Vignet: Het afgebeelde landschap met de waterige, ‘bleke’ maan is typisch Feithiaans, vooral ook door de dennebomen die op de Zwolse dichter zo'n beklemmende uitwerking hadden, cf. Diss., hfdst. III, p. 95.
Of wacht ge een eedler loon voor zulk een stoorloos zwoegen?391
Een hart, dat zachtkens slaat van zalig vergenoegen?
Een gade, op wier gestreel de wreedste kommer vliedt?...
Uw God is magteloos - dit alles schenkt hij niet.
395
Hij kan een slaavenheir doen vliegen op uw wenken,
Hij kan de rijkste gade aan uwen gouddorst schenken,
Zijn hand deelt tijtels uit, schenkt magt en heerschappij;
Maar liefde, huislijk heil, schenkt de armoê meer dan hij.
Het waar geluk is stil, en bloeit het schoonst verborgen;
400
De schaamle hut van klei kent hier de minste zorgen;
Daar rijpt de liefde best, daar huuwt ze hier beneên,
Den tijd en de eeuwigheid in haar genot aan een.
Hoe heilloos waar de liefde in dit kortstondig leven
Was haar dit uitzicht door de Aartsgoedheid niet gegeven! -
405
Het menschelijk - geslacht valt toch als blaadren af;405
Wij worden en vergaan - de wieg grenst aan het graf -
Daar tusschen speelt een droom een treurspel met het harte;407
De smart wijkt voor de vreugd, de vreugd weêr voor de smarte;
De koning klimt ten troon, de slaaf buigt voor hem neêr;
410
De Dood blaast op het spel - en beiden zijn niet meer!409-410
Maar neen! dees schilderij verlaagt te veel uw Eden.
Gij eischt meer duurzaamheid en minder tegenheden -
[p. 92]
Wel nu, dat louter vreugd den stervling hier bestraal',
Dat hij den ouderdom van honderd jaaren haal'! -
415
Een voorspoed zonder druk heeft ras zijn' glans verlooren;415
Het hart bezit hem naauw of 't wenscht weêr als te vooren.
De vreugd verteert zich zelv', de lust sterft bij 't genot,
En sleepend zelfverdriet blijft ons bestendig lot.
Hoe zwaar weegt dan de last van eindelooze jaaren,
420
Die telkens door den dood eens vriends geteekend waren?
Beschouw dien Grijsaart, diep geboogen op zijn' staf -
De tijd ontzag zijn kruin, maar nam hem alles af;
Zijne eeuw, zijn geest, zijn hart, 't is saamen heengevloogen.
Al wat hij minde, houdt de nacht des doods omtoogen;
425
En nu, wat is zijn lot waar hij zo eenzaam zwerft? -
Hij treurt, verkwijnt zich, maalt, wordt wezenloos en sterft.426
O heilloos jammerdal, o beuzelachtig leven,
Ware ons geen uitzicht op de onsterflijkheid gegeven! -
O Stervling, wie ge ook zijt! van al het heil der aard'
430
Is dit alleen den wensch der eedle menschheid waard:
Een leven, vrij van schand', van wroeging en van zorgen;431
Een vrolijke avond en een slaap tot aan den morgen;
Een doodbed, zacht als dons, waar nog 't herdenken streelt,
En waar de zielrust om de kalme sponde speelt; -
435
Zie daar den besten schat, dien de aarde ons aan kan bieden,
Hij blijft ons eigendom, waar jeugd en voorspoed vlieden;
Wie hem alrêe bezit, heeft niet vergeefs geleefd;
Gelukkig, die hem kent, en moedig naar hem streeft!
[p. 93]
Vignet: Het oog Gods, in een gelijkzijdige driehoek gevat, vormt na de Reformatie een zeer geliefd gegeven, cf. J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie, Bussum (1974), nr. 16.
3 B: Dáár
4't eigen noodlot: hetzelfde noodlot, namelijk stoffelijk en dus vergankelijk te zijn.
7 B, C: Dat dan mijn ziel verrijz', het stof den tijd versmade, D: Dat dan mijn ziel verrijz', het stof, den tijd versmade,
9 B: eindigt met puntkomma
5We treffen hier een goed voorbeeld aan van de voor Feith zo typische overgang van uiterste deemoed naar kosmische extase, cf. Diss. hfdst. IV, p. 156.
