Die Minneliederen, welke ieder Volk op zijn eigen hand bezit, waarin wel de waare Liefde spreekt; maar de waare Liefde naar het karakter, de begrippen en zeeden van ieder Volk in 't bijzonder berekend, brenge ik tot mijne tweede klasse: het Nationaale Minnedicht.
Ik zal hier kort kunnen zijn, om dat gij de meeste aanmerkingen en voorbeelden, die hier toe behooren, in het voorige Deel mijner Brieven reeds vindt. Herinner u wat ik van de Liefde onder de Bergschotten, ten tijde der Ridderschap en vervolgens, gezegd hebbe. De uit elkander loopende bijbegrippen, die bij de eigen gewaarwording der Liefde, in het Oosten, in het Westen, in het Zuiden, in het Noorden, gevonden worden; de verschillende toon, die hier door in de Minnedichten van verschillende
Volkeren heerscht en natuurlijk heerschen moet; maaken het eigenaartige van het Nationaale Minnedicht uit.
Om u hier zo duidelijk te zijn, als mij doenlijk is, wil ik veronderstellen, dat wij, het zelfde van welke Natie, een Minnedicht lezen, waarin de Liefde alleen spreekt, zonder bijbegrip, zonder iets, dat naar den grond riekt, waarop het gebooren werd.
Dit vers zullen wij, zullen alle Volkeren, die de Liefde kennen, toejuichen, zonder eenige critique omtrent de wijze, op welke de Dichter de Liefde behandeld hebbe. Maar nu een Minnedicht naar de zeeden van het Volk, waaronder het vervaardigd werdt - daarin zullen wij terstond vallen juist op dat geene, dat het tot een nationaal Minnedicht maakt, en ieder Volk zal dit met ons doen, en meer, sterker, naar maate de onderlinge zeeden van elkander meer, sterker, verschillen. Zo zullen wij de Oostersche Minneliederen (mooglijk de minst obsceenen, die 'er bestaan) voor te obsceen verklaaren; de Griekschen en Romeinschen voor hoerenliedjes, ook waar het geen hoerenliedjes zijn; de Spaanschen voor rodomontade-deuntjes; de Italiaanschen voor louter onstoffelijke harsenschimmen; de Franschen voor geesti-
ge kwinkslagen; en die eigen Volkeren zullen op hunne beurt onze Minneliederen voor platte, boersche, geestelooze klanken keuren.
De groote vraag is hier maar: in hoe verre zal de Dichter bepaald voor zijne Landgenooten schrijven? Dit verdient in eene briefwisseling over het Minnedicht al onze aandacht.
Over 't algemeen kan men niet ontkennen, dat hij den hoogsten graad in zijne kunst bereikt hebbe, die voor 't Menschdom dicht. Maar behalven de verbaazende en dikwerf onverwinnelijke moeilijkheid, die dit in heeft, schijnt 'er ook dat nut niet uit voort te vloeien, 't welk men in den eersten opslag wel verwachten zou. Om ons van het eerste te overtuigen, behoeven wij ons maar te herinneren, hoe zeer de Liefde bij ieder Volk, dat in eene geregelde Maatschappij leeft, aan zekere bijbegrippen verbonden is, die 'er of schaars, of volstrekt niet, van aftescheiden zijn. Ik spreek hier altijd van de waare Liefde; want in mijne voorige brieven heb ik mij sterk genoeg uitgelaaten tegen die Liefde, die eigentlijk niets dan eene andere hartstocht onder haaren naam is. Maar ook op de waare Liefde vloeien zekere bijbegrippen in, die haar bijna
immer naar den grond doen rieken, waarop ze geboren werdt. Zo aast, bij voorbeeld, alle echte Liefde uit haare natuur op volmaaking; wie waarlijk bemint, poogt zich voor het Voorwerp zijner genegenheid geduurig voortreffelijker te maaken, en zeker waar deeze zucht in 't hart niet woont, woont ook de Liefde niet. Naar de flaauwheid of sterkte van de eerste is juist altijd de laatste groot of klein.
