terug  begin  prepost
[p. 115]

Vierde zang.

[p. 117]


illustratie
Vignet: Verbeeldt de hereniging van ziel en lichaam bij de opstanding. Boven hen zweeft de lauwerkrans van de overwinning. Een soortgelijke voorstelling door William Blake - zij het dat daar twee menselijke gestalten elkaar in de lucht omhelzen - vindt men als illustratie in een uitgave van Robert Blair's The Grave (afgedrukt in de Algem. Literatuurgeschiedenis deel IV, onder red. van J.C. Brandt Corstius, Utrecht z.j., p. 33).

Het graf.
Vierde zang.

 
Ja, stille Graven! ja, gij blijft mij wijsheid leeren.
 
Hier kan ik 't best met God en met mij zelv' verkeeren,
 
Hier, waar de vrede woont, de zorg het hart niet knaagt,
[p. 118]
 
De beek welluidend ruischt, de tortel troostrijk klaagt,4
5
De zoô, die de armoê dekt, en 't marmren eereteken,5
 
De duurzaamheid en prijs van aardsche grootheid preeken.
 
 
 
't Gewormte kent geen schoon, geen glans, geen majesteit;
 
Het aast op vorst en slaaf met de eigen gretigheid;
 
't Verteert gevoelloos, stil, met de eigen scherpe tanden,8-9
10
De zachte maagdenborst en 't hart van dwingelanden.
 
De Dood verzorgt zijn' disch en zamelt prooi in 't graf.
 
De raauwe moederkreet dwingt hem geen Zuigling af;
 
Hij scheurt den Jongling van het gillend maagdenharte,
 
Bespot de vriendschap, en beschimpt de huuwlijkssmarte.
15
Zijn adem blaast - rang, magt, goud, tijtel, aanzien, zwicht;
 
De mensch wordt wat hij was bij 't eerste levenslicht.
 
Zijn adem blaast op nieuw - de schoonheid is verdweenen,
 
Een naare afschuuwlijkheid zweeft om den schoonsten heenen.18
 
 
 
Zo zag mijn oog u eens, volschoone emilia!19
20
De liefde zweefde u voor, de wellust daauwde u na.20
 
't Was Lente, waar uw oog zijn' zachten gloed vertoonde;
 
De deugd werd aangebeên, als ze in uw lagchje woonde;
 
Uw minste wenk schiep vreugd, uw kusch was zaligheid;
 
't Prees al emilia, en niemand had gevleid.
25
De roos wenschte aan uw' voet de moederstruik te derven
 
Om in uw golvend hair of op uw borst te sterven;
[p. 119]
 
De diamant verwierf een teedrer flikkering27
 
Als ze aan uw' blanken hals of van uw lokken hing.
 
Emilia! uw vriend - helaas! hij zag u weder.29
30
Gij laagt gevoelloos in een holle doodkist neder;
 
Uw oog was diep verhuld, uw mond was blaauw als lood,
 
Op heel uw aanschijn zwom geen lieflijk maagdenrood;
 
Een naare rimpel had uw' zoeten lagch vervangen;
 
Geen zacht gedwongen lok speelde om uw diepe wangen;
35
Uw hair hing kunstloos neêr, naar dat de nood het ried,
 
Geen parel leende 't glans en 't roosje golfde 'er niet.36
 
Ik zag geen puikgesteente aan hoofd of vinger gloeien,37
 
Geen zachte zijde of kant om heup en boezem vloeien,
 
Een aaklig wit gewaad, een hulsel zonder glans,
40
Een wooning luttel waard, was al uw rijkdom thans.40
 
Ik weende, emilia! de vriendschap schonk mij krachten;
 
Ik durfde u naaken en den schrik des doods verachten.42
 
Ik boog mij in uw kist - mijn mond zonk op uw' mond -
 
Ik kuschte u - ach! de lip, de steenen lip weêrstond,
45
Haar koude, ijskoude druk deed al mijn' moed bezwijken!
 
Eene ijzing greep mij aan en deed mij siddrend wijken.
 
Ach! vruchtloos droomde ik u als eertijds aan mijn zij',
 
Vergeefs gloeide al het vuur der vriendschap nog in mij;
 
Een vlugtig oogenblik had ons van een gescheiden -
50
Ik zag een' afgrond - ach! hij gaapte tusschen beiden!
 
Daar vloog ik van uw kist, en zuchtte, half ontzind:
 
‘Mijn God! wat mint de mensch, die enkel schoonheid mint!’
 
 
 
Geliefde stilte! woeste wouden! sombre dreeven!53
 
Uit u verrijst mijn hoop, in u begon mijn leven.
[p. 120]
55
Hier volg ik, zonder dwang, o Rede! uw zachte stem,
 
Hier aêmt de Godsdienst troost, en geeft uw lessen klem;56
 
Hier werd de Wijsheid mij tot leidsvrouw toegewezen;
 
Hier is 't Heelal het boek, daar ik mijn' pligt kan lezen.58
 
De waereld zag mij slaaf - dit kerkhof ziet mij vrij.59
60
Het graf, waarop ik denk, is thans een troon voor mij.60
 
De driften zwijgen of verkwijnen in haar banden;
 
Mijn ziel gebiedt 'er aan haare eerste dwingelanden.62
 
 
 
O Deugd! hoe lagcht uw glans mijn staarend oog hier aan!63
 
Waar Zonnen rijzen, en weêr Zonnen ondergaan,64
65
Waar Zetels, doorgeknaagd, in 't wachtend niet verzinken,
 
Blijft uw verheeven schoon met d' eigen luister blinken!66
 
Gij waart de zaligheid van 't vroegste Voorgeslacht;
 
Gij blijft den jongsten troost, dien 't laatste Nakroost wacht.
 