8het vastgestarnt': men onderscheidt z.g. dwaalsterrren of planeten en vaste sterren; deze laatste blijven voor onze waarneming steeds in dezelfde positie, ook al is dit optisch bedrog; de 18e-eeuwse astronomie hield zich speciaal met deze vaste sterren bezig; de populaire opvatting van die tijd was vooral gebaseerd op W. Derham's Astro-Theology (1715), in het Ndl. vertaald als Godgeleerde Starrekunde, Leiden 1729.
19-20Dog: grote hond; het volksgeloof wil, dat honden weten wanneer iemand sterven moet en dat zij dit door hun gejank te kennen geven, cf. K. ter Laan, Folkl. Wdb., 's-Gravenhage 1949, p. 152; Oswald A. Erich en Richard Beitl, Wörterbuch der deutschen Volkskunde2, Stuttgart 1955 s.v. Hund en Vorzeichen; Van de Echo nagebaauwd: door de echo nagebootst.
21De uil ‘is de aankondiger van een sterfgeval door zijn nachtelijk geroep’ (K. ter Laan, Folkl. Wdb., p. 413).
39Oneindig: Feith heeft in navolging van Klopstock een sterke voorkeur voor negatieve epitheta ter aanduiding van God of geliefde; speciaal het Klopstockiaanse unaussprechlich vinden we als onuitspreekelijk telkens terug.
41Seraf: de christelijke traditie verdeelt de engelen in drie hiërarchieën, elk weer bestaande uit drie koren; de serafijnen bekleden de opperste van de negen rangen.
De Seraf vormt een bekende verschijning in de verheven poëzie van Klopstock. Feith en Kantelaar bepleitten in hun kritische geschriften een vervanging van de Grieks-Romeinse door een christelijke mythologie, waarbij engelen en duivels de plaats van de vroegere goden of godinnen zouden moeten innemen (cf. Diss., hfdst. IV, p. 141).
46Cf. Ps. 29: 5 (St. vert.): ‘De stem des Heeren breekt de cederen; ja, de Heere verbreekt de cederen van Libanon’.
52hangt heel mijn bestaan enkel van uw medelijden af.
53Erbarmer: germanisme voor: Gij die vol mededogen zijt; schraagt: ondersteunt.
57Cf. Job 25:5 (Canisius-vert.): ‘Zie, zelfs de maan is niet helder, de sterren zijn niet rein in zijn ogen’.
58Cf. Job 15:15 en 4:18: ‘En hy ziet onvolmaaktheid in zyne engelen’ (vert. Alb. Schultens van 1737, geciteerd door J. Lublink in zijn bewerking v.d. Night Thoughts II, p. 135).
60Andermaal voorbeeld van de reeds gesignaleerde overgang van uiterste deemoed naar trots zelfgevoel.
65Cf. Ps. 74:16 (St. vert.): ‘De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe;’.
68't Gaat vast: het is zeker; zie WNT. XVIII, p. 654.
90Feith vat de toestand van gestorven zijn op als een droomloze slaap (gelijk Socrates hierover in zijn Apologie cap. XXXII spreekt), durend tot de dag van de opstanding, cf. IV 260.
111Maagdenkoor: groep meisjes; ijdel: vergankelijk.
112tuimelkring: (niet in WNT), gevormd naar het du. Taumelkreis: ‘ein Kreis, in dem man vom Taumel ergriffen wird, sich taumelnd bewegt’, aldus Grimms Deutsches Wörterbuch, s.v., waar verwezen wordt naar Klopstock.
146een' Engel Gods: dit hoeft niet metaforisch begrepen te worden; voor de preromantici was het onder bepaalde condities mogelijk, dat de mens reeds hier op aarde enigermate aan de wereld der geesten deelachtig werd (cf. II 264, III 402); hoe klein men de afstand mens-engel achtte, blijkt b.v. uit Young's Night Thoughts: ‘Engelen zyn menschen van een verhevener soort (....) en menschen zyn engelen, die voor een' korten tyd hunnen last torssen;’ (vert. Lublink, vierde Nacht, deel I, p. 192).
153Liefde op het eerste gezicht tussen twee, van alle eeuwigheid voor elkaar bestemde ‘zusterzielen’ is een bekend motief bij Rousseau, Klopstock en verwante schrijvers, cf. M. Langbroek, Liebe und Freundschaft bei Klopstock und im niederländischen empfindsamen Roman, Purmerend 1933, S. 23, 28.