Maar denken nu alle Volkeren en Eeuwen altijd eenpaarig over voortreffelijkheid en volmaaking? De Bergschot zal, zo dra hij bemint, naar den roem van voor zijn Vaderland te sterven, naar den roem van in de Gezangen der Barden te leven, staan; de Ridder naar dien van vroomheid, dapperheid en trouwe; en zo overal. In de Minnedichten van beide deeze Volkeren zal dus altijd, gelijk wij reeds gezien hebben, de Liefde met deeze voortreffelijkheden hand aan hand gaan, en uit dezelve zal ieder, die met de zeeden deezer Volkeren bekend is, oogenblikkelijk ontdekken, in wat land en in welke eeuw ze gedicht zijn. Zo het nu al niet onmogelijk zij, deeze Nationaale bijbegrippen van de Liefde aftescheiden, zal men toch moeten bekennen, dat het zeer,
zeer moeilijk is. Men moet dan een' Wijsgeer veronderstellen, die boven al den indruk, welken gewoonte en zeeden, van onze eerste jeugd af aan, op ons maaken, verheven, de waare en eeuwige voortreffelijkheeden van den mensch, zo als die overal, onafhanglijk van zeeden en begrippen, dezelde zijn, kent en eenig voor wezenlijke volmaaktheden keurt. Maar dan weer mijne tweede zwarigheid? Zal uit de Dichtstukken van zodaanig een Dichter dat nut voortvloeien, dat men 'er in den eersten opslag uit verwachten zou? 't Is waar, (hij dicht dan voor 't menschdom; dat is, niet voor dit of dat volk alleen; maar gelijkelijk voor alle volkeren. Ondertusschen voelt gij reeds dat dit meer schijnt te zeggen, dat het, van nabij beschouwd, in de daad zegt; want wie zal hem lezen, wie hem voelen, en aanhangen uit dat Menschdom? Hier en daar een enkel, zeer enkel edelgevoelend wezen, die, even onbevooroordeeld als hij, even zeer boven eeuw en volksbegrippen verheven, zijne aangeprezen voortreffelijkheid kent en najaagt. En dus betekent in deezen zin den Dichter, die voor 't Menschdom dicht, gewoonlijk den Minnedichter, die voor een hand vol menschen dicht, welke hier en daar in een verschoven
hoekje over den aardbodem verspreid zijn (1).
Maar hier komt meer bij. Elk Dichter is in de eerste plaats verpligt, nuttig voor zijne Natie te zijn. Deeze mist hem dan geheel, ten minsten bijna geheel. Heeft de ondervinding ons niet genoeg geleerd, dat alle voortreffelijkheden, die met den geest der Natie, daar wij onder leven, op dat oogenblik niet stemmen, voor overgedreven harsenschimmen verklaard, en, op zijn genadigst, belagcht worden (2)?
De Dichter schrijve dus voor zijne Natie. De Minnedichter onder ons doe het in de eerste plaats, want in dit vak vooral kan hij het allergrootste nut doen. Nergens is de hervorming noodiger, om dat, naar mijne gedachten, alle onze rampen, zo wat onze bijzondere zeeden, als wat onze staatsgesteldheid betreft, oorspronglijk uit onze ongelukkige Echtverbindtenissen voortspruiten. Dit is de eerste bron van 't verderf, en zonder het begin der hervorming hier aan te vangen, zal al het overige dwaasheid zijn, en, op zijn best, op eene zeer kort-
stondige hervorming uitloopen. Wie voor het volgend geslacht zorgen wil, of, met andere woorden, wie de opvoeding der kinderen verbeteren wil, zonder eerst gelukkige huwelijken te bewerken, begaat juist dezelfde dwaasheid als hij, die waare Vaderlandsliefde predikt, zonder de Weelde aantetasten. Bewerk onder een Volk gelukkige huwelijken en de opvoeding der jeugd zal van zelve daar zijn; verlos een Volk van de Weelde, en gij zult van zelven een zeer Vaderlandlievend Volk voor uwe oogen zien. Maar nu tast niets de Weelde zo zeer in haaren oorsprong aan, dan de waare Liefde. Waar zij valt, zijn duizend nooden, duizend behoeften verdweenen; het goud heeft daar zijne waarde verlooren, en de geheele eerzucht is in het geluk en de wederliefde van het beminde voorwerp beslooten (3).
Ik zal hier niets meer van zeggen. Ik heb dit genoeg op andere plaatsen gedaan. Ook ben ik verzekerd, dat gij met mij overtuigd zijt, dat de waare Minnedichter onder ons voor zijne Natie een zeer verdienstelijk werk verricht.
