terug  begin  verderprepost
[p. 55]

Eerste zang.

[p. 57]


illustratie
Vignet: Zwaard, kroon, geldbuidel en (lof)trompetten - alle symbolen van aardse glorie - hangen ten teken van hun vergankelijkheid aan een spinnewebdraad; cf. voor dit laatste motief G. Ferguson, Signs and symbols in christian art2, New York 1955, p. 26.

Het graf.
Eerste zang.

 
Zo is de stille rust voor eeuwig de Aarde ontvlooden?
 
Zo woont zij nergens meer dan in 't verblijf der dooden?
 
O matte Pelgrim! zink, zink vrolijk dan ter rust,3
 
Gij doolde reeds te lang aan deeze levenskust.
[p. 58]
5
Rampzalige Aarde, die een Eden kondt verstrekken,5
 
Maar die door stroomen bloeds uw velden ziet bevlekken!
 
Rampzalige Aarde, wie uw Schepper mild beschonk,
 
Maar wie het Menschdom aan 't verwoestend Misdrijf klonk!
 
Nog daalt de Lente van 't gebergte met uw stroomen;
10
Nog ruischt Natuur in ieder koeltje door uw boomen;
 
Nog spiegelt zich de Maan in de onbewoogen vliet;9-11
 
Maar rust, rampzalige Aard'! woont op uw vlakte niet!
 
 
 
O eenzaam Kerkhof, daar mijn dierbre Vaadren woonen,
 
Gij kunt mij in 't verschiet de blijde ruste toonen;
15
Ik dool langs uwen grond in deezen stillen nacht,
 
En staar de wijkplaats aan, die mijn gebeente eens wacht.
 
Hier onder deezen Eik, hier zal ik rust genieten,
 
Hier zal geen zucht mijn borst, geen traan mijn oog ontschieten;
 
Hier drijven de Eeuwen met haar schande en leed voorbij,
20
En 't zwart Geschichtverhaal bestaat niet meer voor mij.20
 
De wraakzucht aast 'er niet op heilloosheid en smarte;21
 
Geen trouwloos Boezemvriend wet hier een dolk voor 't harte;
 
De Hoogmoed zwijgt 'er, en de driften zwijgen meê,
 
En in dat Vaderland woont ongestoorde vreê.
25
De Nachtstar, die mijn oog door traanen vaak aanschouwde,25
 
De Wagen, wien ik vaak mijn lijdend hart vertrouwde,26
[p. 59]
 
De Maan, die menigwerf mijn doornig pad bescheen,27
 
Die alle blikken dan op mijn' gerusten steen!
 
O stille Dooden, die den Lijder hier omringen,
30
Ook gij hebt leed gekend, ook gij waart stervelingen!
 
Hoe meenig sluimert hier in 's aardrijks koelen schoot,
 
Wien, ach, een leven lang! de rust als mij ontvloot,
 
Die door een knaagend heir van zorgen voortgedreeven,
 
Zijn aanzijn vond beperkt tot een rampzalig leven!34
35
En nu - hij ziet, hij hoort, hij denkt, hij voelt niet meer.
 
Zijn hoofd zonk zachtkens op de koele peuluw neêr,36
 
En smaakt nu in den kring van zijne voorgeslachten
 
Een rust, waarna mijn ziel nog rusteloos blijft smachten!
 
 
 
Hoe zucht mijn hart, wanneer de dag in 't Oosten rijst,
40
En mij mijn' ouden loop en nieuwe ellende wijst!
 
Hoe juicht het, als de Zon de vochtige avondkimmen
 
Van haaren laatsten straal voor mijn gezicht doet glimmen,
 
En ik op nieuw een' dag, een' eindeloozen dag,
 
Bij de afgezwoegde taak mijns levens tellen mag!44
45
Hoe onbelemmerd vloeit het bloed dan door mijne aadren,
 
Als ik met elken nacht den grooten nacht zie naadren,
 
Dien nacht, mijn uitzicht in een vreugdeloos Heelal,
 
Waarop geen bange dag van zorgen volgen zal!
 
 
 
Heb dank, geliefde Nacht! heb dank voor uwen zegen;49
50
Mijn beste troost was in uw schaduwen gelegen.
[p. 60]
 
Hoe dikwerf, trouwe Nacht! hebt gij dit hart gelaafd,
 
Als gij het stilte en rust op veld en kerkhof gaart,
 
Waar mij, in eenzaamheid en diep gepeins verlooren,
 
Niets dan een Dorpklok in het ver verschiet kwam stooren!
55
Hoe vreedzaam dwaalde ik dan de koele graven rond,
 
En zag hoe overal de grens van 't lijden stond;
 
Hoe vrolijk zeeg ik neêr, verzonken in gedachten,
 
Om moedig 't eigen heil na d' eigen strijd te wachten;
 
En 't zij mijn rustplaats was op een' bemosten steen,
60
Of op een heuveltop van bekkeneel en been,60
 
Mijn hart, met stille rust als met een daauw omgooten,
 
Werd altijd meer gestemd voor hooger Lotgenooten,62
 
Ik zag, ik zag hen reeds aan de overzij van 't graf,
 
En juichte 't lijden aan, dat hun die grootheid gaf.64
 
 
65
O Gij, wier zachte borst nog jeugd en welvaart streelen,
 
Die in de lentevreugd van uw bestaan moogt deelen,
 
O Waant niet, dat mijn hart, onvatbaar voor 't genot,
 
Zich zelven rampen schepp', ook bij het zaligst lot.
 