181Uwe Eenigste in 't Heelal: zowel bij Rousseau en Goethe als bij Feith (Julia) vindt men talrijke vbb. van de cultus der geliefde die bijna vergoddelijkt wordt; in II 178 heet de aanbedene zelfs de bron van Karels deugd!
187Deze vergelijking is een navolging van een pseudo-Ossiaans fragment, Bosmina getiteld, uit Von Harolds Die Gedichte Ossian's, Düsseldorf 1775 (cf. Q.W.J. Daas, De gezangen van Ossian in Nederland, p. 58); in Brieven V, p. 28, citeert Feith uit Bosmina: ‘De Wandelaar blikte de lieflijke bloem aan - hij prees haare heerlijke gedaante; - maar de adem van het noorden rukte op haar aan, verschroeide de bevallige bloem, en wierp haar sierlijk hoofd in het stof. De Wandelaar keerde te rug - blikte haar verzengde bladeren aan - betreurde het verlies van haare schoonheid - en snelde droevig voorbij! - Zo zijt gij gevallen, Bosmina! zo in de dagen uwer jeugd verwelkt!’.
270Opnieuw sympathetisch natuurgevoel, cf. I 86 vv., II 206; de nachtegaal treedt meer op als ‘Liebesbote in Volkslied, Sprichwort und Spruch’ (Oswald A. Erich en Richard Beitl, Wörterbuch der deutschen Volkskunde2, S. 547).
274Zielvriendin: volgens welwillende opgave v.d. red. van het WNT. is ziel(s)vriend(in) in onze literatuur vóór 1800 slechts sporadisch gedocumenteerd; de oudste bewijsplaats levert Van Merwede in 1651; daarna komt Jacob Zeeus; Seelenfreund(in) is een geliefde term in het taalgebruik van de Duitse piëtisten (cf. Langen, S. 305 f.); het wordt gebruikt om de intieme verhouding van de ziel tot Christus uit te drukken; de preromantici gaan het woord dan enkel in profane zin bezigen; zo ook Feith.
283assche: (zie ook IV 224): lijk (zonder dat van crematie sprake is, cf. WNT. II, 1e st., p. 717).
293als die stond genaakt: wanneer dat uur aanbreekt; tot u verkwijn: van staat verander, zodat ik bij u kom.
298Net als Klopstock (cf. Langbroek, S. 52 ff.) beschouwt Feith de hemel als de plaats waar ook de aardse liefde haar voltooiing vindt; zijn eeuwigheidsverwachting is sterk erotisch gekleurd, vgl. het slotvisioen van Het Graf.
334als Pelgrim: (zie aant. bij opdrachtsgedicht vs. 23) bij uw leven; uw zusterlijke ziel: in de preromantiek is de gedachte wijd verbreid, dat de geliefden van alle eeuwigheid af door zielsverwantschap met elkaar verbonden zijn; de oorsprong van deze idee ligt in Plato's Symposion, maar Rousseau en Klopstock vooral hebben haar met graagte opgenomen en uitgewerkt; in Julie, ou la nouvelle Héloise T. 1, brief 38, noemt Saint-Preux zijn beminde ‘chère et précieuse moitié de mon âme’ (uitg. ‘Classiques Garnier’, Paris 1960, p. 92).
342Naar de opvatting van diverse 18e-eeuwse auteurs, zoals Elisabeth Rowe (1674-1737) en Klopstock, treedt de gestorven geliefde op als beschermengel van de achtergebleven zielsvriend(in), cf. Langbroek, S. 53. Van Alphen, die blijkens zijn klaagzang op de dood van zijn vrouw (Dichtwerken II, ed.-Nepveu, Utrecht 1838, p. 17-31) dezelfde denkbeelden aanhing, werd hierom van orthodoxe zijde berispt. Hij verwees zijn opponenten in het voorbericht tot de Gedichten en Overdenkingen van 1777 (ed.-Nepveu II, p. 10-11) o.a. naar uitspraken van Haller, Klopstock, Lavater en de theoloog Walch.
343juicht tegen: in navolging van Klopstock gebruikt Feith talrijke geprefigeerde werkwoorden (cf. Diss. hfdst. VI, p. 246), die het dynamisch karakter van de uitgedrukte handeling accentueren.