De vraag blijft maar: in hoe verre zal de Minnedichter zich naar den smaak zijner Landgenooten schikken, in hoe verre zal hij bepaald voor dezelve schrijven? Pogen wij dit nog te beantwoorden; want, zo als gij voelt, hier ligt de groote knoop.
Zal hij zich lijnrecht tegen de vooroordeelen kanten, die onder zijne Landgenooten omtrent de Liefde heerschen? Met dit te doen, zijn gewis alle zijne uitzichten op verbetering in eens verdweenen. Men zal hem bespotten of vervolgen; baardlooze Jongelingen zullen om hem lagchen, en hier mede zou al het nut, dat hij bedoelde, een einde nemen. Zal hij, daarentegen, de vooroordeelen, die hij vindt, blindelings involgen, en op het algemeen betreeden pad den gewoonen Schaapengang mede aannemen en met nieuwe drift voortzetten? Dit ware het verderf rechtstreeks in de hand te werken en optebouwen, althans te versterken, wat toch eenmaal voor het geluk des menschdoms afgebroken moet worden. Wat dan? Hij zal zich voor deeze beide uiterstens even zorgvuldig hoeden. Zijn heerschend doelwit, om nuttig te zijn, om te verbeteren, om meer tevredenheid, meer deugd en geluk om zich heen te verspreiden, zal hem
terstond een onderscheid leeren maaken tusschen vooroordeelen en vooroordeelen. De zulken, die lijnrecht de Liefde verdringen, die de valsche begrippen omtrent deeze groote bron van aardsche gelukzaligheid versterken, zal hij onbeschroomd, zonder de minste verschooning, aantasten. Hij zal zich nimmer gedragen als of hij rijke Echtverbindtenissen voor zalige Echtverbindtenissen hield; nimmer meer aan het goud toekennen, dan het goud geven kan; of aan het hart en gevoel ontnemen, wat deeze beiden waarlijk en uitsluitend bezitten. In zijne tafereelen zal hij de genoegens der waare liefde zo levendig voor zijne Eeuw ophangen, dat ze daaglijks harten aantrekken, die, om deeze tafereelen voor zich zelven bewaarheid te zien, innig genegen zijn, 'er alle de valsche voordeelen van rijkdom en aardsche grootheid duizendmaal voor opteofferen. De verstrooide Jongeling, het in de waereld verloren Meisje, zullen aan zijne gedichten blijven hangen, zijn daargesteld geluk begeeren, van hunne beuzelachtige vermaaken walgen, voelen hoe zeer weinig 'er van nooden zij, om waarlijk zalig te zijn, en, voor eene verstrooiende, eene alle zaaden van waare menschen-groot-
heid verdrukkende waereld, eene Eenzaamheid (4) verkiezen, die, om 'er geheel ge-
lukkig in te zijn, zo luttel rijkdom vereischt als zij weinig eene andere eerzucht, dan
die op waare zelfverbetering rust, kent.
De Vooroordeelen, daarentegen, die met de waare Liefde tot eenen zekeren graad zeer wel hand aan hand kunnen gaan, en uit den bijzonderen geest, die elk volk karakteriseert, voortvloeien, zal hij verschoonen, althans ontzien, om ze zo veel te zekerer te kunnen verbeteren. Hij zal bij de Italiaanen niet poogen eene nog veel onstoffelijker, bij de Franschen eene nog veel geestiger liefde te schilderen, dan alle zijne voorgangers gedaan hebben; dit zou het verderf
weder in de hand te werken zijn; maar hij zal zich in zo verre naar beiden schikken, dat hij bij de eersten, ja, eene meer onstoffelijke Liefde voorstaat, maar teffens in zijne tafereelen het waare genot overal zo duidelijk, zo beminnelijk boven het harsenschimmige gevoelen laat, dat elk van lieverlee het laatste vergeet, om het eerste alleen te bejaagen; en bij de Franschen, te midden van eene schijnbaare geestigheid (5), het verbazend verschil tusschen de warme taal van 't hart en de koude taal van 't vernuft zo levendig bemerken doet, dat eerlang geen Jongeling, geen Meisje, meer gevaaar loopt
van de eene voor de andere te nemen, of zelfs van de tweede te kunnen dulden, als zij eenmaal aan de eerste gewend zijn.
Staa mij toe, dat ik hier nog een oogenblik bij toeve; bepaald hier wenschte ik meer dan ergens recht en duidelijk verstaan te worden.