Waar alles ons begeeft en wij ons zelven derven,
70
Biedt gij den laafdronk, die ons juichende doet sterven! -70
 
Hoe luttel mist het hart aan al die zaligheid,
 
Die op den rand des grafs voor altijd van ons scheidt,
 
En daar, waar wij 't genot voor eeuwig weg zien spoeden,
 
De neiging in de ziel nog als een beul doet woeden!
75
Hoe weiflend is het heil, dat ons dit stof belooft!75
 
't Behoort niet tot den mensch, wat hem de dood ontrooft.
 
O aardsche heerlijkheid, waaraan we ons hart gewennen,
 
't Is op een graf alleen, dat wij uw waarde kennen!
 
Daar zinkt de sluier weg, die 't zinlijk oog verblindt;79
80
't Is edel, wat de mensch ook daar nog edel vindt.
[p. 121]
 
De hartstocht zwijgt 'er, en de vleiers zijn geweeken;
 
De waarheid kan het best bij tombe en graven spreeken.82
 
De troon leent daar geen' glans aan zijn' bezitter meer;
 
De hut werpt daar geen' nacht op haar' bewooner neêr84
85
't Arduinen praalgesticht moog dwaazen nog verblinden,85
 
't Is haglijk in het stof den Koning nog te vinden,86
 
Die, nu 't gezonken hoofd geen diadeem meer draagt,
 
't Gewormt niet weeren kan, dat zijn gebeent' doorknaagt!
 
Zelfs de Overwinning ziet haar blinkend eerloof taanen;
90
Zij zoekt naar haaren roem, maar vindt slechts bloed en traanen.
 
De Held wordt Moordenaar, om wien de menschheid schreit,
 
En haar geroep klimt op tot Gods Rechtvaardigheid!
 
 
 
Juich, stille Vriend der deugd! uw zon rijst aan de kimmen,
 
Waar alles om u zinkt, ziet ge uwen luister klimmen;
95
Eens zaagt gij uw geluk in 't blaauwende verschiet,95
 
En reeds gaf dit u troost in 't grievendst zielsverdriet;
 
De doorens, die uw voet zo vaak aan stukken reeten,
 
Verzachtte 't zoet gevlei van uw gerust geweten;98
 
Dit wisselziek tooneel was voor uw hart te kleen,
100
Maar toch zaagt ge uw geluk niet dan door nevels heên.100
 
Kom, eedle ziel! die hier door rampen zijt geheiligd,
 
Kom moedig op dit graf - uw schat is daar beveiligd.
 
Al wat uw reine drift als waar geluk begeert,
 
Al wat ge als menschenwaarde en menschengrootheid eert,
105
Al wat uw deugd verheft, uw adel kan verhoogen,
 
Blinkt op dit eenzaam graf veel schooner in uw oogen.
[p. 122]
 
Dit nietig stof, dat hier zo vaak uw deugd weerstond,
 
Zo menigwerf uw hart aan 't vleiend misdrijf bond;
 
Nu midden in uw' loop u moedloos neêr deed zinken,
110
Dan valsch, verganglijk heil op uwen weg deed blinken,
 
En staêg uw hooger zucht ten kluister is geweest,111
 
Ontzinkt voor eeuwig daar aan uwen eedlen geest.
 
Hoe vrij zal dan uw keus, hoe rein uw wellust wezen!113
 
Geen neiging doet het hart, geen dwaaling 't oordeel vreezen;
115
De waarheid trekt dan aan met onweêrstaanbre vreugd,
 
En wie zijn' lust 'er volgt, betracht altijd de deugd.
 
Op deeze onzalige aard' kon 't misdrijf zegevieren.
 
Gevloekte Heerschzucht droeg 'er blinkende eerlauwrieren,118
 
En bij het schel gejuich, dat schaars haar' troon verliet,
120
Vernam men 't bang gekerm der lijdende onschuld niet.
 
Hoe menig grootsch ontwerp ging in haar schaaûw verlooren!121
 
Hoe doodlijk werd het pad, hier door de deugd verkooren!
 
Hoe menig edel zaad, verdronken door de smart,
 
Kwijnde onontwikkeld op den bodem van het hart! -
125
Daar wordt geen Zetel, die de menschheid drukt, gevonden;
 
't Geweld der Boozen is voor eeuwig daar verslonden.
 
Een stoorelooze rust beheerscht dat vreedzaam oord.
 
't Geknars van ketenen wordt nimmer daar gehoord.
 
De laage vleizucht kan 'er geen gedrochten teelen;129
130
Geen dwingland met het heil van duizend Eedlen speelen;
 
Men kent 'er geen bedrog, geen snoode staatkunst meer.131
 
De deugd is daar geluk, verdienste duurzaame eer,
 
Het denken zaligheid, 't gevoelen zoet verrukken,
 
De wensch vervulling, en de pooging blij gelukken.
[p. 123]
135
Hoe zinkt, wat eindig is, hier voor mijn oog in 't stof!
 
O aarde, ik ben te groot voor uwen smaad en lof,
 
Mijn wensch gaat eindeloos een zaligheid te boven,
 
Die mij een toeval of de boosheid kan ontrooven!
 
