Vignet: Zwaard, kroon, geldbuidel en (lof)trompetten - alle symbolen van aardse glorie - hangen ten teken van hun vergankelijkheid aan een spinnewebdraad; cf. voor dit laatste motief G. Ferguson, Signs and symbols in christian art2, New York 1955, p. 26.
Het graf.
Eerste zang.
Zo is de stille rust voor eeuwig de Aarde ontvlooden?
Zo woont zij nergens meer dan in 't verblijf der dooden?
O matte Pelgrim! zink, zink vrolijk dan ter rust,3
Gij doolde reeds te lang aan deeze levenskust.
[p. 58]
5
Rampzalige Aarde, die een Eden kondt verstrekken,5
Maar die door stroomen bloeds uw velden ziet bevlekken!
Rampzalige Aarde, wie uw Schepper mild beschonk,
Maar wie het Menschdom aan 't verwoestend Misdrijf klonk!
Nog daalt de Lente van 't gebergte met uw stroomen;
10
Nog ruischt Natuur in ieder koeltje door uw boomen;
Nog spiegelt zich de Maan in de onbewoogen vliet;9-11
Maar rust, rampzalige Aard'! woont op uw vlakte niet!
O eenzaam Kerkhof, daar mijn dierbre Vaadren woonen,
Gij kunt mij in 't verschiet de blijde ruste toonen;
15
Ik dool langs uwen grond in deezen stillen nacht,
En staar de wijkplaats aan, die mijn gebeente eens wacht.
Hier onder deezen Eik, hier zal ik rust genieten,
Hier zal geen zucht mijn borst, geen traan mijn oog ontschieten;
Hier drijven de Eeuwen met haar schande en leed voorbij,
20
En 't zwart Geschichtverhaal bestaat niet meer voor mij.20
De wraakzucht aast 'er niet op heilloosheid en smarte;21
Geen trouwloos Boezemvriend wet hier een dolk voor 't harte;
De Hoogmoed zwijgt 'er, en de driften zwijgen meê,
En in dat Vaderland woont ongestoorde vreê.
25
De Nachtstar, die mijn oog door traanen vaak aanschouwde,25
De Wagen, wien ik vaak mijn lijdend hart vertrouwde,26
Maar als mijn sterfuur slaat en dood en graf mij wenken,
Dan eisch ik, dat haar hand met nektar mij zal drenken,382
En dat die dronk nog streel, mijn juichend hart nog blaak',383
Als ik op d' Oordeelsdag voor de eeuwigheid ontwaak'.
385
Mijn God! dat al het heil der aard' mijn oog ontzinke,
Maar dat mijn jongste stond van deezen wellust blinke!386
Vignet: De met één voet op een doodshoofd steunende putto die bellen blaast, vormt sedert de 16e eeuw een bekend vanitas-motief (cf. John B. Knipping, De iconographie van de contrareformatie in de Nederlanden I, Hilversum 1939, p. 117 vv.).
De zeis is het gewone attribuut van de Tijd en van de Dood.
3zink, zink: woordrepetitie (epanalepsis); behoort tot de karakteristieke stijlmiddelen van Feith; zie Diss., hfdst. IV, p. 146-147.
9-11kenmerkend voor Het Graf is het veelvuldig gebruik van de, meest drieledige, anafoor, waarbij achtereenvolgende versregels gelijk inzetten; we hebben hier te doen met invloed van Cats op Feiths stijl; zie Diss., hfdst. IV, p. 146-147.
25Nachtstar: (elders ook avondstar) de planeet Venus bij haar verschijnen na zonsondergang aan de westelijke hemel; met de Wagen de geliefdste ster van de sentimentelen; ook genoemd in II 144.
26De Wagen: de Grote Beer, Werthers dierbaarste sterrenbeeld (zie Goethe, Die Leiden des jungen Werther, slotbrief); in Ferdinand en Constantia II, p. 38 verklaart Feith: ‘dit gestarnte moet iets aantrekkelijks voor een gevoelig hart bezitten’, waarbij hij verwijst naar Job 9:9 en 38:31-35. Feith zegt t.a.p. ook, waarom de sentimentelen zo door deze sterrenbeelden getroffen werden: Herders interpretatie van de tweede Job-passage blijkt voedsel te hebben gegeven aan de gevoelige verbeelding van zijn tijd. Zo zag men in de nachtzwerfster een moeder die haar verloren kinderen zocht.
36 B: peluw
27De Maan: de maancultus vormt een bekend verschijnsel in de preromantiek; we treffen haar b.v. aan in de aanhef van Young's derde Nacht en in het slotfragment van Feiths Julia (cf. W.J.M.A. Asselbergs, De ‘zuster van de zon’, NTG. 53 (1960), p. 295-303; S. Bettex, Der Mond in Dichtung und Volksglauben, Zürich 1947).
34aanzijn: eigenlijk: het tegenwoordig zijn; vandaar: bestaan.
44taak: hier in de oudere bet.: voorgeschreven hoeveelheid.