Onderstel, dat ik Minnedichter onder eene zeer zinnelijke Natie ben. Zal ik nu voor dezelve eene liefde schilderen, die naar louter intellectueele wezens berekend is, eene liefde, zo als die van Petrarcha voor zijne Laura? Zal ik enkel van de schoonheid der ziel, enkel van die hooge bekoorlijkheid spreken, die meer met de oogen des verstands onmiddelbaar ontdekt, dan door behulp der zinnen vernomen kan worden (6)? Geenzins, al het voordeel dat mij onder mijne Landgenooten hier uit te wachten stond, zou zich tot den eertijtel bepaalen, bij de Vrouwen van eenen beminlijken, bij de Mannen van eenen belagchlijken Dweeper; en het nut - nut deed ik volstrekt
nergens. Den tegenoverliggenden weg dan? Alles zinnelijkheid? Zeker hier zoude een rijke oogst van toejuiching te verwachten zijn; ten minsten wat de menigte betrof. Eene Liefde, die geene hooger zaligheid dan de zaligheid der zinnen kende, zou ongetwijfeld de Liefde van het grootste aantal mijner Landgenooten zijn. Maar wij spraken van verfijnen, veradelen, in een woord, van nuttig te zijn; en gij ziet, dat ik hier, onder al het handgeklap, met de hoogste kunst, toch altijd een waar verderver mijner Natie zijn zoude; ik versterkte haar in haare valsche begrippen van de Liefde; ik vermeerderde zelfs deeze valsche begrippen, en naar maate mijne Minnedichten toverachtiger aantrekkelijk waren, naar de eigen maate werkte ik alle verbetering, die een volgend edeler mensch, en mooglijk grooter Dichter, in het eigen vak zou kunnen aanbrengen, meer lijnrecht uit de hand. Neen, dat de rechtschapen Minnedichter hier zinnelijk zij; dat hij waarlijk den toon, die voor zijne Natie berekend is, aanslaa; maar dat hij hem nooit aanslaa, dan om zijne Landgenooten uit de laagte tot de hoogte te verheffen, om hen van eene al te groote zinnelijkheid, al spelende en schertsende, onmerkbaar te
genezen; dat hij de genoegens der zinnen als waare, als wezenlijke genoegens schildere; maar dat hij teffens met al het vuur zijner kunst voelen, levendig gevoelen doe, hoe deeze genoegens alle hunne waarde, alle hunne duurzaamheid, van de edeler genoegens van het hart en verstand, van het waare Sentimenteele ontvangen; dat hij de Roos in alle haare schoonheid daarstelle, den wellust, dien zij aanbiedt, niet verkleine, maar voor eenen waaren wellust houde; alleen, dat hij zich hoede om deeze lieve bevallige Koningin der Lente eenen adel, eene duurzaamheid te verlenen, die ze niet bezit (7); dat hij hier veel eer haare kort-
stondigheid naar 't leeven maale, om met te meer aantrekkelijkheid het middel aan te kunnen bieden, dat deeze aanminnige Roos eenen adel, eene duurzaamheid geven kan, die zij uit haare natuur niet bezit; of liever, dat altijd dezelfde en teffens altijd meer nieuwe roozen op onzen weg doet ontluiken, en de naare walging eeuwig voorkomt. Dan, en dan ook alleen, zal hij, door zinnelijk te zijn, verbeteren, terwijl zijne jeugdige Landgenooten van lieverlee overtuigd zullen worden, dat de eenigste weg om de zinnelijke genoegens der Liefde zuiver, volop, en duurzaam te genieten, eenvouwig zij, meer rechtschapen, meer deugdzaam, meer
edel te worden. Zie daar den Minnedichter, die voor zijne Natie schrijft, en wiens nuttigheid, schoon hij in de daad niet van den kansel spreekt, voor den zedelijken toestand van het volgend geslacht onberekenbaar is.
Twee voorbeelden, die ik bij de hand heb, zullen mijn gezegde in 't volle licht stellen. Zie hier een zinnelijk Minnedicht, zo als ik geloof, dat ze voor eene zinnelijke jeugd allergevaarlijkst zijn, en het zedenverderf lijnrecht in de hand werken:
Maar zie hier ook een zinnelijk Minnedichtje, doch zo als ik beweere, dat het Minnedicht juist geschikt zij om de jeugd van laage zinnelijkheid te geneezen, en voor een hooger en edeler genot vatbaar te maaken. Wie eenmaal met deeze Fillis ingenomen is, zal zeker eer van louter zinnelijken wellust walgen, dan dat hem dezelve ooit aan zou trekken of verblinden. Een Phrine of Laïs heeft haare toverkracht voor zijn hart verlooren.