Helaas! dit eigen hart kon eens volop genieten;
70
Eens deed de vreugd alleen dit oog van traanen vlieten;
 
'k Heb eens het heil der Aarde in al zijn prijs gekend;
 
Mijn jeugd was één genot, en 't uitzicht zonder end.
 
Ik schiep met al het vuur, daar ooit de jeugd van blaakte,
 
Een waereld, die mijn ziel tot in de grasspriet raakte -74
75
Gelukkig oogenblik, als alles lagcht en vleit,
 
Deeze Aarde hemel is, één tijdstip eeuwigheid,
[p. 61]
 
En 't volgestroomde hart, dat zorgen kent nog vreezen,
 
Niet vat hoe deeze Kloot een traanendal zou wezen!78
 
Ach, in dien tovertijd blinkt alles om ons heên;
80
Wij wenschen, en 't genot ruischt, stroomt voor onze treên.
 
Gewiekte Zaligheid! kortstondige vermaaken!81
 
Mijn God! ik droomde meê..... Ontzachgelijk ontwaaken!
 
Nog rijt door mijn gebeente een naamenlooze schrik
 
Op 't bloot herdenken van dat vreeslijk oogenblik.84
85
Ik zocht mijn Paradijs, ik zocht - maar 't was verdweenen!
 
Een vaale doodsche Hei lag zwijgend om mij heenen;86
 
Hier dreigde een donkre rots mijn hoofd met haar gewigt,
 
Daar gaapte een afgrond voor mijn halfverblind gezicht.
 
Ontroerd, bedwelmd, vervaard, zag ik in 't rond de kimmen,
90
Maar 'k zag geen wolkjen van een' enklen lichtstraal glimmen;
 
Nog dronken van genot, loeide ik in 't lang verschiet.....91
 
Helaas! mijn jeugd was heen, mijn wellust keerde niet!92
 
Daar zuchtte en jammerde ik, van smart in 't stof gezeegen,
 
Een aanzijn van ellende, een heilloos leven tegen.94
 
 
95
Beminnelijke Jeugd! ik was, wat gij thans zijt;
 
Haast wordt gij wat ik ben; uw jeugd vliegt met den tijd!95-96
 
Smaak, smaak haar zaligheid en smaak haar als een zegen,
 
Maar denk niet, dat uw heil op aarde ooit zij gelegen.
 
God zaaide 't schoonst gebloemt voor de onschuldvolle Jeugd,
100
Maar bond het waar genot aan ongeveinsde deugd.
 
Deeze adelt elken wensch, en leert ons tot ons sterven
 
Altijd voor hooger heil een minder heil te derven.
 
Zo legt het vrolijk wicht allengs het speelgoed af,
 
Dat hem in vroeger tijd de teêrste Moeder gaf;
[p. 62]
105
Zo zullen wij met vreugd ons aan 't gemis gewennen,
 
Wanneer wij telkens meer een hooger uitzicht kennen.106
 
De Reden leert het ons, en wie zijn' adel voelt,
 
In wiens verheven hart een vonk der Godheid woelt,
 
Zal, waar hij al 't gebloemt der jeugd op 't schoonst ziet prijken,
110
Zijn zegel juichend aan haar zalige uitspraak strijken:110
 
‘Een vreugd, die ons ontvlugt te midden van 't genot,
 
En streelend voorbereidt tot een ondraaglijk lot,
 
Die eeuwig ons begeeft, eer wij haar afzijn vreezen,113
 
Kan voor den eedlen Mensch het waar geluk niet wezen!’
115
Ik vond, ik vond in 't eind de blijde zielrust weêr;115
 
Maar ach! hoe diep sloeg eerst de ramp mijn uitzicht neêr!116
 
Mijn beste tijd vloog heen in traanen en ellende,
 
Eer ik het waar geluk en mijne dwaling kende,
 
Eer mij een lange druk van mijnen waan genas,
120
Dat hier een hemel en geen nietige aarde was,
 
Eene aarde, die geen heil, bij al haar' glans, kan geven
 
Dan 't uitzicht voor de Deugd op een toekomstig leven.
 
Mijn Roosje was een Roos; zij bloeide en dorde heên.123
 
Zij schonk een waar genot, maar ach! haar duur was kleen!
125
Wie haar als Roos genoot, zag treurig haar verkwijnen,
 
Maar voelde met haar' bloei zijn aanzijn niet verdwijnen.
 
