maaken.
'Er zijn harten vatbaar voor de Liefde, en die 'er als 't ware het voorgevoel van bezitten, zonder dan nog een bepaald voorwerp te beminnen (4) Ze zijn kenbaar aan de volgende trekken. In die vormende jaaren van het leven, waarin alles nog om ons heen lagcht en speelt, trekt hen de Natuur met een onwederstaanbaar geweld aan zich. Zij beminnen de velden, en alle de tooneelen, die de Lente hun aanbiedt; maar
geene zo uitsluitend als de sombere bosschen en ruischende watervallen. Hier slijten ze hunne meest geliefkoosde uuren; hier breidt zich hun gevoel uit; hier verfijnt het zich om duizend gewaarwordingen te kunnen genieten, die over het gros der stervelingen heen waaien, maar die hem meer met den adel hunner natuur gemeen maaken, meer naar hooger genoegens doen dorsten (5). Hunne verbeeldingskracht wordt van lieverlee aan 't werken gebragt; maar met de kalmte en zachtheid van de beek, die aan hunne voeten murmelt. 't Is de natuur zelve,
die hen voorbereidt tot de liefde (6), die de bosschen voor hunne verbeelding met Nimfen bevolkt, en Velden met Herderinnen. Rusten ze aan het oevergras eener beek, eene Beminde, het ideaal, dat hun donker, maar voor hun hart zeer kenbaar,
voor oogen zweeft (7), spiegelt zich aan hunne zijde in 't kristal of spreekt met de golfjes, die langzaamer schijne voorttespoeien. Overdekt hen de schaduw der Wouden, het eigen ideaal heeft 'er hen in verzeld; het zucht in de koeltjes, wappert in de telgjes, klaagt in den Nachtegaal. Soortgelijke harten zijn geschapen voor de Liefde, schoon ze dan ook nimmer een bepaald voorwerp beminden, en dit voorgevoel sterker of flaauwer, edeler en vrijer of meer naar den smaak der tijden verwrongen, brengt den zachten Minnezang voort. Hij is nu eens enkel bevallig en teder, zo als de meeste stukjes van Anacreon; b.v.:
dan weder eene zachte droefgeestigheid ademende, zo als het volgende lieve gedichtje van Florian:
nu een schalkachtig geestig, zo als veele stukjes van onzen grooten Hooft; b.v.
dan weder enkel naïf, zo als het favoriet stukje van Scaligerz bij Horatius:
Donec gratus eram & c. en het volgende van Florian:
Nu eens de geheele natuur als bezielende en in betrekking tot de liefde vertoonende,
zo als veel bij Poot, vooral in de Maan bij Endymion, en in zijn bevallig stukje: Hier heeft mij Rozemond bescheiden enz. Tot een voorbeeld zal ik u hier eenige onuitgegeven coupletten aanbieden:
Duld dat ik hier het allerliefste volgend versje van Hooft, wien ik in zijne Minnezangetjes zo graag uitschrijf, nog bijvoege:
Dan weder schertsende en lagchende, zo als veel stukjes bij Cronegk, en het volgende van den Heer Staring bij ons:
En eindelijk, om niets meer te noemen, schoon ik deeze soort in de eerste plaats
had moeten noemen, vol waare tederheid, maar door fijne zedelijke gevoelens veradeld. Onder de gedichtjes aan Elize van den Heer van Alphen vinden wij 'er eenigen, die hier toe behooren. Het volgende van Gleim moge ons thans tot een voorbeeld verstrekken:
Maar welk eene gedaante deeze soort van Minnezang ook aanneme, altijd is hij kenbaar aan de rust, die in hem heerscht, en die eene ziel, vrij van eene heerschende hartstocht, aanwijst, schoon zij alle voorwerpen in betrekking tot de liefde beschouwe. Van hier dat hij eigentlijk niet tot het Pathos, maar tot het ethos behoore. ‘De Grieken, zegt Sulzer (10), plaatsten over 't algemeen het Pathos wel tegen het Ethos over; maar ook in deeze tegenoverstelling zelve schijnen ze onder het Pathos alleen het groote der hartstochten te verstaan, en het louter zachte en aangenaame hartstochtelijke nog onder het ethos te rekenen. Longinus zegt met even zo veele woorden, dat het Pathos zo naauw met het ver-
hevene verbonden zij, als het Ethos met het zachte en aangenaame.
