1De Natuur scheen haare uiterste poging gedaan te hebben om van 2julia een bevallig Meisje te maken, en nooit was zij in eenig voort-3brengsel gelukkiger geweest. - Zo ooit het gevoel uit twee aanmin-4nige oogen blonk, het zegepraalde in de kwijnende oogen van julia4 5- zo ooit de onschuld haaren zetel op maagdelijke koontjes vestig-6de, het was op de blozende en met kuiltjes prijkende wangen van 7julia. Alle de aanlokkelijkheden der prilste jeugd, de volle aantrek-8kelijkheid7 van het poesele vrijsterschap, scheenen aan haar gelaat8 9voor altijd gekluisterd te zijn. Tederheid, mededogen, menschlie-10vendheid, en de overige deugden van het gezellig leven, hadden aan10 11haare gestalte dien lossen en innemenden zwier gegeven, die dikwerf11 12over zielen zegeviert, die aan de toverkracht van een schoon gelaat 13ontkomen zijn. De Godvrucht had op haar aangezicht die verheven12-13 14majesteit gedrukt, die zich gevoelen, maar niet beschrijven laat. Al 15wat men er van zeggen kan, is, dat de verleiding er voor verstomde.15 16Meer dan eens had zij haaren mond geopend - maar nooit was het 17haar gelukt een enkel beledigend woord uit te brengen, julia sloeg 18haare oogen op en de ondeugd verbleekte. - - Welk een kostbaare 19schat was onder deezen schoonen sluier verborgen! - Welk een hart19 20was het hart van julia! - Vatbaar voor de minste van alle die 21kleene genoegens, die de groote Weldoener des Menschdoms, voor
22elk die ze gevoelen kan, alom zo mild gezaaid heeft; altijd genieten-23de; bleef de uitoeffening der deugd bestendig haar grootste genot. 24Aan deeze vredeverwekkende beloonster offerde zij alle andere ge-2425neuchte op, zonder dat dit voor haar een offer was. Gezegend door24-2525 26elk, die haar kende, stortte julia vaak een' kunsteloozen traan over26 27haare onwaardigheid, en ieder lofspraak maakte haar nederiger - 28Met alle deeze voortreffelijkheden was julia echter een sterflijk 29Meisje - zij had haare gebreken - maar ook deeze gebreken28-29 30konden niet dan in eene ziel, zo groot als de haare, vallen. - - o30 31Mijn Vriend! nooit zal ik dat zalig oogenblik vergeten, waarin ik30-31 32voor 't eerst haare geheele ziel bloot zag! - Welk een oogenblik! - 33Welk eene ziel! - - julia beminde mij teder, en de uurtjes, die ze 34in mijn bijzijn kon doorbrengen, waren haare genoeglijkste oogen-3435blikken. - Na eene afwezendheid van drie geheele dagen, had zij mij35 36met het opgaan der zon op eenen met kreupelbosch bewassen heuvel36 37bescheiden. - Op vleugelen der liefde ijle ik naar mijne zaligheid -37 38De zon was nog niet boven de kim toen ik reeds met uitgebreid38 39verlangen mijne oogen van den top des heuvels over de geheele 40omliggende vlakte liet dwalen. -Het licht vermeerderde - maar ik 41zag mijne julia niet. Beurteling van begeerte brandende en koud 42van schrik vloog ik honderdmaalen den heuvel af, en honderdmaa-43len bereikte ik zuchtende zijnen top weder. - julia verscheen niet, 44en ik kwijnde. Reeds was de tijd tot onze saamenkomst bijna verstre-4445ken - en o! hoe lang was hij mij gevallen! Reeds was ik gereed om 46troostloos den heuvel te verlaten - toen ik haar schier ademloos zag46
47aansnellen! - Zij ziet mijne wanhoop - ik weende. - ‘Verdenk 48mijne liefde niet, o mijn Eduard! dit geheele hart slaat voor u! -48 49maar ach! deezen zaligen kus (op dit oogenblik gloeiden mijne 50lippen onder de haare) deezen vreedzaamen kus had uwe julia u 51met geen' wellust kunnen geven, indien zij spoediger bij u gekomen51 52ware. - Mijn Dierbaare! kunnen wij genieten zonder een kalm 53geweten? - Hoor mijne ontmoeting. - Ik vloog naar den heuvel, 54en geheel bezield door de vreugd van u, na zulk een lang gemis, 55weder te zien, zag ik niets dan Eduard in alle de voorwerpen, die mij55 56omringden. - IJlings treft de stem der diepste treurigheid mijne56 57ooren - Gij weet het, mijn beste! in geen omstandigheden was mijn 58hart doof voor haar - Ik zie om, en een afgemat Grijsaart, gebukt 59onder een ligt pak, dat zijne schouderen weigerden te dragen,59 60bezwijkt, al kermende voor mijne voeten. - Ik vergat onze saa-61menkomst. - Ach! de arme man! - Eene ziekte had hem in een 62vreemd land, waar hij slechts eenige dagen meende te vertoeven, 63geboeid. Hulpeloos voor zich zelven en van den bijstand zijner 64ongevoelige medestervelingen verstoken, had hij nooit een middel 65gevonden om zijne door ouderdom en armoede uitgeteerde Gade,65 66die hij teder beminde, en voor wie hij alles was, van zijnen toestand 67te verwittigen. Hij beefde zo vaak hij dacht dat zijne trouwe gezellinne,67 68die hem sedert lange verloren moest achten, deezen laatsten 69slag niet overleefd zou hebben. - Deezen dag vleide hij zich het 70einde van zijnen moeilijken tocht te bereiken -dan zijne krachten70 71ondersteunden zijn hart niet - zijne jongste hoop vervloog toen ik71 72hem zag nedervallen - o Mijn Vriend! zoude ik den ellendeling72 73hebben laten omkomen en zelve gelukkig geweest zijn? - Neen! 74Vader van alle menschen! - Ik vraag den Grijsaart naar zijne 75woonplaats - zij was niet ver meer - een uurtje slechts, en dit 76uurtje had hij dien dag niet kunnen afleggen! - Eduard! ik troostte
77hem - met mijne hulp rijst hij stenende op - mijne eene arm77 78onderschraagt hem, terwijl de andere zijn pak torscht - en o! - 79uwe julia is gelukkig genoeg geweest om hem aan zijne nog 80levende en van blijdschap trillende Gade wedertegeven. - Met hunne zegeningen besproeid, ben ik tot u geijld en dit oogenblik,81 82hoe kort ook, is mij dierbaar. - Verlaten wij den heuvel, mijn Beste! 83- Och wij zullen nog menig oogenblik van onzen tijd tot eene lieve 84bijeenkomst kunnen afwoekeren - maar hoe schaars lagcht ons84 85de gelegenheid aan om gelukkigen te maken, om de Godheid 86natevolgen? - Mijn Eduard! wanneer vinden wij deeze weder!’ -86 87julia zweeg en weende van tederheid - ik weende van blijdschap87 88en mijn hart aanbad - o God! daar was voor Eduard maar eene 89 julia en deeze julia - - hebt gij hem gegeven! -
* * *