Mij slechts, mij werd ze een straf, een zwarte jammerbron;
 
Ik wachtte van mijn roos, wat zij niet geven kon.
[p. 63]
 
Natuur had haar al 't schoon der schoonste bloem gegeven,
130
Maar in haar rijkst sieraad verganglijkheid geweeven.
 
Dus had ze al wat het oog, al wat de zinnen vleit,
 
Maar ik, ik leende een bloem, een Roosjen, eeuwigheid132
 
Daar slonk mijn hoop in 't stof. - Vergeefs poogde ik te waaken,
 
Vergeefs kon middagstraal, noch worm haar' wortel raaken,
135
Vergeefs kwam de avond met zijn daauw haar knopjes voên;
 
Zij kwijnde, dorde, en viel als alle roozen doen.
 
Ik zonk mistroostig op haar dorre blaadjes neder,
 
Maar koos nog duizendwerf een' nieuwen Afgod weder,
 
Eer mijn vervoering voor een hersenschim verdween,
140
Eer mij de wijsheid met haar zuiver licht bescheen.
 
God lof! zij leerde mij, na zulk een angstig zwoegen,
 
Den prijs, den waaren prijs, van 't ondermaansch genoegen,142
 
Den glans dier waterbel, die nimmer schooner blinkt,
 
Dan op het oogenblik waarin zij eeuwig zinkt.
145
En nu, zou nu mijn ziel haar schittring niet verachten?
 
Zou zij op nieuw haar heil van 't nietig stof verwachten?
 
 
 
Ach! zo het waar geluk op aarde ooit had gewoond,
 
't Moest in dien leeftijd zijn, die 't hart nog tot zich troont,148
 
Toen de onschuld, onbesmet, verwijderd van de steden,
150
Zich veilig vond op 't Veld bij herderlijke zeeden;
 
Toen 't onverbasterd hart Natuur alleen bezat,
 
En bij haar rijk genot maar luttel nooden had.
 
Hoe vol was toen de bron van 't zalig vergenoegen!
 
Geen eerzucht deed de borst naar valsche grootheid zwoegen;
[p. 64]
155
Het goud was onbekend: een enkle kudde vee
 
Bragt rijkdom, stil geluk, en waare zielrust meê.
 
De vastgespierde jeugd beploegde de akkergronden;157
 
Gezondheid, vrolijkheid was aan die taak verbonden.
 
Het ligtbereide maal stond kunsteloos gereed,159
160
Maar honger, huislijk heil, gaf waarde aan elken beet.
 
Hoe koel was toen de schaaûw der hooggetopte boomen!
 
Hoe vreedzaam sloeg het hart bij 't zacht geruisch der stroomen!
 
Hoe zorgloos streek de slaap toen op de Veldhut neêr!
 
Hoe moedig zag het oog den nuchtren morgen weêr!
165
De Liefde woonde daar als in een ander Eden,
 
Onschuldig, kinderlijk, en met zich zelv' te vreden.
 
Hier drenkte een jeugdig paar het vee aan de eigen bron;
 
Ginds was hun 't eigen woud een schuilplaats voor de zon;
 
En 't zij de heldre maan hen door het veld geleidde,
170
Of hen de donkre nacht in de eigen tent verbeidde,
 
De nacht zag als de dag hun deugd en zalig lot;
 
De zinnen zweegen bij dit hoogere genot,
 
Geen enkel wenschje kwam de laagre drift ontschieten,
 
Het hart was rein en vol, en kon niet meer genieten.
175
't Genot bleef altijd nieuw, de walging onbekend;
 
Een kusch was de eed en 't loon van trouwe zonder end;
 
Die eed, zo vaak herhaald, bleef eeuwig onverbroken,
 
De mond sprak altijd, wat het hart reeds had gesproken.
 
O wellust der Natuur! o Liefde op 't vrije Veld!
180
Aartsvaderlijke tijd! waar zijt gij heen gesneld?
 
Ach! moest het tafereel van uw gelukkig leven
 
Hier op dit Kerkhof voor mijn smachtende oogen zweeven,
 
Hier op dit Kerkhof, waar op ieder grafzerk staat,
 
Hoe fel Natuur zich wreekt op elk, die haar verlaat!
[p. 65]
185
Rampzalig vergelijk! - Een Eeuwkring zag u bloeien,185
 
Een Eeuw zag uw geluk met uwe grootheid groeien;
 
Geen valsche wellust heeft uw lange jeugd vermoord,
 
Zij reikte aan d' ouderdom, en bragt nog vruchten voort.
 
Die ouderdom was zacht, en vrij van ziekte en zorgen;
190
Een lieflijke avondstond na eenen schoonen morgen;
 
Hij voerde u, vol genot, tot aan den stillen nacht,
 
Omringd, gezegend van een talrijk Nageslacht.
 
