1In een van die bekoorlijke zomersche avondstonden, die ons van de 2nederdrukkende warmte eens wolkenloozen dags vertroosten, den 3geest verkwikken, en, onder het inademen van duizend verfrissende 4koeltjes, ons op nieuw het genoegen van ons aanzijn doen smaken,4 5sloeg ik mijne begunstigde wandelplaats in. Deeze was een uitge-5 6breid dennenbosch, waar een eeuwig duister in heerschte, omgeven 7door al het ontzaglijke der afgezonderdste eenzaamheid. Ontelbaare7 8beekjes van levendig water slingerden overal langs de kunstelooze8 9paden heen. Door een zacht windtje voortgestuuwd, rolden ze hunne 10golfjes langs bloemrijke oevers, die de welriekendste kruiden voort-11bragten. Tallooze Lelien van daalen, die de natuur hier alom ont 12luiken deed, vermengden er haare liefelijke uitwaasemingen mede.12 13In het diepste van 't woud was eene groote kom, wier midden de13 14eenigste verlichte plek van dit geheele bosch was. Voor lang had hier14 15mijne hand eene gemaklijke rustplaats van zooden gemaakt, en het15 16was altijd daar, dat ik mij aan mijne liefste bespiegelingen overgaf. 17Nooit was ik tot zo ver in deeze gewijde schaduwen doorgedrongen
18of mijn hart was reeds tot dien trap van gevoeligheid gebragt, dien18 19het immer bereiken kon. Dan bepeinsde - gevoelde ik de grootheid18-19 20van den Mensch - ik zag ze, ik smaakte ze in mijne eigen onsterflijk-19-2020 21heid. Hier vierde ik de nagedachtenisse mijner overleden Vrienden21 22- verkwikkelijke traanen ontsprongen uit mijne oogen - verloren22 23in eene wellustige droefgeestigheid overviel mij de nacht - de maan23 24verlichtte bij vakken het bosch, en mijne verbeelding vertoonde mij 25hunne schimmen om mij heen zwevende - ik sprak met hun - mijn25 26hart ontlastte zich van alle zijne geheimen in hunnen schoot - Zij 27beminden reeds in dit leven de deugd - ook zij was de vriendinne27 28mijner jeugd - de gelukzaligheid, die uit hunne oogen scheen, 29verstrekte mij telkens op nieuw tot een spoor - Welk eene geluk-29 30zaligheid! - de eenigste, die mijn brandend hart niets meer te be 31geren kon geven! - Mijn gemoed verwijdde zich - enkel gevoel - 32zuiver, heilig gevoel, wierp ik mij op den stillen grond neder - De 33bank van zooden ondersteunde mijne betraande handen - Het 34bosch werd mij tot een' Tempel - in ieder stofje zag ik mijnen34 35verheven Weldoener - alles werd god! - Hartelijke dankbaarheid35
36- vuurige gebeden, vlogen, met duizend zuchten, tot den onuit-37spreeklijken,36-37 38den oneindigen. - Alle mijne Vrienden paarden hunne stemmen aan de mijne - onze traanen vermengden zich - 39mijn gevoel werd verrukking! - het bosch verdween - 't was 40geen tempel meer - 't was de Hemel - ik genoot - ja! ik genoot 41met hun alle de onsterflijkheid.22-4141
42Thans, meer dan naar gewoonte in diepe gedachten verzonken, 43was ik onmerkbaar tot bijna aan het midden van 't woud genaderd. 44Mijn hart had dikwerf gebrek gevoeld in zijne eenzaamheid. Ik moest 45beminnen om gelukkig te zijn en echter - ik beminde niet! - Met de 46innigste aandoeningen had ik vaak het zachtste en aanminnigste 47gedeelte des Menschdoms beschouwd. Meer dan eens zag ik met de46-47 48tederste gewaarwording de roosjes op de koontjes van een lieftallig 49meisje ontluiken - meer dan eens twee onschuldige borstjes op een 50zwoegend hart verleidend spel spelen. - Dikwerf, vervoerd door50 51uitwendige aantrekkelijkheden, gekluisterd aan een onwederstaan-52baar lagchje, verbeeldde ik mij te beminnen; dan ach! - nimmer had52 53ik gemeenzaam met mijne schoone omgegaan, of de begocheling, die52-5353 54mij voor een oogenblik zo veel geneuchte schonk, verdween. Ligt-54 55vaardigheid en ongestadigheid woonden in 't hart van 't eigen55 56meisje, op wier lippen het genoegen bloosde. - Ik zag, onder het55-56 57plengen van zilte traanen, dat ik mij bedrogen had - dat ik alge-58meen57-58 gevoel van wellust voor waare tederheid had aangezien, en - 59verder dan ooit van mijn geluk, mijn eenigst geluk op aarde verwij-
60derd - betreurde ik mijn lot, en mijn hart doolde, afgemat, in zijne 61ijsselijke ledigheid.