Hier smacht ik naar een heil, dat nimmer zal vergaan;
140
Hier staar ik een genot, mijn' oorsprong waardig, aan;
 
Hoe donker ook uw nacht, afzichtlijk graf! moog wezen,141
 
Ik zie reeds achter u de zon, die 'k toef, verreezen!142
 
 
 
O Dood, hier waar het oog u van nabij aanschouwt,
 
Heeft uw gedaante niets, daar 't hart te rug van grouwt.144
145
Gij zijt geen dor geraamt' met ingezonken oogen,145
 
Geen gruuwzaam dwingeland, beroofd van mededoogen -
 
Zo moog verbeelding u vertoonen in 't verschiet,
 
Voor 't min beneveld oog zijt gij zo vreeslijk niet.148
 
Aanminnig Jongeling! wie kon u dus miskennen?149
150
Hoe ligt laat zich het hart aan uw gedaante wennen!
 
Neen, 't kan niets vreeslijks zijn, wat uw bevel bevat,
 
Gij dient den grootsten Vriend, dien immer 't menschdom had -152
 
O Dood! zou op uw komst mijn hart u tegen beeven?153
 
Gij rooft een nietig, maar gij schenkt een eeuwig leven!
 
 
155
Verlosser! schoon mijn lof niet tot uw liefde raakt,
 
Toch klopt in mij een hart, dat van aanbidding blaakt;
 
Mijn voet rust op het graf waarin ik neêr zal zinken,
 
Maar 'k zie ook boven mij het grootsch gestarnte blinken.
[p. 124]
 
O Gij, die voor den Mensch in zijnen donkren nacht159
160
De Onsterflijkheid aan 't licht, aan 't heerlijkst daglicht bragt,
 
En hem te midden van zijn traanen en ellenden
 
Een kalmen blik tot God en 't waar Geluk doet wenden! -
 
Hier, waar mijn oog niet meer verwoeste menschheid vliedt,163
 
Maar zaad, van God gezaaid, tot Englen rijpen ziet;164
165
Hier, nog een wanklend riet, bewogen ginds en weder,165
 
Hier in het stof des doods kniel ik voor u ter neder,166
 
En staamrend juicht mijn hart, voor 't grootsch gevoel te kleen:167
 
'k Ben alles, wat ik ben, door uwe Liefde alleen!
 
 
 
Emilia! mijn smart kon eens uw grootheid krenken -169
170
Hoe kleen was toen uw Vriend! nog bloost hij op 't herdenken.170
 
Ik weende bij de schelp, en ach! de dwaas vergat,171
 
Dat nooit de parel zelf dien glans voorheen bezat.172
 
Hoe nietig was het schoon, u door den dood ontnomen!
 
Zijn hand was d' Ouderdom maar even voorgekomen,174
175
En ligt had bange smart, te vaak met jeugd vereend,
 
Reeds vroeger van uw wang het roosje weggeweend.176
 
Ach kon ik bij de hut, nu ingestort, gezeten,177
 
Om haar den eedlen gast, die haar verliet, vergeten!178
 
Ligt zaagt gij in dien stond, Vriendin, bewoogen, teêr,
[p. 125]
180
Met mededoogen op den stofbewooner neêr.180
 
Hoe eigenlievend was dat oogenblik mijn harte!
 
Gij juichte, en bij uw vreugd gevoelde ik niets dan smarte,
 
En daar ik al mijn liefde aan 't stof alleen bewees,183
 
Zag ik den Engel niet, die tot zijn' oorsprong rees.184
 
 
185
Zo treurt de Ellendeling, in ketenen geklonken,
 
Dat aan zijn' Lotgenoot de vrijheid wierd geschonken.
 
Niets voelt hij in den nacht van zijn gevangenis,
 
Dan dat hij eenzaam treurt en nog gekerkerd is.
 
 
 
O maatloos vast Gestarnt', dat, door geen wolk verdonkerd,189
190
Hier op dit stille graf mij hel in de oogen flonkert!
 
Hoe moedig blijft mijn voet zijn doornig pad betreên,
 
Aan uwe gindsche zijde is al mijn leed volstreên!192
 
Ik staar van verre u aan en blijf gerust vertrouwen -
 
Eerlang zal u mijn oog meer van nabij aanschouwen.194
195
't Is alles hier verkeerd, zo dit verschiet bedriegt,
 
't Is alles godlijk wel, zo deeze hoop niet liegt.
 
Door haar gesterkt, getroost, kan ik de smart verdraagen.
 
Haar invloed geeft mij kracht bij de allerfelste plaagen.
 
Nu knaagt aan mijn gebeent' de wreede wanhoop niet
200
Waar mij een dierbre Gaê haar koude lippen biedt,200
 
En ik, daar nog haar oog van teêrheid schijnt te blinken,201
 
Haar uit mijne armen in den arm des doods zie zinken.
 
Een traan, die 't hart verheft, moog langs de wangen vliên,
 
Maar 't hart juicht bij dien traan: o Zalig wederzien!
[p. 126]
205
Hoe heerlijk, groote God! wordt eens uw Naam gepreezen.
 
Als ieder denkbeeld een gevoel van 't hart zal wezen,206
 
Als bij het volle licht, dat om uw' zetel straalt,
 
Uw Goedheid in het oog der Schepping zegepraalt,
 
Uw Wijsheid heerlijk blinkt, die uit verwarring orden,
210
Uit lijden grootheid, en uit rampen heil deed worden;
 
Die zelf het Zeedlijk-kwaad ten werktuig dwingen kon,211
 
Waardoor de menschheid rees en nog in grootheid won,
 
De zinlijkheid ten trots het misdrijf kon verwinnen,
 
En hier, uit keus, de deugd als 't hoogste goed beminnen!
215
Hier zag een enkel oog den weêrglans van het licht.215
 
Hoe duur, o leibnits! is het menschdom u verpligt!216
 
Hoe dankbaar noemt het hart, dat duizend nooden prangen,217
 
O salchli! uwen naam, vereeuwigd door uw zangen!218
 
Daar zal voor 't groot Heelal de laatste nevel vliên,
220
En 't naauwst beperkt verstand zal meer dan leibnits zien
 
 
 
***
[p. 127]
 
O gij, die aan een Graf, een dierbaar Graf geklonken,
 
Uw vreugd, uw zaligheid zaagt in dat graf verzonken,
 
En sinds, gelukkig slechts door uw droefgeestigheid,
 
Met wellust op eene asch, u nog zo heilig, schreit!224
225
Schouw door het dun gordijn van luttle jaaren heenen -
 
Niet altijd zal uw hart op koud gebeente weenen,
 
Niet altijd jamren in een barre wildernis,
 
Waar slechts de nagalm met uw smart bewoogen is.
 
Hoe zou Gods goedheid, die voor minder groote harten
230
Den Tijd een balsem schonk voor tegenheên en smarten,
 
Door de Eeuwigheid geen troost aan hooger zielen biên,
 
Wier eedle neigingen niet met de stofwolk vliên?
 
Ach! uw standvastigheid behoort tot uwe waarde.229-233
 
Uw liefde is grooter, dan uw duuring hier op aarde.234
235
Zij heeft volmaaking en geen zingenot bedoeld -235
 
Neen, 't is die aandrift niet, die tijd of dood verkoelt.
 
De dood kon nooit een band, die zielen strengelt, scheuren.
 
Hij rooft een korte poos, maar doet niet eeuwig treuren.
 
Zijn hand herstelt voor 't hart, dat staêg herstel begeert,239
240
En door vergetelheid zijn neiging niet verneêrt.240
 
Hoe streelend moet die hoop uw smart in de oogen blinken,241
 
Zo vaak ge op nieuw de zon aan de avondkim ziet zinken -242
 
O smaak haar' zegen staêg, als ge op uw graf geleend,243
 
Bij 't stille licht der Maan van zoeten weemoed weent,
[p. 128]
245
En in de schaduwen, die in haar schijnsel speelen,
 
Als de avondkoeltjes 't loof van 't zwart geboomte streelen,
 
Door zoete toverkracht op 't lieffelijkst verblind,
 
De schim nog waant te zien van haar, die gij bemint,
 
Haar, aan uw lot geboeid, nog om u heen ziet waaren,
250
En met een dankbaar oog op uwe trouwe staaren.250
 
De Reden mooge in 't eind dit zoet bedrog versmaên,
 
Dit donker voorgevoel rijpt eens tot waarheid aan.
 
Rampzalig hij, die nooit in zijn begoochling deelde!
 
De beste harten zijn het vatbaarst voor die weelde.
 
 
255
De nacht, de doodsche stilte en 't flaauwe starrenlicht,
 
De graven om hen heen, het dommelig gezicht
 
Der rustende natuur, het ver geruisch der stroomen,
 
De windvlaag in den top der steile dennenboomen,
 
't Is al het zinlijk beeld van 't heil, door hun verbeid,
260
Van zielrust, slaap des doods, herstel, onsterflijkheid;260
 
't Is al ontwikkling van hun Scheppers grootsch bedoelen,
 
Dat hun de grootheid van hun wezen doet gevoelen.
 
O Lijder, die de deugd hier al uw' rijkdom acht,
 
Verhef u tot uw' God, maar smoor uw jammerklagt.
265
Geen enkel waar geluk ging ooit voor u verlooren,
 
Geen zucht, uw' adel waard, kon tijd noch noodlot smooren.
 
Ach, Liefde, Vriendschap, wierd op aarde slechts gezaaid,
 
't Is de eeuwigheid alleen, die rijpe vruchten maait.
 
De Vriend ziet zijnen Vriend, de Man zijn Gade sterven;
270
Maar wat de Deugd hier mist, zal zij niet eeuwig derven.
 
Dit vlugtig aanzijn is 't begin van ons bestaan;271
 
Het neemt door tegenspoed allengs in luister aan;
[p. 129]
 
Eens rijpt het in het graf tot een volmaakter leven,
 
En daar zal de Eeuwigheid den roof des Tijds hergeven.
 
 
275
Zo zinkt een tarwegraan in vruchtbaare aarde neêr -
 
Zo geeft zij 't zestig-voûd en meer verdubbeld weêr.275-276
 
 
 
Beminlijke Eeuwigheid! wie kan u waardig denken277
 
En de eer der Godheid nog door hooploos jamren krenken!
 
De Tijd vliegt rustloos voort; wat hier zijn vuist ook vell',
280
Een ademtocht te meer en alles juicht herstel.280
 
De Dag breekt spoedig aan, de groote Dag der dagen,281
 
Die dood en grafkuil uit de Schepping weg zal vaagen.
 
Reeds is het hongrig Graf zijn ijdel zwelgen moê,283
 
Reeds hijgt de matte Tijd zijn naadrende eindpaal toe.284
285
Dan zal de teedre Gaê voor een onsterflijk leven285
 
Den Vriend van haare ziel in de open armen zweeven,
 
Hem drukken aan haar borst, en juichen dat het graf
 
Den toevertrouwden schat zo heerlijk wedergaf;
 
Dan zinkt op nieuw de Vriend op 't hart zijns Vriends ter neder,
290
Dan vindt de Moeder haar' geroofden Zuigling weder.
 
 
 
Sophronia! hoe trof die slag uw teder hart,291
 
Hoe wreed scheen u Gods hand te midden van uw smart!
 
Gij had in 't vuur der jeugd een' Echtgenoot gekoozen.
 