Daar kwam de traage Dood uw sponde eerbiedig naadren;
 
Gij zaagt met vreugd den wenk van uw geliefde Vaadren,
195
Spraakt op uw knielend Kroost voor 't laatst Gods zegen neêr,
 
En gaaft gerust uw ziel aan uwen Schepper weêr.
 
En wij, wij die na u een schooner daglicht zagen,197
 
Die roem op hooger licht, op eedler kennis draagen,
 
En wij, hoe smelt mijn ziel van treurigheid en smart! -
200
Rampzalig vergelijk! hoe foltert gij mijn hart!
 
ô Dooden! mogt uw stem door aarde en grafzerk booren!
 
ô Mogt het Nageslacht die droeve klaagstem hooren!
 
Gij, Kindren onzer Eeuw! hier door den dood geveld,
 
Waar schuilt hij in uw heir, die tachtig jaaren telt?204
205
Helaas! wat vond uw hart? wat was uw nietig leven?
 
Een draad, van dwaasheid, smart, berouw aan een geweeven;
 
Een ijdel gochelspel; vermaaken zonder vreugd,207
 
Beweging zonder doel, en grootheid zonder deugd.
 
De wellust roofde uw jeugd, de zorg uw rijpe jaaren;209
210
Een heir van kwaalen toefde uw weinig grijze hairen,210
 
En toen een aanzijn, zo vol jamren, u verliet,
 
Vond gij de zielrust op den rand der groeve niet!
[p. 66]
 
Gevloekte Weelde! waar uw voet van de aard' verdreeven!213
 
Gij put de Volkren uit, en schijnt hun veel te geven.
215
Het Land, door u beheerscht, door uw gevlei bekoord,
 
Brengt ras geen waar geluk, geen eedle ziel meer voort.
 
De Menschheid zinkt daar in oorsprongelijke krachten;
 
't Verzwakt geslacht maakt plaats voor zwakkere geslachten.
 
De dappre Voorzaat kocht de Vrijheid voor zijn bloed,219
220
De laffe Naneef schupt dat erfdeel met den voet.220
 
Hij kent behoeften, die het voorgeslacht niet kende;
 
Een eerlijke armoede is, en blijft hem staeg ellende;222
 
De Throon, de Rijkdom, komt zijn nooden meer te staê,223
 
Hij krimpt van nooden weg, en raast die beide na;224
225
Zij spellen meer genot en schitterender luister -225
 
Dit spaart verdienste en deugd, en adelt in een' kluister.226
 
De Grooten kruipen voor de vorstelijke hand,227
 
Verraaden voor een ambt en Volk en Vaderland,
 
Verheffen op hun beurt de laagste en domste zielen,
230
En zien nu, moê geknield, weêr andren voor hun knielen.
 
Verdienste sluimert in haar diep vergeten lot,
 
Of zucht in ballingschap, of sterft op 't moordschavot.232
 
't Verstand wordt nutteloos met al de weetenschappen.
 
Een enkle wenk doet op het eergestoelte stappen,
235
Een enkle wenk wint kunde en deugd en afkomst uit;235
 
Die wenk is 't eenigst recht: men kent hem en besluit.
 
Verstompt voor de eer en op verdienste fel gebeeten,
 
Wordt mond en pen geboeid, verkracht een Eed 't Geweeten.237-238
[p. 67]
 
't Verderf holt strafloos voort en vindt geen tegenstand.
240
Al wat het oog aanschouwt, is Slaaf of Dwingeland.
 
 
 
Is dit, is dit een heil, waarna mijn ziel zou zwoegen?
 
o Eeuw, zo rijk in praal, zo arm in waar genoegen!
 
o Dorre waereld, voor een hart, dat teêr gevoelt,
 
En op het hooge wit van zijn bestemming doelt!244
245
De Deugd doolt in u om, en smacht bij al uw' luister;
 
Zij ziet in al uw' glans niets dan een aaklig duister.
 
Uw Gevels van Arduin bedekken bang verdriet,247
 
Het stil genoegen woont in uw' Palleizen niet.
 
Het schittert om u heen, maar een benaauwd geweeten
250
Waakt op uw dons, betreedt uw zachte vloertapeeten.250
 
Het purper, dat uw trots, zo duur verworven, schraagt,
 
Verbergt een angstig hart, waaraan de wroeging knaagt.
 
Uw Disch, hoe rijk verzorgd door twee paar Waerelddeelen,253
 
Kan met geen enklen beet uw harde nooddruft streelen.254
255
Uw Huuwlijksledikant is vorstlijk toebereid,
 
Maar op zijn sponde daauwt geen zoete eenstemmigheid.
 
De trotsche Staatsie-zaal moog spel en dans vereenen,
 
De doodsche Binnencel ziet haar Bewooners weenen.258
 
De Pracht groeit telkens aan: het hart zinkt staêg in prijs:
260
Bedwelming wordt behoefte, een kluister eerbewijs.
 
De Deugd verrijst; haar loont een doodelijke beker.
 