Maar welk een zedelijk nut brengen deeze soorten van Minnezangetjes aan? hoor ik, dunkt mij, hier een aantal menschen vraagen. Het eigen nut, mijne Vrienden! daar ik in mijnen voorigen brief reeds gewag van maakte. Zij brengen ons ongevoelig tot de natuur en tot de onschuld weder, ten minsten, zo 'er wederbrengen met ons aan is. ‘Hoe komt het, vraagt de straksgenoemde Wijsgeer (11), dat de moreele naïfheid, eener Zilia b.v. of van de zegevierende Sunith, ons zo sterk en tot verrukkens toe bevalt? Ongetwijffeld wijl 'er niets schooners is, dan de waare onschuld eener ziel, die zich altijd ontblooten durft, zonder beschaamd te worden. Zulk een aanblik moet ons zedelijk gevoel noodwendig meer vermaak verschaffen, dan eenige andere schoonheid doen kan.’ Ik kan 'er nog bijvoegen, dat het voor een eeuw als de onze, zo rijk in vermaaken, als arm in waare vreugde van 't hart, altijd nuttig is tot de tafereelen dier wellust verwezen te worden, die, ja het hart levendig inneemt,
maar nimmer, zonder eene getrouwe aankleving der Natuur en eene onschuldige ziel, genooten kan worden. Ook kan deeze soort van Minnedichten oneindig veel tot veradeling der gewaarwording bijbrengen, en wanneer 'er ten laatsten ook niets anders dan de naïve uitdrukking eener onschuldige gewaarwording in te vinden ware, dan zijn ze ten minsten hoogst aangenaam.
De onschuldigste tijden en de beste harten hebben deeze liederen het meeste voortgebragt. Sulzer roemt de oude duitsche Minnezangers van de 13de Eeuw in dit vak zo sterk, als de Franschen hunne Poëtes Provençaux doen. Hij zegt, dat ze, bij hunne eenvouwigheid en bescheidenheid, aartigheid en eene bevallige ongekunstelde betaamlijkheid bezitten, dat de meeste hunner gedichten door den geest der zedige en hartelijke liefde bezield zijn, en dat ze de taal der gewaarwordingen uit ervaaring kende. Gij kunt deeze antique stukjes voor een groot gedeelte bij Bodmer vinden, in zijne Proeven van de oude Dichtkunst der Schwaben. De Baron van Bielfeld, die hier Bodmer uitschrijft, schijnt de volle waarde deezer naïve stukjes niet gevoeld te hebben. Hij prijst ze echter, maar meer met den
van iemand, die het op zich genomen had om de duitsche Literatuur gunstig te doen kennen, dan met dien, welke zijne leezers overreeden kan, dat hij ze verstaan en gevoeld hebbe (12).
Over 't algemeen wordt het schoone van deezen zachten Minnezang, en vooral van den bepaald Anakreontischen, niemand door raisonnementen en theoriën aan 't ver-
stand gebragt; men moet het terstond gevoelen of men is 'er voor verlooren; het behoort tot die dingen, daar Madame De Sevigne zo wel van zegt: Il y a de certaines choses qu'on n'entend jamais, quand on ne les entend pas d'abord.
De Schoonen, die na dit alles deeze soort van Minnezangetjes, zo als wij ze bepaald hebben, nog wraaken mogten, bieden zij ter nadere overweging het volgende versje van Dorat (13)
aan, terwijl wij ons tot onze tweede klasse, evenwel in eenen volgenden brief, heen spoeden: