Vignet: Verbeeldt de hereniging van ziel en lichaam bij de opstanding. Boven hen zweeft de lauwerkrans van de overwinning. Een soortgelijke voorstelling door William Blake - zij het dat daar twee menselijke gestalten elkaar in de lucht omhelzen - vindt men als illustratie in een uitgave van Robert Blair's The Grave (afgedrukt in de Algem. Literatuurgeschiedenis deel IV, onder red. van J.C. Brandt Corstius, Utrecht z.j., p. 33).
Vergeefs! ik zucht in 't stof. - o Deugd! wijk nooit van mij!
25 B: eindigt met een komma
4De tortelduif is in het volksgeloof en in de literatuur het zinnebeeld van de echtelijke trouw. De traditionele voorstelling luidt, dat ze na de dood van haar partner nooit meer op een groene tak wil zitten en onophoudelijk haar smart kenbaar maakt (cf. Taal en Letteren VIII (1920), p. 144). Feith grijpt herhaaldelijk terug op dit klassieke motief. In Julia, p. 49, citeert Eduard de beroemde reizang van Vondels Gijsbrecht: ‘Door zulk een liefde treurt/ De tortelduif, gescheurd/ Van haar' beminden tortel....’; in Ferdinand en Constantia I, p. 60, zingt de naar een levensgezel smachtende Cecilia voor Ferdinand ‘het treurig lied des Tortels’; die identificatie met het symbool gaat zelfs zover, dat het meisje in huis een duif vertroetelt, als kende het dier dezelfde gevoelens als zij persoonlijk (a.w. I, p. 44).
113wellust: vreugde; zie aant. bij opdrachtsgedicht, vs. 41.
118eerlauwrieren: eretekens; lauwrieren was reeds voldoende geweest om hetzelfde begrip uit te drukken; de samenstelling behoort tot het reeds gesignaleerde type-moordschavot (I 232).
131snoode: boosaardige; staatkunst: bestuurspraktijk; in de 18e eeuw gaan de samenstellingen met -kunst een praktische bekwaamheid uitdrukken, dit i.t.t. de samenstellingen met -kunde (cf. WNT. VIII, p. 580).
157 B: Mijn voet rust op het graf, waarin ik neêr zal zinken;
145Sedert de middeleeuwen wordt in de christelijke traditie de dood veelal uitgebeeld als een skelet, cf. J. Vanderheijden, Het thema en de uitbeelding van den dood in de poëzie der late Middeleeuwen en der vroege Renaissance in de Nederlanden, Ledeberg-Gent z.j.; J. Huizinga, Herfsttij der middeleeuwen7, Haarlem 1950, hfdst. XI.
149Hier corrigeert Feith zijn vroeger mortaliteitsbesef en sluit hij zich aan bij Herders visie van de dood als een schone jongeling, cf. Inleiding, p. 29.
164Toespeling op het grafschrift dat Klopstock voor zijn vrouw Meta maakte: ‘Saat von Gott gesät dem Tage der Garben zu reifen’; Julia en Eduard uit Feiths eerste roman lezen bij hun bezoek aan een grafkelder een ‘aandoenlijk opschrift’ dat een vertaling van het bovengenoemde is (a.w., p. 21).
165een wanklend riet: cf. Matth. 11:7 en Luk. 7:24.
172de parel: de ziel; versta: ik in mijn dwaasheid vergat, dat uw ziel, toen ze gebonden was aan het lichaam, nooit die volkomenheid bezat, als waar zij nu in deelt.
177Het beeld van de lemen hut ter aanduiding van het vergankelijk lichaam gaat terug op Job 4:19 (St. vert.): ‘Hoeveel te minder zal God vertrouwen op degenen, die leemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is?’.
180den stofbewooner: het aan het stoffelijke gebonden schepsel (niet in WNT.), gevormd naar het du. Staubbewohner: ‘poetisch-sentimentales Schlagwort aus dem Ende des 18. Jahrh.: Bewohner des Staubs (d.h. der irdischen, vergänglichen Welt im Gegensatz zum göttlichen Jenseits), armer, kleiner, irrender Mensch.’ - aldus Grimms Deutsches Wörterbuch, s.v., onder verwijzing naar o.a. Der Messias van Klopstock X, vs. 381.
183aan 't stof: versta: aan de uiterlijke schoonheid van Emilia, onder voorbijzien van haar onsterfelijke ziel.
205 B: eindigt met een komma
212 B: eindigt met puntkomma
220 B: eindigt met een punt
206Versta: als alles wat we nu in redelijk geloof aanvaarden, ook de instemming van ons gevoel zal verwerven; cf. Inleiding, p. 25.
211Leibniz onderscheidt in zijn Essais de Théodicée (Phil. Schriften VI, ed. C.J. Gerhardt, Berlin 1885; onveranderde herdruk Hildesheim 1961, S. 21-472) het metafysisch kwaad (de natuurlijke beperktheid van de mens), waaruit het zedelijk kwaad (de zonde) en het fysieke kwaad (het lijden) noodzakelijk voortvloeien. God richt al deze vormen van kwaad echter op de realisatie van het goede.
216Leibnits: Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716), universeel geleerde en wijsgeer van Duitse afkomst, wiens Essais de Théodicée (1710) de filosofische basis vormt van Feiths leerdicht, cf. Inleiding, p. 24.
218Salchli: Emanuel Salchli (1740-1817), Zwitsers predikant, te Stettlen woonachtig; publiceerde in 1784 een uit stanzen opgebouwd leerdicht in vier zangen Les Causes finales et la Direction du Mal, bedoeld als ‘Darstellung seiner von Leibniz' Optimismus ausgehenden philosophischen Nachforschungen’ (Algem. Deutsche Biographie XXX, Leipzig 1890); naderhand bewerkte hij dezelfde stof opnieuw in zijn beter geslaagde werk Le Mal, Poème philosophique en quatre Chants (Bern 1789; Paris 1790), opgedragen aan Malesherbes. Dit laatste leerdicht bestaat uit strofen van vier alexandrijnen; de aanhef luidt:
‘J'offre aux esprits pensants des vérités frappantes:
Contemplants la douleur dans ses fins consolantes,
Et des plus grands fléaux admirant les effets,
J'entreprends de chanter Le Mal et ses bienfaits’.
Er bestaat een Ndl. vert. van J. Lublink Jr. onder de titel Het Kwaad, Amsterdam 1798.
229-233Verschillende sentimentele auteurs gaan uit van een wezenlijk onderscheid tussen de hogergeklasseerde, aandoenlijke mens en zijn oppervlakkiger naamgenoot met ‘de ziel van klei’. Zo onderscheidt Feith in Brieven I, p. 71 vv., mensen met grove, middelsoortige en fijne ‘zenuwtepelen’.
234duuring: duur (ook bij Van Alphen, cf. WNT. s.v. duren).
250trouwe: de slot-e is om metrische redenen aangehecht, cf. III 194.
260Deze regel bevat een duidelijke climax: we zien hier in welke fasen Feith zich de opgang uit het stof naar de eeuwige gelukzaligheid voorstelt; herstel: de hereniging van ziel en lichaam en restitutie voor het op aarde verduurde leed, cf. Inleiding, noot 1 op p. 23.