62Levendig getroffen door alle deeze herinneringen, ging ik gebukt 63onder mijne eenzaamheid - toen eene zachte vrouwenstem, die van 64den kant mijner gewoone rustplaats scheen te komen, mij ijlings in64 65mijne mijmering stoorde. - Geheel ontroering, naderde ik - ‘O 66mijn God! Gij hebt mij dit gevoelig hart gegeven ... en nu ... Nimmer 67- neen! nimmer heb ik U om rijkdom, om eenig aardsch voorrecht 68gebeden - mijn geluk is er nooit aan verknocht geweest! - maar een 69Vriend voor dit hart, een deugdzaam Lotgenoot, onder wiens geleide ik 70deeze, voor mij zo eenzaame, waereld doorwandelen kon - op wiens 71arm rustende, geen zegening ongemerkt over mijn hoofd zou waaien -71 72o mijn God! zie daar mijne bede! - de innigste, de vuurigste bede van 73mijne onschuldige ziel - Och! ontzeg ze aan een hulploos meisje niet!’65-73 74- Nu was ik tot aan de verlichte plek van 't woud genaderd. Hemel! 75wat zag ik? - Eene tedere bevallige Maagd, in wier blaauwe oogen 76en rijzige gestalte gevoel en onschuld om strijd uitblonken - bruine76 77hairlokken kronkelden kunstloos om eenen sneeuwwitten hals -77 78met gevouwen handen voor de bank van zooden geknield, dropen 79stille traanen langs haare gloeiende wangen op het gras neder, even 80als de morgendaauw van eene pasontloken roos. - Zo knielt een 81Engel voor den ongeschapenen. - Terwijl ik, stom van ver-81


82wondering, en naauwlijks mijn gezicht vertrouwende, staren bleef,82 83ontdekte mij julia; - vol ontroering rees zij op - eene kleene 84siddering deed haar verbleekt op de zooden nederzijgen. - Ik trad 85met ongewisse schreden naar haar toe. Hemelsch Meisje! borst ik85 86stamerende uit - maar de ontroering sloot met lieffelijk geweld mijn'86 87mond, en geen enkel woord konden mijne bevende lippen 88meer uitbrengen! - Onwederstaanbaar getroffen, gevoelde ik eene 89nieuwe gewaarwording in mijnen boezem. - Beurtling onder tal-90looze zuchten, die met vereenigd geweld eenen doortocht door 91mijnen geprangden gorgel zochten, met moeite ademhalende, en91 92weder in de ruimste kalmte van genoegen herlevende, zeeg ik, door 93overmaat van gevoel verflaauwd, krachtloos aan haare zijde neder. 94- Onze bevende oogen ontmoetten elkander - Spraakloos hieven94 95onze harten het tederst gesprek aan, en de inspraak der Natuur95 96verzekerde mij, dat julia het eenigste Meisje op den geheelen96 97aardbodem was, dat mij gelukkig kon maken. - Hoe gemaklijk 98verstaan zich twee harten, die op dezelfde wijze slaan! die de Natuur98 99op den eigen toon stemde! - Onze ontroering vernietigde zich-zelve99 100- dan, eer wij nog spraken, waren onze zielen, onscheidbaar in een 101gesmolten, reeds voor de eeuwigheid aan elkanderen verbonden. - 102Nu ontdekten wij ons onze onderlinge behoefte, en beide vervulden102 103wij - ieder een tot hier toe aaklig ledig hart. - Waare liefde in eene102-103
104onschuldige ziel veinst nooit. - Och! zij is de roem en zegen der 105Menschlijkheid - en zou zij blozen over haar eigen taal, die voor het105 106verdorven hart even onverstaanbaar, als onnavolglijk is? - Hoe 107zalig verliet ik thans, met mijne julia (o mijn hart gevoelde dat 108mijne!) hand aan hand tredende, het bosch! - Eén oogenblik had 109een nieuw Heelal voor mij ontsloten - alles lagchte mij toe; niets109 110kwam mij meer onverschillig voor. Het grasje, dat zich voor mijnen 111voet boog - het viooltje, dat aan mijne zijde waassemde - alles,111 112alles vermeerderde mijne zaligheid! De Liefde had duizend nieuwe 113gevoelvermogens in mijn hart ontwonden, die tot hier toe in zijne113 114geheimste schuilhoeken werkeloos verschoven lagen. - - o Liefde!114 115tedere, goddelijke Liefde! gij alleen verheft onze ziel tot het waare115 116geluk - gij alleen maakt den sterveling vatbaar voor zijne waare116 117grootheid - ongelukkig hij, die u nimmer kende! -
* * *