Het Misdrijf wordt verdrukt, en 't Misdrijf vindt een' Wreeker!
 
 
 
O zalig Hutje, daar de Beek om heenen vloeit,
 
Aan wiens bemosten wand de stille Veldroos bloeit;
[p. 68]
265
Wiens needrig rietendak een Olm verbergt voor de oogen,
 
De Wijze, die u kent, blijft op uw schaduw boogen!266
 
 
 
Dweep, dweep niet, eedle Ziel!’ mijn deugd en mijn verstand267
 
‘Behooren niet aan mij, maar aan mijn Vaderland.
 
Ligt zal mijn zwakke taal in 't eind' de harten raaken;
270
Ligt zal mijn voorbeeld hen gelukkig, deugdzaam maaken.’ -
 
Helaas! die zoete hoop heeft duizenden misleid.
 
Hunne eeuw heeft hen gestraft voor hun rechtschapenheid,
 
Of, door geduurig hen met nieuwen glans te streelen,
 
Hen aan hun deugd ontrukt, en in 't verderf doen deelen.
275
Het zwart Geschiedverhaal van ieder volk der aard'
 
Houdt de uitkomst, die u toeft, op ieder blad bewaard.276
 
Hoe! waant gij dat de storm u minder aan zal loeien?
 
Dat, u ter gunst, de stroom naar uwen wensch zal vloeien?
 
O dwaas! de snoodaart slechts, die van de deugd staêg spreekt,
280
Maar haar inwendig vloekt en naar het harte steekt;
 
Die met een fiks vernuft, dat naar den tijd kan rijzen,281
 
Waar tijtlen, aanzien, zijn, de deugd ligt kan bewijzen,
 
En voor een kleene gunst de laatste wroeging dooft
 
In 't hart, nu van zijn' prijs, zijn' laatsten prijs beroofd!
285
Zie daar den Held, voor wien de tegenheden zwichten;285
 
Zie daar den Leeraar, die zijne Eeuw gerust kan stichten!
 
Maar gij, wacht ge uit uw doel iets anders dan verdriet,
 
Dan kent ge uw' Tijdgenoot en zijn verbastring niet.
 
Het licht, dat gij verspreidt, moet hem in 't stof verneêren;
290
Hoe! zou zijn volle magt dat haatlijk licht niet weeren?
 
Het laat hem de enkle keus, om deugdzaam zonder schijn,
 
Of een verachtlijk mensch, ook op een' troon, te zijn.
 
Ontwijk, ontvlieg hun wrok! 't Zijn tijgers om u heenen,
 
Die, hoe gescheiden, zich tot uw verderf vereenen.
[p. 69]
295
Wat baat het, dat gij zacht, bescheiden, baatloos zijt?295
 
Uw deugd wordt hun een hoon, uw voorbeeld zelfverwijt;
 
Uw onverschrokken moed heeft al hun hoop bedroogen,
 
En zelfs uw wijsheid is een misdaad in hunne oogen.
 
 
 
Aristus, dierbre vriend! wat loon was u bereid299
300
Voor uw verheven deugd, voor uw menschlievendheid?
 
Spreek uit de stille hut, die gij u hebt gekoozen;
 
Ligt doet uw enkle stem onze eeuw van schaamte bloozen!
 
Gij zaagt een' lotgenoot in elken sterveling,
 
En droomde een' eedlen droom van hun verbetering.
305
Vergeefs deed u uw echt al 't zoet der liefde smaaken,305
 
Ge ontroofde u aan dat zoet om voor hun heil te waaken,
 
Gij juichte in hunne deugd en in hun waar geluk,
 
Gij schreide om hunnen val en deelde in hunnen druk;
 
En nu - het heerlijk loon van uw verdienstlijk leven?
310
Het aantal vrienden, die in nood uw vrienden bleeven?
 
Rechtschapen, edel mensch! uw taal werd niet verstaan,
 
Uw doel miskend, uw hart gepijnigd of verraên,
 
En de Eenigste, wier ziel met uwe ziel kon weenen,
 
Die u verzoenen kon met alles om u heenen,
315
Zij week, zij week, en heel de schepping week met haar;315
 
Gij zaagt hoe bar deeze aard', hoe wreed het menschdom waar.
 
De storm stak feller op, de donder brulde groover,
 
Maar ach! uw troost was heên - en toen, wat bleef u over?
 
Een dorre waereld, ongevoelig voor uw leed,319
320
Die van het lijdend hart ijskoud te rugge treedt.
 
 
 
Beminlijke eenzaamheid! hoe voelt mijn ziel uw waarde!
 
Gij zijt haar beste vreugd op deeze onzalige aarde.
[p. 70]
 
Al blinkt geen gloriezon hier op mijn loopbaan neêr,
 
In u vond ik mij zelv' en mijn bestemming weêr.
325
O stille dageraad! o lieflijke avondstonden!
 
Ach! waarom was mijn hart niet eer aan u verbonden!
 