Te laat, helaas! te laat, deed u die keuze bloozen.
295
Uw ziel, door 't zingenot eerlang niet meer gevleid,295
 
Vond ijlings in dien Echt een doodlijke eenzaamheid.296
 
Hoe menig lange nacht ontweek u onder klagten!
 
Hoe angstig bleef uw oog den traagen morgen wachten!
[p. 130]
 
Maar toen in 't einde uw hart geen uitzicht meer bezat,
300
Ontlook een schoone Roos op uw wanhoopig pad.
 
Een lief, aanminnig Wicht werd uit uw' Echt gebooren.
 
Zijn aanblik kon op nieuw uw treurig oog bekooren;
 
Gij voelde op zijnen mond uw hart genoeglijk slaan;
 
Hij lagchte u levensvreugd met ieder lagchjen aan;
305
En als hij, moê gekuscht, op uwen schoot bleef spartlen,
 
Of gij hem aan uw borst van zaligheid zaagt dartlen,
 
Dan slonk de felste smart in uwen boezem neêr,
 
Dan waart gij Moeder slechts en had geen rampen meer.
 
Hoe vaak was hij uw troost in uw rampspoedig leven,
310
Wanneer uw Echtgenoot uw sponde had begeven,310
 
En, schoon, ge in traanen smolt en smeekte, nacht aan nacht,
 
Door wijn en spel bedwelmd, aan Gade en Zoon niet dacht!311-312
 
Dan kon uw willem nog uw zilte traanen droogen,
 
Dan was hij Echtgenoot en Waereld in uwe oogen -
315
Gij zaagt dan, als uw hoop met ieder uur verdween,
 
En 't flaauwe lamplicht in het open wiegje scheen,
 
Den kleenen Engel aan uw zijde zorgloos slaapen.
 
Uw oog kon wellust uit dien zaalgen aanblik raapen;
 
Gij drukte een zachten kusch op zijn' ontslooten mond,
320
En droomde van de vreugd, die u te wachten stond,
 
Wanneer de moedernaam, die in zijn oog reeds gloeide,
 
Eens aan uw bonzend hart van zijne lippen vloeide.
 
Hoe vaak sprak dan uw ziel, verhemeld in die hoop,323
 
Terwijl een teedre traan op 't rustend wiegje droop:
325
‘Mijn God! hoe hard uw hand op mij zij neêrgezeegen,
 
Dees gift kan duizendwerf mijn rampen overweegen.326
 
Mijn God! dat deeze Roos nooit voor mijne oogen kwijn',
 
En 'k zal, bij al mijn leed, niet ongelukkig zijn!’
 
 
 
***
[p. 131]
 
Sophronia! uw wensch was tot Gods troon gereezen.
330
Het Roosje kwijnde niet - 't moest eeuwig bloeiend wezen.330
 
Uw moederlijke borst had nog om middernacht
 
Den Lievling uwer ziel verkwikking toegebragt;
 
De morgen rees - ge ontwaakte en hijgde om met verrukken
 
Hem, uit den slaap gekuscht, aan de eigen borst te drukken.
335
Uw hand, die eer gij 't wist uw hart gehoorzaamd had,
 
Hield, toen ge ontwaakte, reeds het wiegjen aangevat;335-336
 
Reeds was het lastig kleed met aandrift opgeheeven,337
 
Reeds kwam uw volle ziel op uwe lippen zweeven -
 
Gij bukte en ijsde. - Ach, God! wat vreeselijk verschiet!339
340
Gij vond den sluier slechts, den Engel vond gij niet340
 
Hoe duldloos schreeuwde uw ziel 't bevel der Liefde tegen!341
 
Hoe onnaspeurlijk scheen u de Almagt in haar wegen!
 
Een vreeslijk Opperheer bestuurde uw gruuwzaam lot.343
 
Gij zaagt geen Vader, maar een' Rechter in uw' God.
345
Zijn Grootheid deed u diep in 't stof ter nederbuigen,
 
Maar van zijn Goedheid kon u niets meer overtuigen!
 
Ge aanbadt. - Zo noemt op aard' de dwaaze sterveling
 
Den slaafschen eerdienst, dien Gods Almagt slechts ontving;
 
Maar wie Gods vaderhart miskent in tegenheden,349
350
Hoe hoog zijn eerdienst rees, heeft nimmer aangebeden.
 
 
 
En nu, Sophronia! de nacht zonk van u af.351
 
Gij kent de hand, die u weleer uw' willem gaf,352
 
Gij kent het hart, dat hem u eenmaal heeft ontnomen,
 
En uwe ondankbaarheid doet nog uw traanen stroomen. -
[p. 132]
355
Ja, Englen weenen ook, maar 't is van zaligheid,
 
Als zij Gods Liefde zien, door de eeuwigheid verspreid,
 
Hun hand den Cither grijpt, maar zij bij 't grootsch bedoelen
 
Aan d' oever van die zee hunne eindigheid gevoelen;
 
Als dan hun hart vergeefs naar stem en lofzang dingt,359
360
Is deeze traan het lied, dat nog Gods Liefde zingt.355-360
 
 
 
Gij vondt uw' willem weêr, die u reikhalzend beidde;
 
Hij was de Seraf, die u voor Gods Troon geleidde;362
 
Daar week de duisternis, en uw verheerlijkt oog
 
Zag thans de wolk niet meer, die hier Gods weg omtoog.
365
Gij zocht naar strengheid nog, maar vond alom een liefde,
 
Als hier geen Moeder voor haar' Zuigling immer griefde.366
 
Ach! aan dien eigen slag, zo wreed in uw gezicht,
 
Waart ge uwen Lieveling voor de eeuwigheid verpligt.
 