Mogt de Lier van alle onze Nederlandsche Minnedichters deeze vier laatste regels tot een eeuwig opschrift voeren! En gij, bevallige Dichter, die dit Lied zongt! u wenscht mijn hart, wat Herder (10) den ongenoemden Korahiet, die den 45 Psalm dichtte, toewenschte:
Mooglijk vraagt gij mij nu nog, welk een'
Dichter ik onze jeugdige Vernuften, die zich aan het Minnedicht wijden, het liefst aan zou prijzen? Uit alle goede Dichters, van welk eene natie dan ook, kunnen zij nut trekken en wezenlijke bloemen verzamelen; zij hebben alle iets, dat tot de liefde als liefde behoort (11), al waren het dan ook maar hunne natuurtoneelen, die, gelijk wij
reeds gezien hebben, zo belangrijk voor den Minnedichter zijn. Alleen wachte hij zich zorgvuldig voor de zodaanigen, die de natuur verdrongen, of naar de gekunstelde overeenkomsten onzer Eeuw berekend hebben. Ondertusschen zoude ik over 't algemeen in de eerste plaats hier Ossian aanbeveelen. Het geen een groot kenner en bewonderaar deezer oude Dichtstukken van hem zegt, stem ik gaarn toe. ‘Bij eene lengte van andere schoonheden (dit zijn 's Mans woorden (12)) behandelt Ossian vooral de liefde met zulk eene bijzondere kiesheid, dat zij eene aanmerking verdient. Bij de Grieksche en Latijnsche Dichters is deeze hartstocht eene zinnelijke behoefte (13);
bij de Italiaanen is zij metaphysisch, bij de Franschen geestig, bij Ossian van eenen
aart, die aan geen van deezen gelijk is. zij grondt zich op gewaarwording en hierom is
zij teder en spreekt geene geestige, maar eene roerende taal. Zij werkt door de zin-
nen, maar zij verkiest de fijneren, welke het gezicht en gehoor zijn; hierom is zij noch
geheel onstoffelijk, noch geheel dierlijk; maar natuurlijk en edel. Meenig Dichter
wanneer hij voorwerpen beschrijft, die het obsceene nabijkomen, verraadt eene gemoedsbeweging, die zich met den enkelen aanblik niet te vergenoegen schijnt, Ossian staat hier altijd stil. Zijne liefde is bescheiden en van een ongedwongen ingetoogenheid.
Terwijl de geheimzinnige terughouding van
anderen dikwerf meer tot een prikkel, dan tot een teugel dient, wijdt hij met eene onschuldige vrijheid over al de deelen van het zichtbaare schoon uit, en vertoeft 'er zo natuurlijk bij, dat hij ons zelfs niet eens verdacht wordt. Hij gaat niet verder, wijl hij niet gelooft, dat men verder gaan kan. En dus is, zo als ik reeds gezegd heb, zijne grootste kunst, de Natuur te verfraaien, zonder haar te verstommelen.’
Men zou deeze lofrede op Ossian door eene menigte van treffende plaatsen uit zijne Dichtstukken staaven kunnen. De Fingal, de Temora zijn 'er vol van. Carricthura, Calthon en Colmala, Ithona kunnen overal de schoonste voorbeelden hier aan de hand geven; vooral in Darthula (daar Blair met zo veel vuur van zegt: wie deeze geschiedenis zonder vertedering lezen kan, moge zich zelven geluk wenschen, als hij 't goed vindt; hij is voor alle sympathetische aandoening voor eeuwig verlooren) komt Ossian den gegeven roem in den volsten zin toe. Wilt gij intusschen een paar proeven uit de duizend, waarin hij de Liefde zo kiesch, zo teder, zo pathetisch behandelt, dat men 'er bij andere Dichters schaars één voorbeeld van
vinden zal, lees dan de volgende schoone plaatsen.