Helaas! 'k heb al te lang in 't blinkend stof verkeerd;
 
Dit hart, o Wijsheid, heeft uw lessen duur geleerd;
 
Hoe dikwerf zag mijn oog, van liefde en trouw ontstooken,329
330
De dierste banden voor een kleen belang verbrooken!330
 
Hoe dikwerf heeft mijn ziel haar zaligheid betreurd,
 
En zich met hellesmart aan al heur heil ontscheurd!
 
Genoeglijke uuren, eens der vriendschap toegeheiligd,
 
Ach! waarom heeft de trouw niet eeuwig u beveiligd!....
335
Wijk, wreed herdenken! wijk; verpest de kalmte niet,
 
Die 'k op dit kerkhof in dees' stillen nacht geniet! -
 
Ach! is de rust, ook hier, nog vaak voor mij verlooren,
 
Komt dikwerf 't naberouw tot in uw schaduw booren,
 
Helaas! mijn eerste jeugd, aan de ijdelheid gewijd,
340
Heeft al het leed gewrocht, dat thans mijn boezem lijdt.
 
De langgehoorde drift wil nu niet eensklaps zwijgen,
 
De neiging, nooit verdrukt, wil nu, verdrukt, nog stijgen;
 
Vergeefs ben ik haar' dwang in de eenzaamheid ontvloôn,
 
Hier op dit kerkhof zelfs hoor ik haar' tovertoon,
345
Hij houdt mijn zinnen, mijn verbeelding opgetoogen,
 
En vaek staat op een graf de waereld voor mijne oogen!
 
Ik roep met bang geweld de rede in 't eind te staê,347
 
Maar ach, dit zwakke hart zucht dit bedrog nog na!
 
Hoe moeilijk moet gij zijn, o Deugd! voor stervelingen,
350
Wien al de klippen van de waereldzee omringen,
 
Wier oog, door 't dwaallicht van een valsch geluk verblind,
 
Gestaêg een' hemel ziet, gestaeg een' afgrond vindt,
 
Daar 't hart, dat op het veld die klippen is ontweeken,
 
U nog met harden strijd al lijdend aan moet kweeken!
[p. 71]
355
Uw zaad toch, waar ook 't oog het onvervalst aanschouwt,355
 
Wordt hier met traanen meest aan de aarde toevertrouwd,
 
Het schiet in zuchten op, en mag het eenmaal bloeien,
 
Mag eenmaal uit die hoop een enkel vruchtje groeien,
 
Wat kost die teêre vrucht al moeite, zorg, en smart,
360
Eer zij den oogst bereikt, aan 't zwakke menschlijk hart!
 
En ach! die blijde dag, die al het angstig zweeten,
 
Die al den arbeid, al den kommer, doet vergeeten -
 
Helaas! een donkre nacht verbergt hem in 't verschiet,
 
Aan deeze zij' des Grafs verrijst zijn uchtend niet!
 
 
365
De deugd der eeuw moog ligt, gedwee, voordeelig wezen,365
 
Mijn ziel verfoeit een deugd door monsters aangepreezen.
 
Hij, die zijn hart zo ligt aan elke deugd gewend,
 
Heeft nooit de waare deugd, of nooit zijn hart gekend.
 
Die deugd bekoort mij niet, die mij, van elk begeven,
370
In de eenzaamheid bedrukt en zonder troost doet leeven,
 
Die noodig heeft, dat ik 't vermaak om bijstand verg',
 
En mij daar voor mij zelv' en voor mijn deugd verberg'.
 
Die 't vreeslijk denkbeeld aan den dood van schrik doet ijzen,
 
In elken bliksemstraal den wolktroon ziet verrijzen,
375
De weegschaal flikkren ziet, daar voor 't vereend Heelal374-375
 
De Alweetendheid haar waarde en loon op weegen zal.376
 
De deugd, die hier slechts geldt, mist hier reeds mijn vertrouwen,
 
Ik leef voor de eeuwigheid, daar moet zij waarde houên.
 
Hier wacht ik niets van haar dan zielrust in 't gemoed,
380
En 't uitzicht op mijn God, het allerhoogste Goed;
[p. 72]
 
Maar als mijn sterfuur slaat en dood en graf mij wenken,
 
Dan eisch ik, dat haar hand met nektar mij zal drenken,382
 
En dat die dronk nog streel, mijn juichend hart nog blaak',383
 
Als ik op d' Oordeelsdag voor de eeuwigheid ontwaak'.
385
Mijn God! dat al het heil der aard' mijn oog ontzinke,
 
Maar dat mijn jongste stond van deezen wellust blinke!386


illustratie
Vignet: De met één voet op een doodshoofd steunende putto die bellen blaast, vormt sedert de 16e eeuw een bekend vanitas-motief (cf. John B. Knipping, De iconographie van de contrareformatie in de Nederlanden I, Hilversum 1939, p. 117 vv.).
De zeis is het gewone attribuut van de Tijd en van de Dood.