Het misdrijf stond gereed hem aan uw hart te ontrukken -369
370
't Vervolg was één verschiet van ramp en gruwelstukken;
 
Het oogenblik rukte aan, waarin gij wenschen zoudt,371
 
Dat uit uw' schoot geen vrucht het daglicht had aanschouwd.
 
Daar zag een Vader neêr vol eindloos mededoogen -
 
Hij wenkte - en 't misdrijf was een dierbre prooi onttoogen.
375
Ach! voor een oogenblik gevoelde uw hart hier pijn,
 
Om eeuwig Moeder van een' dierbren Zoon te zijn.
 
Hoe waardig vond uw ziel den vroegen Engel weder!377
 
Hoe luttel tegenspoed zonk op zijn hoofd maar neder!
 
En nu - niets treft u meer van alle uwe aardsche ellend,
380
Dan dat ge een oogenblik die Liefde hebt miskend;
[p. 133]
 
Met duizend levens zoudt gij thans die dwaaling boeten -
 
Ach! zo gij treuren kont, gij treurde aan haare voeten!
 
 
 
Maar hoe? Is ook mijn ziel reeds van haar' kerker vrij?383
 
Wat wil die stille vreugd, dat kalm gevoel in mij?
385
De nacht is ijlings voor den schoonsten dag verdweenen -
 
Ik zie geen kerkhof meer, geen graven om mij heenen.
 
Sophronia! mijn hart deelt in uw Zaligheid.
 
Ik zie de Dierbren weêr, zo lang door mij beschreid....
 
Daar rijzen ze aan mijn zij'. - O Vrienden van mijn harte!
390
Dit heerlijk oogenblik verzwelgt in eens mijn smarte...
 
Komt, geeft u aan mijn liefde, aan mijn verlangen weêr...
 
De tijd is eeuwigheid - geen noodlot woedt hier meer! -
 
Verheven, godlijk Oord, daar vrienden vrienden beiden,393
 
Door verre hemelen en eeuwen eens gescheiden,
395
Daar geen vooroordeel meer van Volk of Vaderland
 
De liefde uit harten, voor elkaêr geschaapen, bant;
 
Maar de Eedlen, hoe verspreid, die ooit de Deugd beminden,
 
Zich als een Huisgezin van Broedren wedervinden!
 
O milton! hoe mijn hart u vrolijk tegenzweeft!399
400
O gellert! hoe mijn ziel in uw verkeering leeft!400
[p. 134]
 
En gij, wiens traanend oog de Slaap zo wreed ontvluchtte,
 
Die, eedle nachten door, van smart en weedom zuchtte,402
 
O young! schoon u mijn oog op aard' niet heeft aanschouwd,
 
Mijn ziel was met uw leed en met uw deugd vertrouwd;
405
Zij rees, door u ontvlamd, op vleuglen van gedachten,
 
En leerde aan uwe zij' het nietig stof verachten -
 
Nog gloeit ze op uw gezicht van teedre erkentenis....
 
Smaak, Eedle! 't heerlijk loon, dat u beschooren is -
 
Hoe juichend ziet mijn oog, voor een onsterflijk leven,
410
Narcissa, lucia, aan uwe deugd hergeven!410
 
O aardsche tegenspoed! wat waart ge? een ijdle schijn! -
 
Maar, God! wie zie ik? ... Neen, dit kan niet mooglijk zijn!
 
Na zo veel traanen eens op aarde om haar vergooten,
 
Ach! na een scheiding, door den dood alleen beslooten,
415
Nerina eeuwig mijn! - Beneveld oog, gij mist,415
 
Gij moordt van angst en vreugd ... nerina! God! zij is 't!
 
Zij is 't! 'k Bedrieg mij niet. - nerina! o vlieg nader,
 
Zink aan mijn zwijmend hart! - Ja, God was altijd Vader!
 
Hoe heerlijk is uw loon, o ongeveinsde deugd!
420
Voor 't offer van één dag, een eindelooze vreugd! -
 
Nerina eeuwig mijn! Wat toeft gij, dierbre Gade!421
 
De nacht, de storm is heen - geen ramp komt meer te stade,422
 
Geen strijd, geen bange strijd. - Nerina! waar gij ziet,
 
De liefde woont 'er, maar de zonde woont 'er niet!
425
Versmolten tot één ziel, een enkel denkend wezen,
 
Heeft hier ons zalig hart geen scheiding meer te vreezen...
[p. 135]
 
O haast u in mijn' arm - de dag des Oogsts is daar -427
 
Schouw heel de Schepping door - 'er ruischt geen onrijpe air!
 
Hoor, alles zingt Gods lof! 't juicht al, van wellust dronken,
430
't Juicht al, met reine deugd en eeuwig heil beschonken!
 
Mijn Lied, toon eeuwig meê! - wat 's dit? mijn Cither kwijnt..431
 
Nerina! o beziel ..... Ach, Hemel! zij verdwijnt!
 
Waar ben ik? - Nog op aarde, ach! nog in deezen kluister!
 