49Cf. voor de waardering van het nocturne in de 18e eeuw Erika Landsberg, Das Nachtmotiv in den Philosophischen Lehrgedichten von Haller bis Herder, Köln 1935 en Ilse Klette, Die Nacht in den Dichtungen der Romantik, diss. (Masch.) Greifswald 1924.
62 B: eindigt met puntkomma
66 B: mogt (drukfout); C en D hebben: moogt
74versta: een wereld, waarin zelfs de grashalm mijn ziel vreugde schonk. De ‘rokende’ grashalm en de worm zijn Feiths geliefde symbolen van uiterste nietigheid.
86vv. De preromanticus ziet gewoonlijk zijn eigen stemming weerspiegeld in het omringend landschap; cf. voor deze ‘sympathetische’ natuurbeleving J.C. Brandt Corstius, Idylle en realiteit, Amsterdam 1955, p. 63 (met aantekening).
95-96Dezelfde topos in Huygens' Voorhout, vs. 707-708; zie R. Vos in NTg. 55 (1962), p. 276.
113 B: komma na begeeft vervalt
106een hooger uitzicht: de gedachte die hierachter schuilt is deze dat wij, door het dierlijke in ons zoveel mogelijk te onderdrukken, allengs de engelenstaat meer nabij zullen komen, waardoor ook het hemels geluk binnen ons bereik valt.
110Zijn zegel strijken: zijn zegel hechten, d.i.: bevestigen.
115zielrust: ook I 156, 379; II 162, 434; III 336; compareert vrijwel niet in onze 18e-eeuwse geschriften en dient als vertalende ontlening uit het Duits te worden beschouwd (zie Inleiding, p. 26, waar ook over de gebruikswaarde gesproken wordt).
116uitzicht: eveneens typisch Feithianisme (cf. Inleiding, p. 19); komt ook voor bij Duitse piëtisten als Lavater, b.v. in diens Aussichten in die Ewigkeit.
123vv. De roos verschijnt bij Feith herhaaldelijk als zinnebeeld van de vergankelijkheid, b.v. in II 187, IV 327.
Cf. voor dit motief B. Seward, The symbolic rose, New York 1960.
132 B: eindigt met een punt
135 B: eindigt met dubbele punt
142ondermaansch: eigenlijk: beneden de, als een gewelf gedachte, maansfeer; omdat al het sublunarische als vergankelijk werd beschouwd, kreeg ondermaans de betekenis: tijdelijk, sterfelijk.
148leeftijd: tijdperk; Feith doelt hier op de legendarische gulden eeuw; cf. voor dit motief Mia I. Gerhardt, Het droombeeld van de gouden eeuw, Utrecht z.j. (= 1956).
227Zinspeling op de hofkliek rond stadhouder Willem V.
232moordschavot: schavot waarop een gerechtelijke moord wordt gepleegd; cf. voor dit soort Vondeliaanse samenstellingen in Feiths taalgebruik Diss. hfdst. IV, p. 131.
237-238De grammatische constructie is hier onzuiver.
245 B: eindigt met dubbele punt
250 B: eindigt met een komma
244wit: doel; zijn bestemming: namelijk de eeuwige zaligheid.
247Arduin: hardsteen, blauwgrijs van kleur; teken van duurzaamheid.
250vloertapeeten: vloertapijten; ook de enkelvoudsvorm tapeet treedt bij Feith op.
253twee paar Waerelddeelen: Feith telt Australië, dat, hoewel reeds in de 16e eeuw ontdekt, pas eind 18e eeuw (James Cook) belangstelling ging trekken, nog niet mee. De eerste Britse nederzetting, de strafkolonie Port Jackson, dateert eerst van 1788.
299Aristus: bedoeld is Jacobus Kantelaar die, als gevolg van zijn partijkiezen voor de Almelose pachters tegen gravin Sophie van Rechteren, in 1787 als predikant ontslagen werd.
305verwijst naar Kantelaars eerste huwelijk met Johanna Du Sart in 1783.
315Johanna Du Sart stierf in 1790, haar man met één kind achterlatend en ‘zijne beste levensvreugde met zich in het graf voerend’ (Siegenbeek).
319Siegenbeek getuigt in zijn Lijkrede op Kantelaar, p. 283, dat de dood van diens vrouw ‘zijne gevoelige ziel in het eerst geheel dreigde ter neder te slaan’.
365der eeuw: van de eeuw van Verlichting; gedwee: zacht.
374-375Feith distantieert zich hier van de streng-calvinistische Godsopvatting, die in God slechts een wrekend rechter in plaats van een liefdevolle Vader ziet (cf. ook IV 344 vv.); de verlichte christen uit die tijd beschouwt de natuurverschijnselen als symptomen van Gods goedheid (cf. J.C. Brandt Corstius, Idylle en realiteit, Amsterdam 1955, p. 73).
376De Alweetendheid: net als Goethe (Werther) en Klopstock, gebruikt Feith ter aanduiding van God en het goddelijke graag epitheta die met al- beginnen.
383 B: streel'
384 B: ontwaak
382haar hand: versta: van de deugd; met nektar mij zal drenken: mij nektar te drinken zal geven, mij met nektar zal verzadigen.