3zink, zink: woordrepetitie (epanalepsis); behoort tot de karakteristieke stijlmiddelen van Feith; zie Diss., hfdst. IV, p. 146-147.
5verstrekken: dienen tot.
9-11kenmerkend voor Het Graf is het veelvuldig gebruik van de, meest drieledige, anafoor, waarbij achtereenvolgende versregels gelijk inzetten; we hebben hier te doen met invloed van Cats op Feiths stijl; zie Diss., hfdst. IV, p. 146-147.
20Geschichtverhaal: geschiedverhaal (germanisme).
21aast: loert; heilloosheid: ongeluk, ellende.
25Nachtstar: (elders ook avondstar) de planeet Venus bij haar verschijnen na zonsondergang aan de westelijke hemel; met de Wagen de geliefdste ster van de sentimentelen; ook genoemd in II 144.
26De Wagen: de Grote Beer, Werthers dierbaarste sterrenbeeld (zie Goethe, Die Leiden des jungen Werther, slotbrief); in Ferdinand en Constantia II, p. 38 verklaart Feith: ‘dit gestarnte moet iets aantrekkelijks voor een gevoelig hart bezitten’, waarbij hij verwijst naar Job 9:9 en 38:31-35. Feith zegt t.a.p. ook, waarom de sentimentelen zo door deze sterrenbeelden getroffen werden: Herders interpretatie van de tweede Job-passage blijkt voedsel te hebben gegeven aan de gevoelige verbeelding van zijn tijd. Zo zag men in de nachtzwerfster een moeder die haar verloren kinderen zocht.
36 B: peluw
27De Maan: de maancultus vormt een bekend verschijnsel in de preromantiek; we treffen haar b.v. aan in de aanhef van Young's derde Nacht en in het slotfragment van Feiths Julia (cf. W.J.M.A. Asselbergs, De ‘zuster van de zon’, NTG. 53 (1960), p. 295-303; S. Bettex, Der Mond in Dichtung und Volksglauben, Zürich 1947).
34aanzijn: eigenlijk: het tegenwoordig zijn; vandaar: bestaan.
36peuluw: peluw, hoofdkussen.
44taak: hier in de oudere bet.: voorgeschreven hoeveelheid.
49Cf. voor de waardering van het nocturne in de 18e eeuw Erika Landsberg, Das Nachtmotiv in den Philosophischen Lehrgedichten von Haller bis Herder, Köln 1935 en Ilse Klette, Die Nacht in den Dichtungen der Romantik, diss. (Masch.) Greifswald 1924.
62 B: eindigt met puntkomma
66 B: mogt (drukfout); C en D hebben: moogt
60bekkeneel: hersenpan.
62hooger Lotgenooten: versta: zij die reeds ten hemel opgenomen zijn.
64juichte aan: juichte toe.
74versta: een wereld, waarin zelfs de grashalm mijn ziel vreugde schonk. De ‘rokende’ grashalm en de worm zijn Feiths geliefde symbolen van uiterste nietigheid.
78Kloot: aardbol.
81Gewiekte: (letterlijk) van vleugels voorzien; zo: vluchtig.
84bloot: louter.
86vv. De preromanticus ziet gewoonlijk zijn eigen stemming weerspiegeld in het omringend landschap; cf. voor deze ‘sympathetische’ natuurbeleving J.C. Brandt Corstius, Idylle en realiteit, Amsterdam 1955, p. 63 (met aantekening).
91loeide ik: schreeuwde ik het uit.
92wellust: cf. aantekening bij vs. 41 van het opdrachtvers.
94heilloos: ellendig.
95-96Dezelfde topos in Huygens' Voorhout, vs. 707-708; zie R. Vos in NTg. 55 (1962), p. 276.
113 B: komma na begeeft vervalt
106een hooger uitzicht: de gedachte die hierachter schuilt is deze dat wij, door het dierlijke in ons zoveel mogelijk te onderdrukken, allengs de engelenstaat meer nabij zullen komen, waardoor ook het hemels geluk binnen ons bereik valt.
110Zijn zegel strijken: zijn zegel hechten, d.i.: bevestigen.
113afzijn: afwezigheid.
115zielrust: ook I 156, 379; II 162, 434; III 336; compareert vrijwel niet in onze 18e-eeuwse geschriften en dient als vertalende ontlening uit het Duits te worden beschouwd (zie Inleiding, p. 26, waar ook over de gebruikswaarde gesproken wordt).
116uitzicht: eveneens typisch Feithianisme (cf. Inleiding, p. 19); komt ook voor bij Duitse piëtisten als Lavater, b.v. in diens Aussichten in die Ewigkeit.
123vv. De roos verschijnt bij Feith herhaaldelijk als zinnebeeld van de vergankelijkheid, b.v. in II 187, IV 327.
Cf. voor dit motief B. Seward, The symbolic rose, New York 1960.
132 B: eindigt met een punt
135 B: eindigt met dubbele punt
132leende: schreef toe.