Een Graf, waar ik mij keer, en nacht en aaklig duister....434
435
Bedwelmende eenzaamheid! - Verrukking, blijf mij bij! -
 
Vergeefs! ik zucht in 't stof. - o Deugd! wijk nooit van mij!


illustratie

25 B: eindigt met een komma
4De tortelduif is in het volksgeloof en in de literatuur het zinnebeeld van de echtelijke trouw. De traditionele voorstelling luidt, dat ze na de dood van haar partner nooit meer op een groene tak wil zitten en onophoudelijk haar smart kenbaar maakt (cf. Taal en Letteren VIII (1920), p. 144). Feith grijpt herhaaldelijk terug op dit klassieke motief. In Julia, p. 49, citeert Eduard de beroemde reizang van Vondels Gijsbrecht: ‘Door zulk een liefde treurt/ De tortelduif, gescheurd/ Van haar' beminden tortel....’; in Ferdinand en Constantia I, p. 60, zingt de naar een levensgezel smachtende Cecilia voor Ferdinand ‘het treurig lied des Tortels’; die identificatie met het symbool gaat zelfs zover, dat het meisje in huis een duif vertroetelt, als kende het dier dezelfde gevoelens als zij persoonlijk (a.w. I, p. 44).
5De zoô: de graspol.
8-9eigen: dezelfde.
18naare: (ook in IV 33) afgrijslijke.
19volschoone: zeer schone.
20daauwde u na: daalde als dauw van u neer.
31 B: eindigt met puntkomma
27teedrer: tederder.
29vriend: zie aant. bij III 337.
36leende: verleende.
37puikgesteente: kostbaar sieraad.
40Een wooning luttel waard: versta: een doodskist.
42naaken: naderen.
53dreeven: landouwen.
56geeft klem: zet kracht bij.
58Deze gedachte gaat terug op Hugo van St. Victor (1096-1141), cf. Timmers, nr. 535.
59De waereld zag mij slaaf: Latijnse constructie.
60waarop: men versta dit letterlijk! De dichter zit namelijk op een grafzerk.
62eerste: vroegere; versta: mijn ziel gebiedt hier aan die eertijds haar onder bedwang hielden (aan de driften nl.).
63lagcht aan: lacht toe; mijn staarend oog: zie Inleiding, p. 18.
64Zonnen: zelflichtende hemellichamen.
66eigen: dezelfde.
70Het juichend of vrolijk sterven vormt een vaak terugkerend motief in Feiths grafpoëzie, zie Diss., hfdst. V, p. 192.
75weiflend: onbestendig.
79de sluier: symbool van onze gebondenheid aan de stof, cf. Inleiding, p. 19-20.
84 B: eindigt met een punt
88 B: eindigt met puntkomma
82tombe en graven: graftomben (hendiadys).
84Daar getuigt geen hut meer van de schamelheid van haar bewoner. Zie voor de betekeniswaarde van nacht de aant. bij II 320.
85Arduinen: hardstenen (adj.); zie aant. bij I 247; praalgesticht: praalgraf.
86't Is haglijk: het kost moeite.
95blaauwende: opdoemend.
98Het object van verzachtte zijn de dorens uit vs. 97.
100De nevels verzinnebeelden hier, gelijk elders de sluier of het gordijn, de menselijke beperktheid, cf. Inleiding, p. 19-20.
108 in B abusievelijk meningwerf
111staêg: voortdurend.
113wellust: vreugde; zie aant. bij opdrachtsgedicht, vs. 41.
118eerlauwrieren: eretekens; lauwrieren was reeds voldoende geweest om hetzelfde begrip uit te drukken; de samenstelling behoort tot het reeds gesignaleerde type-moordschavot (I 232).
121schaaûw: schaduw.
129gedrochten: monsters.
131snoode: boosaardige; staatkunst: bestuurspraktijk; in de 18e eeuw gaan de samenstellingen met -kunst een praktische bekwaamheid uitdrukken, dit i.t.t. de samenstellingen met -kunde (cf. WNT. VIII, p. 580).
157 B: Mijn voet rust op het graf, waarin ik neêr zal zinken;
141uw nacht: uw duisternis.
142toef: verwacht.
144te rug van grouwt: van terugschrikt.
145Sedert de middeleeuwen wordt in de christelijke traditie de dood veelal uitgebeeld als een skelet, cf. J. Vanderheijden, Het thema en de uitbeelding van den dood in de poëzie der late Middeleeuwen en der vroege Renaissance in de Nederlanden, Ledeberg-Gent z.j.; J. Huizinga, Herfsttij der middeleeuwen7, Haarlem 1950, hfdst. XI.
148min: minder.
149Hier corrigeert Feith zijn vroeger mortaliteitsbesef en sluit hij zich aan bij Herders visie van de dood als een schone jongeling, cf. Inleiding, p. 29.
152den grootsten Vriend: versta: God.
153tegen beeven: zie aant. bij II 343.
159nacht: beperktheid; zie de aant. bij II 320.
163verwoeste: ontaarde; vliedt: zich afwendt van.
164Toespeling op het grafschrift dat Klopstock voor zijn vrouw Meta maakte: ‘Saat von Gott gesät dem Tage der Garben zu reifen’; Julia en Eduard uit Feiths eerste roman lezen bij hun bezoek aan een grafkelder een ‘aandoenlijk opschrift’ dat een vertaling van het bovengenoemde is (a.w., p. 21).
165een wanklend riet: cf. Matth. 11:7 en Luk. 7:24.
166het stof des doods: cf. Ps. 22:16.
167staamrend: stamelend, onmachtig te spreken; ook in III 407.
169eens: namelijk in zijn reactie op haar dood, zoals verhaald in IV 19 vv.
170kleen: kleinmenselijk; op 't herdenken: bij de herinnering.
171de schelp: het (ontzielde) lichaam.
172de parel: de ziel; versta: ik in mijn dwaasheid vergat, dat uw ziel, toen ze gebonden was aan het lichaam, nooit die volkomenheid bezat, als waar zij nu in deelt.
174even voorgekomen: juist vóór geweest.
176het roosje: de blos. Reeds: er staat Reed.
177Het beeld van de lemen hut ter aanduiding van het vergankelijk lichaam gaat terug op Job 4:19 (St. vert.): ‘Hoeveel te minder zal God vertrouwen op degenen, die leemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is?’.
178den eedlen gast: versta: de ziel.
199 B: eindigt met een komma
180den stofbewooner: het aan het stoffelijke gebonden schepsel (niet in WNT.), gevormd naar het du. Staubbewohner: ‘poetisch-sentimentales Schlagwort aus dem Ende des 18. Jahrh.: Bewohner des Staubs (d.h. der irdischen, vergänglichen Welt im Gegensatz zum göttlichen Jenseits), armer, kleiner, irrender Mensch.’ - aldus Grimms Deutsches Wörterbuch, s.v., onder verwijzing naar o.a. Der Messias van Klopstock X, vs. 381.
183aan 't stof: versta: aan de uiterlijke schoonheid van Emilia, onder voorbijzien van haar onsterfelijke ziel.
184den Engel: zie aant. bij II 146.
189vast Gestarnt': zie aant. bij II 8.
192Aan uwe gindsche zijde: aan gene zijde van u, sterren; volstreên: ten einde toe gedragen; dus: voorbij.
194Eerlang: weldra.
200Gaê: echtgenote.
201daar: terwijl.
205 B: eindigt met een komma
212 B: eindigt met puntkomma
220 B: eindigt met een punt
206Versta: als alles wat we nu in redelijk geloof aanvaarden, ook de instemming van ons gevoel zal verwerven; cf. Inleiding, p. 25.
211Leibniz onderscheidt in zijn Essais de Théodicée (Phil. Schriften VI, ed. C.J. Gerhardt, Berlin 1885; onveranderde herdruk Hildesheim 1961, S. 21-472) het metafysisch kwaad (de natuurlijke beperktheid van de mens), waaruit het zedelijk kwaad (de zonde) en het fysieke kwaad (het lijden) noodzakelijk voortvloeien. God richt al deze vormen van kwaad echter op de realisatie van het goede.
215den weêrglans: de afstraling.
216Leibnits: Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716), universeel geleerde en wijsgeer van Duitse afkomst, wiens Essais de Théodicée (1710) de filosofische basis vormt van Feiths leerdicht, cf. Inleiding, p. 24.
217prangen: benauwen.
218Salchli: Emanuel Salchli (1740-1817), Zwitsers predikant, te Stettlen woonachtig; publiceerde in 1784 een uit stanzen opgebouwd leerdicht in vier zangen Les Causes finales et la Direction du Mal, bedoeld als ‘Darstellung seiner von Leibniz' Optimismus ausgehenden philosophischen Nachforschungen’ (Algem. Deutsche Biographie XXX, Leipzig 1890); naderhand bewerkte hij dezelfde stof opnieuw in zijn beter geslaagde werk Le Mal, Poème philosophique en quatre Chants (Bern 1789; Paris 1790), opgedragen aan Malesherbes. Dit laatste leerdicht bestaat uit strofen van vier alexandrijnen; de aanhef luidt:
 
