terug  begin  verderprepost
[p. 43]

Aan mijn' vriend J. Kantelaar.+

 
't Is van een eenzaam Graf, getrouwste mijner Vrinden!
 
Dat u mijn dankbre hand dit needrig bloempje biedt;
 
Uw oordeel moog de gift te luttel waardig vinden,
 
Maar 't hart, waaruit ze sproot, veracht de vriendschap niet.
[p. 44]
5
Of zou 't uw stil genot een oogenblik verpoozen,5
 
Als u mijn Zangster op haar' sombren Grafzang beidt,6
 
En van een huuwlijksbed, nog fris van de eerste roozen,7
 
Bij 't bleeke licht der maan langs tombe en kerkhof leidt?
 
 
 
Neen, eedle kantelaar! ook daar bleeft gij gevoelen
10
De waarde van uw teedre en deugdzaame Echtvriendin;
 
Het kil verblijf des doods moog wufte min verkoelen,
 
Het stort der waare Liefde een hooger aandrift in.12
 
 
 
Hoe kleen is alles hier! - wij wenschen en verwachten;
 
De traage smart verdwijnt, de vlugge vreugd vliegt heen;
15
De tijd rukt voort, en 't stof van Voor- en Na-geslachten
 
Mengt de eigen aêm des winds gevoelloos onder een.16
 
 
 
't Is door het Graf alleen, dat we op die velden staaren,17
 
Waarin het waar geluk door 't koel geboomte zweeft;
 
Zo ziet het oog met vreugd de tuimelende baaren,
20
Waarachter ons de reê aan 't Vaderland hergeeft.
 
 
 
De Deugd versmaadt geen Roos, hier op haar pad ontlooken,
 
Zij plukt haar dankbaar af en snelt met nieuwen spoed;
 
Zo juicht de Pelgrim bij een koele bron gedooken,23
 
Die hem door 't brandend zand te rasser ijlen doet.24
[p. 45]
25
De Vriendschap deed ons hart hier menig beekje vinden;
 
Maar eens, eens stort haar heil in rijker stroomen neêr;
 
Zo komt de Zomernacht het avondrood verslinden,
 
Maar schenkt de Morgenzon in vollen luister weêr.
 
 
 
O dat haar zoete troost, die rots en wildernisse
30
Zo vaak tot wegen schept, waarop 't genoegen blinkt,
 
Nooit aan mijn beste vreugd, nooit aan mijn' onspoed misse,
 
Tot dat mijn Levenszon in 't vaale westen zinkt!
 
 
 
Smaak dan nog, eenzaam, 't heil, dat hier een edel leven,
 
Een deugdzaame Echtgenoote en waardig Nakroost biên -34
35
Dit uitzicht kan mijn hart een stil genoegen geven,
 
Ofschoon mijne oogen dan uw blijdschap niet meer zien.
 
 
 
Mijn naam moog dan temet nog van uw lippen vloeien,37
 
En u de naklank zijn van zoete mijmerij;
 
Zo doet verbeelding hier nog menig roosje bloeien,
40
Schoon in het doodsche veld geen enkle roos meer zij.
 
 
 
Uw teedere Echtvriendin zal in uw' wellust deelen;41
 
De vriend van haare jeugd oogst ook van haar een' traan.
 
Dit offer van 't gevoel zal mijne grafrust streelen,43
 
En 't beste bloempje zijn, dat op mijn zerk zal staan.
 
 
45
Zo mooge uw hart nog lang mijn nagedachtnis vieren,
 
Maar dat uw zoetste hoop, ook op mijn stof, niet kwijn';
 
De Vriendschap, Dierbren! zal de schepping nog versieren,47
 
Wanneer 'er in haar' kring geen Graven zullen zijn.
 
 
 
r. feith.
+Titel: Jacobus Kantelaar (geb. 22 aug. 1759 te Amsterdam, gest. 7 juli 1821 te Zwollerkerspel) studeerde theologie, klassieke en oosterse talen te Leiden; sedert 31 okt. 1783 Nederduytsch Gereformeerd predikant te Almelo; in 1787 om zijn Patriottische activiteiten ontslagen en uit Overijssel verbannen; stond bekend als irenisch, verlicht christen.
Kantelaar werkte mee aan Feiths tijdschrift De Vriend van 't Vaderland (1787); van 1793-96 redigeerden beide mannen de belangrijke Bijdragen tot bevordering der schone kunsten en wetenschappen; zijn grootste roem als literator verwierf Kantelaar zich door een Verhandeling over het herdersdicht (1791); zijn veelzijdige bekwaamheid bleek ook uit zijn latere optreden als volksvertegenwoordiger, dat hem overigens opnieuw slechts teleurstellingen bracht. Zie over hem speciaal de herdenkingsrede van M. Siegenbeek in Redevoeringen en Dichtstukken van Jacobus Kantelaar, Haarlem 1826.
21 B: regel eindigt met puntkomma
23 B: na pelgrim een komma
5verpoozen: onderbreken, verstoren.
6Zangster: Muze (fungeert hier als onderwerp); beidt: verwacht.
7Kantelaar hertrouwde in 1792 met Anna Gesina Reisig, nadat zijn eerste vrouw Johanna Du Sart in 1790 gestorven was. Feith stond op vertrouwelijke voet met Anna Gesina, te oordelen naar het vers dat hij in haar album amicorum (eigendom van Mevr. E. Jane-De Bosch Kemper) schreef; cf. ook vs. 42 verderop.
12De preromantici brengen graag dood en liefde met elkaar in verband. Zij trachten, als Herder, ‘den Tod mit dem Symbol des Bräutlichen zu umfassen und zu verstehen’ (Rehm, Der Todesgedanke, S. 318).
16de eigen aêm des winds: dezelfde windvlaag.
17Het graf wordt hier voorgesteld als een venster dat uitzicht biedt op de andere, bovenzinnelijke wereld; staaren: cf. Inleiding, p. 19.
23Het pelgrimsmotief treedt herhaaldelijk op in Feiths poëzie (b.v. I 3, II 334; Herfstzang, in: Oden II, p. 141, slotstrofe); het is vooral bekend uit John Bunyan's The Pilgrim's Progress (1678), zeer geliefd in piëtistische kringen en reeds in 1682 in het Ndl. vertaald; gedooken: neergehurkt.
24te rasser: des te sneller.
47 B: Dierbre! (ook in C en D)
34Nakroost: nageslacht.
37temet: soms.
41wellust: vreugde (meestal, en zo hier, zonder de ongunstige betekenis die het woord thans aankleeft).
43streelen: veraangenamen.
47versieren: luister bijzetten.
prepostterug  begin  verder