142ondermaansch: eigenlijk: beneden de, als een gewelf gedachte, maansfeer; omdat al het sublunarische als vergankelijk werd beschouwd, kreeg ondermaans de betekenis: tijdelijk, sterfelijk.
148leeftijd: tijdperk; Feith doelt hier op de legendarische gulden eeuw; cf. voor dit motief Mia I. Gerhardt, Het droombeeld van de gouden eeuw, Utrecht z.j. (= 1956).
177 B: eindigt met dubbele punt
157vastgespierde: stevige.
159kunsteloos: eenvoudig, sober.
187 B: eindigt met dubbele punt
185Eeuwkring: eeuw.
197een schooner daglicht: versta: de Verlichting.
204heir: menigte; de bedoeling is: waar schuilt hij in uw midden?
207ijdel gochelspel: nutteloos schijnvertoon.
209wellust: ditmaal in de thans vigerende ongunstige betekenis!
210toefde: stond te wachten.
213Een telkens herhaalde klacht in 18e-eeuwse spectators, gedichten en verhandelingen.
219Feith doelt hier op de vrijheidsstrijd tegen Spanje, die leidde tot onze staatkundige onafhankelijkheid.
220Naneef: nazaat; de enkelvoudsvorm duidt hier het hele nageslacht aan, cf. WNT s.v.
222staeg: altijd, voortdurend.
223komt zijn nooden meer te staê: beantwoordt meer aan zijn behoeften.
224die: slaat terug op Throon en Rijkdom.
225spellen: beloven.
226spaart: spaart uit; kluister: cf. vs. 260.
227Zinspeling op de hofkliek rond stadhouder Willem V.
232moordschavot: schavot waarop een gerechtelijke moord wordt gepleegd; cf. voor dit soort Vondeliaanse samenstellingen in Feiths taalgebruik Diss. hfdst. IV, p. 131.
235wint uit: maakt overbodig.
237-238De grammatische constructie is hier onzuiver.
245 B: eindigt met dubbele punt
250 B: eindigt met een komma
244wit: doel; zijn bestemming: namelijk de eeuwige zaligheid.
247Arduin: hardsteen, blauwgrijs van kleur; teken van duurzaamheid.
250vloertapeeten: vloertapijten; ook de enkelvoudsvorm tapeet treedt bij Feith op.
253twee paar Waerelddeelen: Feith telt Australië, dat, hoewel reeds in de 16e eeuw ontdekt, pas eind 18e eeuw (James Cook) belangstelling ging trekken, nog niet mee. De eerste Britse nederzetting, de strafkolonie Port Jackson, dateert eerst van 1788.
254nooddruft: dringende behoefte.
258Binnencel: privé-vertrek.
266boogen: zijn vertrouwen stellen in.
267Dweep, dweep niet, eedle Ziel!: de refutatio of (zelf)weerlegging is een van de klassieke kunstgrepen der retorica.
276toeft: te wachten staat.
281fiks: behendig.
285de tegenheden: de tegenspoed, de rampen; ook III 342, IV 349.
295baatloos: onbaatzuchtig.
299Aristus: bedoeld is Jacobus Kantelaar die, als gevolg van zijn partijkiezen voor de Almelose pachters tegen gravin Sophie van Rechteren, in 1787 als predikant ontslagen werd.
305verwijst naar Kantelaars eerste huwelijk met Johanna Du Sart in 1783.
315Johanna Du Sart stierf in 1790, haar man met één kind achterlatend en ‘zijne beste levensvreugde met zich in het graf voerend’ (Siegenbeek).
319Siegenbeek getuigt in zijn Lijkrede op Kantelaar, p. 283, dat de dood van diens vrouw ‘zijne gevoelige ziel in het eerst geheel dreigde ter neder te slaan’.
329ontstooken: (letterlijk) ontvlamd.
330dierste: dierbaarste.
347te staê: te hulp.
376 Alleen B heeft opwegen
355Uw zaad: versta: van de deugd.
365der eeuw: van de eeuw van Verlichting; gedwee: zacht.
374-375Feith distantieert zich hier van de streng-calvinistische Godsopvatting, die in God slechts een wrekend rechter in plaats van een liefdevolle Vader ziet (cf. ook IV 344 vv.); de verlichte christen uit die tijd beschouwt de natuurverschijnselen als symptomen van Gods goedheid (cf. J.C. Brandt Corstius, Idylle en realiteit, Amsterdam 1955, p. 73).
376De Alweetendheid: net als Goethe (Werther) en Klopstock, gebruikt Feith ter aanduiding van God en het goddelijke graag epitheta die met al- beginnen.
383 B: streel'
384 B: ontwaak
382haar hand: versta: van de deugd; met nektar mij zal drenken: mij nektar te drinken zal geven, mij met nektar zal verzadigen.
383streel: verkwikke.
386mijn jongste stond: mijn laatste uur.
prepostterug  begin  verder