
1Welk een onbedachtzaame eisch, Vriendin! - Hoe! mijne julia in1 2't openbaar verschijnen? en gij - gij, die alles op mij vermoogt - dit2 3van mij vorderen? - Waarlijk, dit heet een misbruik van zijne magt te3 4maken. Bedenk toch een oogenblik wat mij aanleiding gegeven heeft 5om deeze weinige bladen te vervaardigen, en beslis zelve of er toen het 6doelwit bij kon zijn van ze ooit gemeen te maken? - Gij herinnert u ligt6 7nog de dichterlijke partij, die gij, voor twee jaaren, aan eenige uwer7 8beste Vrienden en Vriendinnen op uw vermaaklijk Landgoed gaaft? -
9De vermoeiende hette van dien dag deed u, die altijd op het genoegen 10van anderen bedacht zijt, op eene wijze, die men geen' wederstand kan9-10 11bieden, aanhouden om er den nacht bij te voegen. Nooit zal ik dien 12verrukkelijken nacht vergeten! Hij was de schoonste, dien ik immer 13zag. - Nog kan ik mij verbeelden in uw donker Prieel aan den oever 14van den Rhijn te zitten, en deezen stroom door de maan bij streeken 15verlicht te zien. Geen blaadje verroerde zich. - 't Is in zulke oogen-16blikken, dat het hart zich, onder 't genot der strelendste kalmte, 17vertedert. - Wij kwamen in een vriendlijk verschil over de Liefde. Ik 18had bijna elk tegen mij - Gij alleen, bevallige Sophie! koost mijne 19zijde. Aan welken kant zich de waarheid ook bevond, dit is zeker, wij 20dachten meer verheven over de Liefde, dan onze tegenstrevers. Ons20 21gesprek liep ten einde en gij vorderde toen van mij, dat ik mijne 22gedachten omtrent de Liefde in een tafreel van twee gevoelige harten22 23ontwikkelen zou. - Ben ik geschikt om u iets te weigeren? - Mijne 24julia ontving haar aanwezen, en naauwlijks heb ik aan uwen eersten24 25eisch voldaan, of gij voegt er eenen tweeden, die veel zwaarer is, bij - 26Gij wilt dat julia in het licht trede. Begrijp toch wat ik wage met u te21-26 27gehoorzamen! - Aan wie zal mijn Schilderij behagen? - Aan Sophie?27 28ja! en aan die weinigen, die haar gelijken, die zulk een schoon, gevoelig, 29hart in haaren boezem dragen. Ach! ik gevoel het al te wel, mijne 30julia is niet voor de achtiende eeuw geschikt. Een eenvouwdig tafreel 31van twee tedere harten, die oprecht beminnen, zo als onze Voorouders,
32waar van wij de eigenschappen zo zeer beginnen te haten, mooglijk voor32 33eenige honderd jaaren bemind hebben, zie daar mijne geheele julia!31-33 34Geen verleidende Gebeurtenissen, geen onverwachte toevallen - geen 35enkel bekoorlijk Nietje zelfs! - verzekert mij van de goedkeuring van34-35 36't gemeen. Voeg hier bij, dat ik eene Liefde predike, die zonder de36 37deugd niet bestaat. - Ach! dit laatste bederft alles! - Men zal lagchen 38en het zal met mij gedaan zijn. - Nu, Vriendin! wat zegt gij? - Gij 39begrijpt dit alles en echter volhardt gij bij uwen eisch. - Welaan! ik zal 40gehoorzamen. Ten minsten - en dit alleen is toejuiching genoeg - ten 41minsten zal Sophie mij met haare goedkeuring belonen, en elk, die 42gelukkig genoeg is van haar te kennen, zal overtuigd zijn, dat mijne42-43 43julia geen wezen van verbeelding is. - -