‘J'offre aux esprits pensants des vérités frappantes:
 
Contemplants la douleur dans ses fins consolantes,
 
Et des plus grands fléaux admirant les effets,
 
J'entreprends de chanter Le Mal et ses bienfaits’.
Er bestaat een Ndl. vert. van J. Lublink Jr. onder de titel Het Kwaad, Amsterdam 1798.
237 B: eindigt met dubbele punt
224eene asch: een lijk; cf. de aant. bij II 283.
229-233Verschillende sentimentele auteurs gaan uit van een wezenlijk onderscheid tussen de hogergeklasseerde, aandoenlijke mens en zijn oppervlakkiger naamgenoot met ‘de ziel van klei’. Zo onderscheidt Feith in Brieven I, p. 71 vv., mensen met grove, middelsoortige en fijne ‘zenuwtepelen’.
234duuring: duur (ook bij Van Alphen, cf. WNT. s.v. duren).
235Duidelijke afwijzing van de seksualiteit!
239Zijn hand: versta: van de dood; het graf geeft eenmaal de ontrukte prooi terug, waarna ziel en lichaam weer herenigd worden; staêg: voortdurend.
240verneêrt: vernedert; de dichter wil zeggen, dat men door niet meer aan de gestorven beminde te denken in ware liefde te kort schiet, cf. vs. 236.
241die hoop: op herstel namelijk.
242De nacht en de steevast volgende morgen zijn voor de gelovige christen het zinnebeeld van de opstanding uit de duisternis van het graf.
243geleend: neergezeten.
265 B: eindigt met puntkomma
250trouwe: de slot-e is om metrische redenen aangehecht, cf. III 194.
260Deze regel bevat een duidelijke climax: we zien hier in welke fasen Feith zich de opgang uit het stof naar de eeuwige gelukzaligheid voorstelt; herstel: de hereniging van ziel en lichaam en restitutie voor het op aarde verduurde leed, cf. Inleiding, noot 1 op p. 23.
271aanzijn: leven.
280 B: Eén
275-276Cf. Matth. 13:8, 23; Mark. 4:8, 20.
277wie kan u waardig denken: wie kan zich een volwaardige voorstelling van u maken?
280Een ademtocht te meer: versta: nog een fractie van een seconde.
281de groote Dag der dagen: de jongste dag (Hebreeuwse superlatief).
283ijdel: vergeefse.
284De Tijd wordt hier weer voorgesteld als een grijsaard, cf. II 352.
285Gaê: gade, echtgenote.
291De naam Sophronia betekent de verstandige.
295eerlang: weldra.
296ijlings: spoedig.