345-346begrimt: bedreigt; in deze regels treffen we de Leibniziaanse gedachte aan, dat het leed er is voor ons heil en dat het ons een hogere positie verschaft in de keten der wezens (cf. Leibniz, Phil. Schriften, ed. Gerhardt, Berlin 1885, VI, S. 606; onveranderde herdruk Hildesheim 1961); in Feiths Ferdinand en Constantia II, p. 26 leest men: ‘De tegenspoed veredelt het hart’; zij alleen is het die ‘ons hier reeds met de onstoffelijke waereld, met de waereld der geesten, gemeenzaam maakt’.
352zijn slagwiek: zijn vleugel; in de antieke mythologie wordt de Tijd (Kronos) voorgesteld als een grijsaard, voorzien van vleugels aan schouders en voeten, cf. het tweede vignet van Feiths De Ouderdom (1802).
359meest: meestal; de betekenis is dus: Ach! het vooruitzicht (van toekomstig genot) kan hem (de sterveling) meestal wel bekoorlijk schijnen.
364Een schaduw: cf. Job 8:9: ‘Want wij zijn van gisteren, en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde eene schaduw zijn’. en Ps. 144:4: ‘De mensch is der ijdelheid gelijk; zijne dagen zijn als eene voorbijgaande schaduw’ (beide St. vert.). In de aanhef van Het Leven (zie aant. II 407), waar hetzelfde beeld voorkomt, grijpt Feith duidelijk terug op Plato's beroemde grot-mythe uit diens Politeia, Lib. VII; datzelfde geldt voor Ferdinand en Constantia II, p. 28: ‘Verdoolde stervelingen! beuzelachtige wezens, die met schaduwen tegen den wand speelt!’.
367't voorhang: als zinnebeeld voor de scheiding tussen hemel en aarde, die door Christus werd opgeheven, treedt dit beeld van het voorhang dikwijls op in piëtistische literatuur, cf. Langen, S. 250, waar verwezen wordt naar Matth. 27:51; in dit geval denke men echter eerder aan invloed van Goethes Werther (cf. Karl Menne, Goethes Werther in der niederländischen Literatur, Leipzig 1905, S. 50). Feith gebruikt dergelijke beelden bijzonder graag, b.v. in Julia (ed. H.C.M. Ghijsen, Purmerend 1933, waarnaar ik steeds citeer), p. 28: ‘Nog één ogenblik - en het gordijn valt - gij hebt geleefd’; in Ferdinand en Constantia II, p. 18; in Het Graf III 85.
405De vergelijking van het mensdom met gebladerte gaat via Ilias VI 147 terug op een plaats van de Griekse dichter Musaeus, opgenomen in de Stromata, lib. VI van Clemens van Alexandrië; hetzelfde beeld vinden we bij Young (Night Thoughts, vert. Lublink deel II, p. 253), in Feiths Herfst-Zang van 1790 (Oden II, p. 130-141) en in zijn Nieuwjaars-Lied.
407De voorstelling van het leven als een droom vormt een bekend motief (cf. Th. C. van Stockum in Ideologische Zwerftochten, Groningen 1957, p. 305-321). Feith gebruikt het herhaaldelijk, b.v. Julia, p. 32: ‘Ja! ons leven is een droom, en waar plukken wij hier een roosje dan in onze verbeelding?’; p. 60: ‘Ja! dit leven is een droom - een van bitterheid en vreugde gemengde afmattende droom’; Het Leven (Oden V, p. 24): ‘Sterven is ontwaken/Uit een' bangen droom’; Het Leven (Oden IV, p. 115): ‘Ja, 't leven is een droom, en al zijn bezigheid/Verschijnsel aan den wand, waar schim de schim verbeidt’.
409-410Al even bekend is het hier optredend motief van het theatrum mundi (cf. Ernst Robert Curtius, Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter2, Bern 1954, S. 148-154).
426Cf. Feiths wrange beeld van de seniele aftakeling in het zojuist genoemde gedicht Het Leven uit Oden V.
431vv. Feiths levensideaal, zoals hij het in deze regels verwoordt, is sterk geïnspireerd door de Senecaanse tranquillitas animi; stoïcijnse gemoedsrust en christelijke zielrust vinden elkaar in deze volmaakte evenwichtstoestand die de dichter nastreeft.