De eerste is uit Ithona. Deeze bevallige Dochter van Nuath was de Geliefde van Gaul. Haar Minnaar, door Fingal ten strijde opgeroepen, had haar bij zijn vertrek beloofd, zo hij den krijg overleefde, op een' bestemden dag weder te keeren. Zij bleef inmiddels eenzaam en verlaaten, ook van haaren Vader en Broeder, te Duthiathmon, de woonplaats van haar Geslacht. Dunrommath, de gebieder van Uthal; wiens liefde zij in voorige dagen versmaad had, nam de afwezendheid haarer Vrienden waar, en ontvoerde de ongelukkige Ithona met geweld. Hij bragt haar op een woest eiland, Tromathon genaamd, en verbierg haar daar in een hol. De rampzalige Gaul keert ten bestemden dage weder, verneemt de ontvoering, en zeilt, van haare schande echter nog onbewust, haar ter wraak na. Zie hier een gedeelte van de tedere saamenkomst der Gelieven:
‘Gaul verhief zijne zeilen. De Winden bruischten nederwaards van den heuvel. De golf overreikte hem aan de golf door de Diepte. In 't midden der wateren vertoonde zich Tromathon, op den derden dag, als
een blaauw schild. De witte baaren brulden tegen haare rotsen. De treurige Ithona zat aan den oever. Zij beschouwde de rollende golven, en haare traanen vloeiden. Maar toen zij Gaul in zijne wapenen zag, rukte zij zich op, en wendde haare oogen weg. Haare aantrekkelijke wang is rood en van schaamte ter aarde gebogen. Haar bleeke arm beeft aan haare zijde. Driemaal poogt zij hem te ontvluchten, en driemaal missen haare krachtelooze treeden.
‘Dochter van Nuath, sprak de Held, waarom ontvliedt gij mijnen blik? Zijn het vlammen des doods, die uit mijne oogen branden? verdonkert haat mijne ziel? Gij zijt mij de straal van den Morgen, verrijzende in een vreemd gewest! Maar gij hult uw aanschijn in jammer - is Ithona's vijand in den omtrek? Mijn ziel brandt om hem aantetreffen. Het zwaard siddert aan mijne zijde, en smacht om in deeze vuist te bliksemen. Spreek, Dochter van Nuath! ziet gij mijne traanen niet?’ -
‘Jonge Gebieder van Strumon, antwoordde het Meisje, waarom doorploegt gij de donkerblaauwe baaren voor Nuaths treurige Dochter? Ach! ware ik heimlijk vergaan, als de bloem aan de rots, die haar
lieflijk hoofd ongezien opheft en haare verwelkte bladeren in den wind verstrooit! - Gaul! waarom kwaamt gij om mijn stervend zuchten te hooren? Ik verdwijne in mijne jeugd; mijn naam wordt niet vernomen, of hoort hem iemand, zo zucht hij 'er bij. Dan rollen de traanen van Nuath, en dan smart ook u Ithona's verloren naroem! Maar zij zal in het graf slapen, verre van de stemme des rouwklagers! - Wat bragt u, Gebieder van Strumon! tot de, van de Zee geslagen, klippen Tromathons over?’
‘Ik kwam om uwe Vijanden te treffen. Mijne ziel voorgevoelt den donkeren dood van Dunrommath, of ik zelf, ik zal vallen! - Ithona! als Gaul nederligt, zo richt zijn graf op aan gindsche slijmige Rots. Doorploegt dan eene verre Kiel de baaren, roep de Zoonen des Meirs, roep ze, en geef hun dit zwaard, om het naar de Gewelven van Morni overtevoeren. Dan zal de grijze Gebieder ophouden naar de terugkomst zijns Zoons in de Woestijne uittekijken.’
‘Zou Nuaths Dochter dan leven? (gaf zij met eenen luiden uitbarstenden zucht tot antwoord) zou zij leven in Tromathon als
Morni's Zoon geveld is? Mijn hart is niet uit gindsche rots gehouwen, mijn ziel is niet zorgloos als deeze Zee, die haare blaauwe golven op elke windvlaag verheft, en onder de stormen zich omwentelt! De wind, die u ter neder stort, zal te gelijk Ithona's takken ter aarde strooien. Wij willen te saamen verwelken. De enge wooning bekoort mij, mij bekooren de graauwe steenen des doods; want nimmer, o Tromathon! nimmer zal ik uwe, door de Zee omspoelde, klippen verlaaten!’
(Hier verhaalt Ithona aan haaren Minnaar, hoe zij door Dunrommath ontvoerd wierd, die onder dit verhaal met zijne benden aan komt rukken. Gaul schikt zich tot den strijd, terwijl hij zijne Geliefde aanraadt, in de Grot de uitkomst van denzelven te verbeiden. De Geweldenaar valt, en zijn laf hartig volk neemt de wijk naar de schepen, en verlaat het Eiland. Gaul haast zich naar de Grot. Hij ziet een' Jongeling tegen de rots leunen. Een pijl had hem de zijde doorboort. Zijn oog rolt flaauw onder zijnen helm. De ziel van Gaul wordt treurig, hij nadert en spreekt den Ongelukkigen dus aan):
‘Kan Gauls hand u heelen, o Jonge-
ling met het treurige voorhoofd? Ik heb kruiden der bergen gezocht; ik heb ze aan de verborgen oevers hunner stroomen verzameld. Mijne hand heeft de wonden der Dapperen geslooten; hunne oogen hebben mij gezegend. Waar woonden uwe Vaderen, o Krijgsheld? Waren zij van de Zoonen der Magtigen? Aan de stroomen van uw moederlijk Land zal jammer als nacht nederzinken. Gij zijt in uwe jeugd gevallen!’
‘Mijne Vaderen, antwoordde de Vreemdeling, waren van het geslacht der magtigen; maar zij zullen niet treuren, wijl mijn roem verdweenen is, als de nevel des morgens. Hooge muuren verheffen zich aan den oever van Duvranna, en beschouwen hunne bemoste toorens in den stroom; achter hen verrijst eene rots met hangende kruinen. Haar kunt gij in de verte zien. Daar woont mijn Broeder. Hij is in den strijd beroemd: geef hem deezen blinkenden Helm.’
De Helm ontzonk aan de hand van Gaul. Het was de gewonde Ithona! Zij had zich in de Grot gewapend, en kwam om den dood te zoeken. Half zijn haare zwaare oogen gesloten; het bloed ruischt
uit haare zwellende zijde. ‘Zoon van Morni; sprak ze, richt mijn graf op. Slaap giet zich als schaduwen over mijne ziele. Ithona's oogen zijn treurig! o Ware ik te Duvranna in den glanzenden straal mijnes roems gebleven! dan waren mijne jaaren in vreugde weggevlogen, dan hadden de Maagden mijne gangen gezegend! Maar Gaul! ik val in de jeugd; mijn Vader zal in zijne Halle over mij bloozen!’
Zij viel verbleekt aan de rots van Tromathon neder. De treurige krijgsheld richte haar graf op. Hij kwam naar Merven te rug; wij zagen de schaduwen zijner ziel. Ossian greep de Harp om Ithona te prijzen. Vreugde schemerde weêr op het gelaat van Gaul. Echter ontvoer hem temet in 't midden zijner Vertrouwden een zucht, de windvlaag gelijk, welke, na dat de storm zich gelegd heeft, de wiek nog schudt.’
De tweede proef, die ik u aan wilde bieden, is de schoone Episode van Comal en Galbina, uit het 2de Boek van den Fingal. Dus luidt ze:
‘Comal was een Zoon van Albion, een Gebieder over honderd heuvelen. Dui-
zend stroomen drenkten zijne Herten; duizend rotsen weergalmden van de stemmen zijner Honden. Zijn gelaat was de zachtheid der Jeugd, zijne vuist het verderf der Helden. Hij beminde een eenig meisje. Zij was een glans van schoonheid, en dochter des magtigen Conlochs. Als een Zonnestraal blonk zij onder de Maagden. Heur Hair was de vleugel van de Raaf. Geen wild bleef haare honden op de jagt verborgen. De pees van haaren boog huilde in de winden. Haare ziel was aan Comal gebonden. Dikwerf waren hunne verliefde blikken op elkander gevestigd. Zij gingen vereenigd ter jagt. Gelukzalig waren hunne heimelijke gesprekken.
Maar ook Grumal beminde het Meisje, de donkere Gebieder van het stormachtig Ardven. Hij beluisterde haare eenzaame treeden op de Heide. Eens dat de Nevel hen, van 't jaagen afgemat, voor het oog hunner Gezellen verborg, troffen Comal en Galbina zich in Ronans Grot aan. Zij was de gewoone wijkplaats van Comal. Haare wanden waren met zijne wapenen versierd. Daar bevonden zich honderd schilden van dierenhuiden, honderd helmen van klinkend staal, ‘Rust hier, sprak hij, mij-
ne geliefde Galbina; gij licht van Ronans Grot! Ginds op de toppen van Mora vertoont zich een Hert; ik vlieg het te gemoet en ijlings keer ik weder.’ - ‘Comal! was haar antwoord, ik vrees den donkeren Grumal, mijnen vervolger. Ook hij bezoekt de Grot van Ronan. Onder de wapenen wil ik hier rusten; doch keer, mijn Dierbaare! keer spoedig weder!’ - Hij ijlt op Mora het Hert te gemoet.
Intusschen neemt Galbina het besluit om de liefde van haaren Minnaar te beproeven. De bevallige leden met Krijgstuig bedekt, verlaat ze de Grot. Nu gelooft Comal den Vijand te zien. Zijn hart klopt hem; zijne gelaatsverf verandert zich; 't wordt donker om hem heen. Hij belaadt den Boog. De Pijl sist. - Ach, Galbina! - Zij zinkt in haar bloed. Nu vliegt hij woedend naar de Grot en roept de Dochter van Conloch - Geen antwoord van de eenzaame rotsen. - ‘O mijne Geliefde! waar zijt gij? geef antwoord!’ - Eindelijk ontdekt hij haar lillend hart, nog kloppend tegen zijn' geworpen pijl. ‘Mijne Galbina! U heb ik geveld!’ Hij zonk op haaren boezem ter neder.
De Jagers vonden de Ongelukkigen. Hij doolde
naderhand nog wel op den Heuvel; maar talrijk en zwijgend waren zijne treden om de donkere woning zijner Geliefde. Schepen des Meirs bereikten den Oever. Hij streed. De Vreemdelingen vloden. Hij zocht den dood op het slagveld; maar wie kon den magtigen Comal vellen? Nu wierp hij zijn donkerbruin schild van zich. Een pijl trof zijne mannelijke borst. Hij rust met zijne Galbina bij het geloei der bruischende golven. De Schipper beschouwt hunne graven, wanneer hij de noordelijke baaren doorploegt.’
Is het nu wel te verwonderen, dat de kundigste en fijnste kenners van het schoone de liefde, zo als Ossian ze gebruikt heeft, wegens haare tederheid en kieschheid, als met eenen adem geprezen hebben? Blair (14) verheft ze boven alles wat de Ouden ons hier aan kunnen bieden. ‘De geboren Krijgshelden van Ossian, zegt Sulzer (15), laaten niet na voor vrouwelijke schoonheid bij uitstek gevoelig te zijn. Een blanke
vrouwelijke arm, zwarte, over eene blanke borst golvende, lokken, eene schoone stem, verwekken in hun een zoet, maar daarbij zeer zedig gevoel. De menigvuldige toneelen van Liefde, die in Ossians gedichten voorkomen, zijn altijd op de aangenaamste en zedigste wijze behandeld.’ Macpherson (16) gaat nog verder. Hij beschuldigt onzen Bard van partijdigheid voor het gantsche Vrouwelijk Geslacht, bij gelegenheid dat deeze zelfs de Dochter des gruuwzamen Annirs, de Zuster des wraakzuchtigen en bloeddorstigen Harno's, van de gebreken, aan haaren stam eigen, vrij schildert, en met een hart, vol gevoel en tederheid, ten tooneele voert. Gelukkige Bergschotten, die u geen denkbeeld van eene wraakzuchtige en bloeddorstige Vrouw kondet vormen!
Eene enkele aanmerking nog, en ik kan deeze brief besluiten. Zo gij mijn gezegde omtrent het Nationaal Minnedicht doorgedacht hebt, zult gij reeds overtuigd moeten zijn, dat het bij mij eigentlijk niets anders is, dan eene voorbereiding tot het hooge Minnedicht bij uitnemendheid. Immers
mijnen raad volgende, verbetert de Minnedichter onder zijne Landgenooten van lieverlee de valsche begrippen, door de weelde, en het daar uit ontstaane zedenverderf, omtrent de Liefde ingesloopen. Hij brengt dus alles weder nader aan de waare Liefde. Door dit middel komen ongetwijffeld de Minnezangen van verschillende Volkeren tot elkander. De Liefde zal tastbaarer bij de eene Natie zijn, wat ze bij de andere is; haare taal zal dus niet meer kunnen verschillen, en eindelijk moet gewis het Minnedicht bij uitnemendheid 'er uit geboren worden, daar ik u in eenen volgenden nog nader over onderhouden moet.